Laatste update 21:08
6.003
128

Schrijver/ journalist

Martijn de Rooi (1956) studeerde af als cultuursocioloog en is werkzaam als schrijver en journalist. Hij werkte voor uiteenlopende media in binnen- en buitenland en schreef boeken over Nederland, diverse andere landen en de multinational Unilever. Als woordvoerder was hij betrokken bij ‘Openheid over Irak’, een burgerbeweging die het dubieuze handelen van de Nederlandse regering in de aanloop naar de Irak-oorlog op de publieke agenda zette en een hoofdrol speelde in het afdwingen van het onderzoek van de commissie-Davids. Tegenwoordig is hij verbonden aan Dutch Image (www.dutchimage.nl).

De Israëlische bril van onze media en politici

Nederlandse media en politici bezien de kwestie-Palestina structureel vanuit Israëlisch perspectief. Fantaseert premier Netanyahu dat een Palestijnse aanslagpleger zich liet inspireren door IS, dan maken onze kranten daar gretig melding van

cc-foto: David Masters

Het was veelzeggend, de wijze waarop de Nederlandse kranten verslag deden van de recente aanslag in Jeruzalem. Ze beschreven keurig hoe een Palestijn was ingereden op een groep Israëlische militairen, al vergat men hier en daar te vermelden dat de aanslag plaatsvond in het door Israël bezette oostelijke deel van de stad. Dat mag symptomatisch heten, want bovenal getuigde de berichtgeving van de verwrongen blik die veel journalisten nog altijd hebben op wat zij hardnekkig ‘het conflict tussen Israël en de Palestijnen’ blijven noemen.

Kenmerkend voor die blik is dat de kranten over de hele linie met nadruk vaststelden dat de aanslag volgde op ‘een periode van rust’. Nu was het alweer een paar maanden geleden dat een Palestijn een aanslag pleegde, maar rustig was het aan het front bepaald niet geweest, integendeel. De Israëlische autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bezetting van Palestina deden er in de bewuste periode alles aan om die bezetting nog dieper in de Palestijnse bodem te verankeren, de illegale Israëlische ‘nederzettingen’ in bezet gebied nog verder uit te breiden en de Palestijnse bevolking te blijven onderdrukken. Er werden Palestijnen gedood, volwassenen en kinderen van hun bed gelicht en gevangen gezet, woningen afgebroken en akkers en boomgaarden vernield. Wat Israëlische mensenrechten­schendingen betreft waren november en december de topmaanden van 2016, blijkt uit cijfers van de werkgroep Staat van Beleg, die de schendingen nauwgezet documenteert.

In Tel Aviv buitelden de Israëlische politici in de ‘periode van rust’ over elkaar heen met woeste plannen om de kolonisering van Palestina te versnellen. De Knesset heeft een wetsvoorstel in behandeling om alle circa honderd Israëlische ‘buitenposten’ op de bezette Westelijke Jordaanoever, die zelfs volgens de Israëlische wet illegaal zijn, te legaliseren. Tegelijkertijd werden de Israëlische geesten koortsachtig rijp gemaakt voor de annexatie van een groot deel van de Westoever. Minister Bennet komt over een week met een wetsvoorstel voor fase 1: de annexatie van de kolonie Ma’ale Adumim.

Provocaties
Het aannemen van resolutie 2334(.pdf) door de Veiligheidsraad leidde drie weken geleden tot nog veel meer onrust. Het regende provocaties van premier Netanyahu en zijn manschappen aan het adres van de Palestijnen. ‘Jullie zullen nooit je eigen staat krijgen!’, blaften ministers hen in het gezicht. Andere ministers schilderden hen af als ‘de vijand’ en als een soort achtergebleven menstype, ‘niet in staat om vredesbesprekingen te voeren’. Minister Lieberman bestrafte traditiegetrouw de Palestijnen voor de door de Britten geïnitieerde en door Nieuw-Zeeland, Senegal, Venezuela en Maleisië ingediende VN-resolutie, en verbrak vrijwel alle banden tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit.

De veroordeling van de Israëlische sergeant Elor Azaria, die vorig jaar in koelen bloede een gewonde Palestijn executeerde, leidde intussen onder Israëlische ministers en politici tot een golf van verontwaardiging en oproepen tot gratie, juist op het moment dat Human Rights Watch hen opriep hun aansporingen tot het standrechtelijk executeren van ‘verdachte’ Palestijnen te staken. Over vrede heeft in Tel Aviv niemand het. Netanyahu peinsde er niet over zondag aan de internationale vredesconferentie in Parijs deel te nemen. Hij sprak van ‘een anti-Israëlisch initiatief’ en kondigde grimmig aan dat iedereen die zijn beleid probeert te dwarsbomen ‘een hoge prijs zal betalen’. Minister Lieberman noemde de conferentie ‘een nieuw Dreyfus-proces’.

En dan was er nog de onheilspellende entree van aankomend president Donald Trump, die zich alvast in woord en daad aan de zijde van Netanyahu en de kolonisten schaarde. Zijn benoemingen (schoonzoon Jared Kushner tot topadviseur, Rex Tillerson tot minister van Buitenlandse Zaken en David Friedman tot ambassadeur in Israël) wijzen erop dat hij zich opmaakt voor een harde confrontatie met de Palestijnen. Zijn vaste voornemen om de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem te verhuizen is een huiveringwekkend schot voor de boeg, een garantie voor geweld in alle soorten en maten.

Israëlisch perspectief
Veel groter kan onrust niet zijn. De ontwikkelingen van de afgelopen maanden vormen een explosief mengsel van onrecht, geweld, bedreigingen en provocaties dat wel tot uitbarsting móet komen. De enige vraag is wanneer en in welke vorm: een golf van individuele aanslagen, een nieuwe intifada? Je houdt je hart vast, maar de Nederlandse kranten spraken eensgezind van ‘een periode van rust’ die werd verstoord door een Palestijn uit bezet Oost-Jeruzalem die vier Israëlische militairen doodreed.

Niet alleen de journalistiek lijdt aan die verwrongen blik. In Den Haag heerst hetzelfde fundamentele manco bijna Kamerbreed. Gebruiken Palestijnen tegengeweld, en slaat Israël − doorgaans met buitensporig machtsvertoon − terug, dan lopen Kamerleden en ministers te hoop om beide partijen te manen het geweld te staken. ‘De rust moet zo snel mogelijk terugkeren’, heet het dan. ‘Rust’, dat is de situatie waarin de Palestijnen zich gehoorzaam schikken in hun lot, het lot van een vrijwel machteloze en rechteloze, onderdrukte bevolking tegenover een agressieve, oppermachtige koloniale bezetter. Het is het perspectief van de bezetter, van Israël, de enige partij die belang heeft bij deze ‘rust’.

In het verlengde daarvan worden, zowel in Den Haag als in de media, de onderlinge machtsverhoudingen gewoonlijk niet geduid in termen van bezetting en onderdrukking, maar als een ‘conflict’ − een begrip dat het beeld oproept van een meningsverschil tussen twee min of meer gelijkwaardige partijen die in gelijke mate verantwoordelijk zijn voor het ontstaan daarvan en het uitblijven van een oplossing. Het is deze gemankeerde, ook buiten onze grenzen dominante opvatting die er fors toe heeft bijgedragen dat de bezetting de absurde mijlpaal van vijftig jaar heeft kunnen bereiken. En dat de Palestijnen ook na een halve eeuw Israëlische overheersing nog geen enkel uitzicht hebben op een leven in vrijheid en veiligheid, op realisering van hun elementaire (mensen)rechten, op een menswaardig bestaan.

Propaganda
De berichtgeving over de aanslag bracht de vooringenomenheid van de media in nog een andere vorm aan de oppervlakte. Over de hele linie maakten de kranten melding van de bewering van Netanyahu, direct na de aanslag, dat de dader een aanhanger was van IS. Meerdere kranten − de Telegraaf, de Volkskrant − plaatsten die bewering als kop boven hun online berichtgeving over de aanslag, de Volkskrant de volgende dag zelfs als kop op de voorpagina van de papieren krant: ‘Netanyahu: aanslagpleger had IS-sympathieën’.

Waren er aanwijzingen dat de dader iets met IS te maken had? Nee, geen enkele, tenzij we Netanyahu’s opmerking dat er bij de aanslagen in Nice en Berlijn ‘ook een vracht­wagen is gebruikt’ als zodanig willen aanmerken. Netanyahu deed wat hij altijd doet: hij koppelt geweld van Palestijnse zijde standaard aan IS en ‘het internationale terrorisme’. Bij iedere gelegenheid bluft hij dat Israël door zijn onderdrukking van de Palestijnen ‘vooropgaat in de internationale strijd tegen het terrorisme’. Pas maar op, is zijn boodschap, de Palestijnen zijn ook júllie vijand.

De Nederlandse kranten bedienden Netanyahu op zijn wenken door zijn holle propaganda gretig te verspreiden. En daar bleef het grotendeels bij. Terwijl de Volkskrant en andere media zich de dag van de aanslag verder beperkten tot de mededeling dat er ‘nog niets bekend is gemaakt over de identiteit van de dader’, publiceerden Palestijnse media diens naam, leeftijd en leefomstandigheden, en interviewden ze leden van zijn familie. Die stelden onomwonden dat hij nooit iets te maken had gehad met IS of welke politieke of terreur­organisatie ook, maar op eigen houtje handelde. Je vraagt je af of Nederlandse nieuwsredacties in situaties als deze Palestijnse bronnen raadplegen. Of zou dat een verstoring van de ‘rust’ zijn?

Geef een reactie

Laatste reacties (128)