517
9

Platform Duurzame en Solidaire Economie

Lou Keune (1938) is (voormalig) universitair hoofddocent aan de Katholieke Universiteit Brabant (KUB), Faculteit Sociale Wetenschappen (FSW). Zijn onderzoeksgebied was ongelijke ontwikkeling (tussen 'noord' en ‘zuid’). In 1961 deed hij zijn doctoraal economie. In 1969 werd hij doctor in de Sociale Wetenschappen. Keune was betrokken bij veel politieke initiatieven, met name in de solidariteitsbeweging en de kritische economie, waarin hij nog steeds actief is. Hij is medeoprichter van het Platform Duurzame en Solidaire Economie.

J’accuse? Waarom niet?

Waarom wordt er geen aanklacht ingediend tegen het IMF, de Wereldbank, de Verenigde Staten, de Europese Unie en hun adviseurs? Zij zijn medeverantwoordelijkheid voor de dood van velen Nicaraguanen

Ivania was drieëndertig jaar jong toen zij overleed. De precieze doodsoorzaak is onbekend maar heeft in ieder geval te maken met geldgebrek om medicijnen en een bril te kopen. Dat heeft op z’n beurt weer te maken met het neoliberale beleid dat aan Nicaragua was opgelegd door het IMF, de Wereldbank, de Verenigde Staten en de Europese Unie.

Nicaragua, zevenentwintig jaar ben ik er niet meer geweest. Ik voel weer de warmte van Managua, ruik de bloemen, hoor het gekwetter van vogels, zie de bijrijders de bussen volstouwen, geniet van de muziek, eet gallo pinto, en praat met mensen. Ik ben er snel weer thuis.

Ik ben hier om de kinderen van Ivania te spreken, en haar moeder, haar stiefvader, en buurvrouwen. En ook om enkele deskundigen te interviewen over de veranderingen vanaf de jaren negentig in de economie en de politiek, de religie, de gezondheidszorg, het onderwijs, de arbeidsmarkt, en om te begrijpen wat Ivania en haar kinderen is overkomen.

Ivania is op 16 oktober 2006 om negen uur ’s avonds gestorven. Haar oudste zoon Dorlan, toen zestien jaar, heeft haar het laatste half jaar helemaal verzorgd, eerst thuis, en tot slot in die laatste dagen in het ziekenhuis. Zijn drie jaar jongere zus Bielka hielp hem daarbij. Zijn broer Pedro, toen twaalf jaar, was de belangrijkste kostwinner en werkte afwisselend bij aannemers en in metaalfabriekjes. Margina, toen negen jaar oud, zat op de school. En dan was er nog peuter Samanta, toen twee jaar. Er was geen vader in huis. De kinderen zijn van verschillende vaders. In die laatste maanden stonden de kinderen er grotendeels alleen voor. Er kwam wel eens een buurvrouw, bijvoorbeeld om Ivania een injectie toe te dienen. Al die tijd geen dokter op bezoek, geen wijkverpleegkundige, geen gezinsverzorgster, geen maatschappelijk werker, geen priester of non, geen hulporganisatie. En er was ook geen loket voor bijzondere bijstand.

Dorlan en een buurvrouw hadden Ivania al eens naar een ziekenhuis gebracht. Daar werd zij onderzocht maar ze kregen geen duidelijkheid over wat haar mankeerde. Wel kreeg zij medicijnen voorgeschreven, dure medicijnen, die ze niet konden betalen. Ivania werd volgens een van de kinderen in enkele maanden “zo mager als een baby”. Zij had last van haar nieren, kon niet meer eten of drinken, kreeg longontsteking, zij kwijnde helemaal weg. Op een dag besloot Dorlan, hoofd van het gezin, dat het zo niet verder kon en bracht haar naar een ander ziekenhuis. Daar werd zij opgenomen, en drie dagen later stierf zij. Al die drie dagen waren Dorlan en Bielka bij haar, verzorgden haar. Stiefvader Teodoro, lang de man van oma Victoria, was de laatste dag bij hen, zo ook buurvrouw Julia. En op het allerlaatst ook ooms en tantes van Ivania. Pedro moest werken, en Margina paste thuis op Samanta.

Ivania was enig kind van doña Victoria. Ze groeide op in Managua, in een volksbuurt die vanaf 1980 gebouwd werd. Zij was een vrolijk en ijverig kind. Op haar vijftiende werd zij zwanger van Dorlan. De vader liet haar zitten. Ivania moest zelf de kost verdienen. Zij had allerlei baantjes, naaide bedspreien, had korte tijd een winkeltje. Maar zij had ook een oogziekte waardoor zij steeds slechter kon zien. Daardoor kon zij, ook door de hoge werkloosheid, nergens meer aan de bak komen. Zonder een heel sterke bril kon zij helemaal niets. Zo’n bril kostte veel geld en brak gemakkelijk, zeker met al die kinderen in zo’n klein overvolhuis. Toch moest zij aan geld komen, zij moest voor haar vijf kinderen zorgen. Uiteindelijk besloot zij ‘op straat’ te gaan werken.

Daar ontmoette zij in 1997 fotograaf Piet den Blanken, bezig met een reportage over de gevolgen van de neoliberale herstructurering van de economie. Zij raakten bevriend, en Piet heeft haar en haar gezin tot haar dood gevolgd (zie het kopje ‘mamma is ziek’).

In 1990, tien jaar na de revolutie die de Sandinisten aan de macht had gebracht die door de VS met alle middelen bestreden werden, had de conservatieve Violetta Barrios de Chamorro de presidentsverkiezingen gewonnen. Al snel stonden de vertegenwoordigers van het Internationale Monetaire Fonds en van de Wereldbank op haar stoep, en adviseerden haar, en daarna haar opvolgers, een programma van “structurele aanpassing” te starten dat volgens hen het land weer financieel gezond kon maken. Dat leidde tot allerlei maatregelen zoals drastische bezuinigingen, schrappen van sociale programma’s, dereguleringen, privatiseringen. En ook vrijhandel, daarvoor werden handelsakkoorden gesloten met de andere Centraalamerikaanse landen en met de Verenigde Staten en de Europese Unie. De vermarkting van de economie nam snel toe. Bijna alles, ook strategische common goods als water en biodiversiteit werden op grond van de internationale handelsakkoorden tot handelswaar bestempeld en onderworpen aan de internationale concurrentie.

Zo werd de Nicaraguaanse economie nog verder aan de wereldeconomie vastgeklonken. De lokale landbouw en het overige midden- en kleinbedrijf kregen harde klappen als gevolg van de concurrentie met internationale ondernemingen maar ook met, bijvoorbeeld, gesubsidieerde maïs uit de Verenigde Staten. De productie werd steeds meer gericht op de winstgevende mogelijkheden op de wereldmarkt in plaats van op de behoeften van de Nicaraguanen zelf. Er vestigden zich assemblagebedrijven, maquiladoras genoemd, die gebruik maakten van de zeer goedkope arbeidskracht en van fiscale en andere faciliteiten. En dat steeds met de dreiging van “hopping”: als het in een ander land nog goedkoper kan, wordt de productie verplaatst. Dus nog meer flexibilisering van arbeidsvoorwaarden, nog meer druk op de lonen. Kan het anders dan dat onder dergelijke omstandigheden de werkloosheid en de armoede toenemen?

Na de dood van Ivania stonden haar kinderen er grotendeels alleen voor. Oma Victoria kwam nu en dan helpen, stiefvader Teodoro sprong wel eens bij. Hoe bescheiden hun hulp ook was, het waren de mensen op wie zij nog enigszins konden vertrouwen. Dat geldt ook sommige buurvrouwen. Maar uiteindelijk moesten de kinderen zich zelf redden. Beide broers konden niet meer naar school, moesten werken. De schoolgang van Bielka en Margina stond ook onder druk, zij moesten bijverdienen waar maar kon.

Het is een wonder dat zij deze vijfenhalf jaar hebben overleefd. Zij leven nog, zijn nog steeds bij elkaar, vormen een hecht stel. Geen van hen heeft toegegeven aan de bedreigingen inherent aan dergelijke omstandigheden, als drugs, criminaliteit, vrouwenhandel, of overgave aan een almachtige god zoals door een van de vele charismatische kerken wordt aangeboden. Het gezin is zelfs uitgebreid. Bielka heeft zoon Lil Saint gekregen. Dominga, vriendin van Pedro, woont nu ook bij hen, hun dochtertje Nelly kondigt haar nabije geboorte duidelijk aan.

Dan zijn zij dus met acht mensen. En dat in een huisje van omstreeks 25 m2; met slechts één kraan (buiten), met een TV zonder geluid, met slechts twee gammele stoelen, met één houtvuurtje om op te koken. Alleen Samanta kan door de week naar school. Margina moet geregeld bijverdienen en in het huishouden helpen, dus kan zij alleen op zondag naar school. Bielka en Dominga zijn van plan om na de bevallingen, ook via de zondagschool, hun middelbare opleiding af te maken, als de tijd en het geld het toelaten. Pedro en Dorlan zouden dat ook wel willen maar hebben dat vooralsnog uit hun hoofd moeten zetten. Beide broers werken in een metaalbedrijfje dat onderdelen voor de bouw maakt. Zij werken 6 dagen per week, acht uur per dag, op stukloon. Het is zwaar werk, per minuut maken zij 40 tot 60 bewegingen, kracht zettend met heel hun lichaam. Hoe zullen die lichamen en vooral die gewrichten er over 20 jaar uit zien?

Als ik alle inkomsten bij elkaar optel kom ik tot de conclusie dat in dit gezin het inkomen per persoon en per dag rond de anderhalve US dollar ligt. Grote armoede dus. En dat met een totale afwezigheid van sociale zekerheid, geen bescherming op de werkplek, geen bescherming tegen kinderarbeid, met steeds de dreiging dat de economie en het milieu nog verder worden afgebroken; en een democratie die dankzij de vrijhandelsakkoorden steeds onvrijer is geworden, ook juridisch ondergeschikt geraakt aan de luimen van de Verenigde Staten, de Europese Unie en de transnationale ondernemingen.

Gelukkig is er op dit moment wat verlichting in de leefsituatie van de armen van Nicaragua. Dankzij de gelden en olie van president Chavez van Venezuela zijn het basis- en voortgezet onderwijs weer grotendeels gratis geworden. Ook is de gezondheidszorg duidelijk verbeterd. Maar ja, hoe lang zal deze hulp duren? Niet alleen om ideologische redenen worden in Nicaragua de berichten over de gezondheid van Chavez gespannen gevolgd.

Na een lange avond van discussiëren over de perspectieven van de kinderen en kleinkinderen van Ivania vraagt gezondheidswerker Maritza: ‘Waarom wordt er geen aanklacht ingediend tegen het IMF en de Wereldbank, en tegen de Verenigde Staten en de Europese Unie, en hun adviseurs? Zij zijn medeverantwoordelijkheid voor de dood van vele Ivania’s en voor het haast uitzichtloze bestaan van hun kinderen!’

Waarom niet?

Geef een reactie

Laatste reacties (9)