1.459
12

hoogleraar rechtssociologie

Prof. Mr N.J.H. (Nick) Huls (1949) is hoogleraar rechtssociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en aan de Universiteit Leiden. Hij is lid van de Onderzoeksschool Maatschappelijke Veiligheid en tevens fellow van het E.M. Meijers-Instituut voor Rechtswetenschappelijk onderzoek, UL.

Journalistiek tuchtrecht is een noodzaak

Burgers moeten beschermd worden tegen de journalistieke bloedhonden, de pitbulls en de commerciële spektakelzoekers onder de waakhonden.

Op 8 april vond in Rotterdam een congres plaats de over ongemakkelijke verhouding tussen rechterlijke macht en media. Nick Huls was daar dagvoorzitter en naar aanleiding daarvan schreef hij dit betoog.

De tijd dat een rechtbankverslaggever als Jacq van Veen braaf noteerde wat rechterlijke magistraten zeiden, ligt achter ons. De technologische ontwikkelingen hebben deze vorm van passieve journalistiek achter ons gelaten. Peter R. de Vries staat symbool voor de tv-journalist die zelf actief op onderzoek uitgaat en met succes rechterlijke dwalingen aan het licht brengt. Door de beeldende en emotionele dimensies van televisie wordt de dramatische kracht van strafrechtelijke procedures zichtbaar gemaakt voor een breed publiek. Juridische onderzoeksjournalistiek is een tot de verbeelding sprekend genre geworden.
Opinieonderzoeker en –maker Maurice de Hond, die toegang had tot alle media, verenigde in de Ernst Louwes-zaak de rol van advocaat, opspoorder, Officier van Justitie en rechter in zich en wees ‘de klusjesman’ als alternatieve dader aan. Terecht heeft hij deze misstap met een forse schadevergoeding moeten bekopen.
Micha Kat heeft zich na het ontslag van rechter Westenberg laten inspireren tot een kruistocht  tegen porno- en pedofielennetwerken binnen de rechterlijke macht, waaraan op TV aandacht werd geschonken. Het televisieprogramma NOVA verdiepte zich in de vergoeding van de juridische kosten van mr. Westenberg door de Raad voor de rechtspraak en Kat bereidt op zijn beurt een schadeclaim voor om de kosten die hij heeft moeten maken bij de strijd tegen Mr. Westenberg vergoed te krijgen. Kat was ook aanwezig op 8 april, vergezeld door een cameraman. Hij beschuldigde aldaar de rechterlijke macht van corruptie en liet zich niet overtuigen door de tegenwerping dat de rechterlijk macht in het geval Westenberg toch niet bepaald de eigen mensen de hand boven het hoofd had gehouden.  
Het meest recente voorbeeld  van de ongemakkelijke verhouding tussen rechterlijke macht en journalistiek was de uitzending van Peter R. de Vries betreffende Koos H. waarin hij ondanks een rechterlijk verbod undercover beeldmateriaal heeft getoond en aldus de privacy van Koos H. heeft geschonden. De dwangsom van 25.000 euro die boven zijn hoofd bungelde is glimlachend door de producenten voldaan. Immers, de adverteerders verdringen zich rond dit soort spannende uitzendingen om reclametijd in te kopen, en het Commissariaat voor de Media is niet bij machte om toezicht uit te oefenen op de commerciële omroepen.
Het moge duidelijk zijn dat journalisten zich graag profileren als verdedigers van het vrije woord en als waarheidszoekers in het algemeen belang. De NVJ is enthousiast over een journalistiek verschoningsrecht. Maar de hierboven genoemde affaires laten zien dat journalisten ontstellend veel schade kunnen toebrengen aan de reputatie van medeburgers en de staatsrechtelijke verhoudingen kunnen ondermijnen. 
Wat vooral opvalt is dat de sector zelf geen algemeen gedeelde normen en waarden van fatsoenlijke journalistiek heeft ontwikkeld. Iedere journalist bedient zijn eigen doelgroep, die zelf wel uitmaakt wat gepast is en wat niet. De Telegraaf-lezers zijn bijvoorbeeld trots op hun politieverslaggevers die ontdekt hebben in welke Turkse discotheek de gevluchte mensenhandelaar Saban B. zich ophield. Terwijl in Frankrijk op dit moment gedebatteerd wordt over de acties van de journalist Laurent Richard die een pedofielennetwerk heeft gefilmd en de verdachten heeft gemeld bij de politie. De Franse journalistenvakbond SNJ kent een handvest dat verbiedt dat de media voor politieagent spelen.
In Nederland kan bij de Raad voor de Journalistiek geklaagd worden over onheus journalistengedrag. Echter, de Raad legt geen sancties op maar geeft slechts een opiniërend oordeel over het gedrag. Verder zijn lang niet alle media aangesloten, met als gevolg dat slachtoffers vaker direct naar de rechter stappen. Dit geldt zowel voor straf- als voor civiele zaken (tegen Tros Radar en andere consumentenprogramma’s). Ons inziens een ongewenste vorm van escalatie en van juridisering van de journalistiek. De journalistiek kan beter zichzelf solide organiseren en aldus voorkomen dat juristen het normenpatroon aan de beroepsgroep gaan dicteren. Er bestaat behoefte aan een gezaghebbende set van normen en waarden waarin de beroepsgroep zelf aangeeft hoe journalisten zich moeten gedragen in relatie tot de organen van de rechtsstaat, de politie, de advocatuur, het OM en de Rechterlijke Macht. Een effectief functionerend tuchtrecht zou een uitdrukking zijn van het zelfreinigend vermogen van de professionele journalistiek. Het taalgebruik van Kat, het gedrag van De Hond en de minachting van de commerciëlen voor de rechtsstaat zijn alle drie kenmerken van de verloedering van de journalistiek, die ook door de vakbroeders en -zusters moeten worden bestreden. Verschoningsrecht en tuchtrecht zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, het één kan niet zonder het ander.
Vrij beroep en vrijblijvende normhandhaving
Journalisten zien zich zelf als een vrij en open beroep. Iedereen kan zich journalist noemen en door de nieuwe media is het aantal soorten journalist dan ook exponentieel vermenigvuldigd. Volgens Bruning bedient elk medium zijn eigen doelgroep en hanteert zijn eigen normen en waarden. Ergo: de rechter moet achteraf maar bepalen wanneer een ‘journalist’  de journalistieke ‘betamelijkheidsgrens’ heeft overschreden. Dat is de situatie nu en dat leidt tot een ongewenste vorm van juridisering van de media. In het verleden hebben verschillende rechterlijke en niet-rechterlijke instanties geprobeerd de term journalist te omschrijven teneinde hem de benodigde bescherming toe te kennen. 
Volgens het Europese Hof van de Rechten van de Mens is de pers de waakhond van de democratie en daarom verdient de journalist bijzondere bescherming. Wij zouden daar tegenover willen stellen dat burgers ook beschermd moeten worden TEGEN de bloedhonden, de pitbulls en de commerciële spektakelzoekers onder de waakhonden als deze de geldende professionele normen overtreden. Ditzelfde Hof benadrukt in de onderhavige zaak, de Stollzaak, dat een journalist de beroepsethische regels wel in acht dient te nemen en te goeder trouw in het belang van de informatievoorziening en het openbare debat te handelen. Kennelijk vindt het Hof dat, met name in dit huidige internettijdperk, het naleven van beroepsregels door professionele journalisten belangrijker is geworden, nu blijkbaar iedereen aanspraak kan maken op het predikaat journalist. Voorts heeft het Hof, ter bescherming van de journalist, in de zaak Dammann geoordeeld dat het recht op nieuwsgaring onder de werking van het EVRM valt.
De Hoge Raad heeft in de zaak Van Gasteren/Hemelrijk een ruimere omschrijving gegeven dan het EHRM. De Hoge Raad definieert elke publicatie op het internet als een perspublicatie en  daarmee wordt derhalve iedereen als journalist gezien. Een ambigue omschrijving zonder houvast.
Ook de Raad van Europa heeft in 2000 een poging gedaan en omschrijft het begrip ‘journalist’, als ‘any natural or legal person who is regularly or professionally engaged in the collection and dissemination of information to the public via any means of mass communication’. Met deze definitie beperkt de Raad zich tot de massamedia en sluit daarmee de nieuwe media uit.
Ten slotte heeft ook de Raad voor de Journalistiek zich gewaagd tot een definiëring en stelt voor het label journalist de eisen van beroepsmatig tegen betaling meewerken aan de media. Kortom er zijn verschillende uiteenlopende definities in omloop, die het belang van heldere en consequente normvorming alleen maar onderstrepen.
Trial by media
Problemen met deze ongeorganiseerde, ongecontroleerde en ongedefinieerde beroepsgroep komt bijzonder duidelijk naar voren bij de journalistiek die zich op de rechtspraak richt. Dossiers komen op straat te liggen, lekkende advocaten en publiciteitsbeluste officieren van justitie (of omgekeerd) proberen elkaar af te troeven om als eerste de bevriende journalist een primeur te gunnen. Dit leidt tot de mediatisering van voornamelijk het strafrecht.
Andere journalisten gaan zelf op strafrechtelijk onderzoek uit  zonder gebonden te zijn aan de bepalingen van het wetboek van strafvordering die de verdachte beschermen. Sommige media verzorgen aldus een alternatieve vervolging, die niet zelden gepaard gaat met een impliciete veroordeling, een soort wederinvoering van de Inquisitie. En commerciële media leggen rechterlijke uitspraken naast zich neer, als de kosten baten afweging voor hen positief uitvalt en daar wordt uiteraard weer op gereageerd door rechtelijke instanties. Journalisten worden zo medespelers in het rechtsbedrijf met een onduidelijke status. Het is evident dat journalisten aanspraak proberen te maken op opsporingsbevoegdheden die thans toekomen aan justitiële organen. Onlangs overtrad bijv. Alberto Stegeman voor zijn tv-programma de wet door een verboden terrein van Schiphol te betreden en geschriften te vervalsen. Door zijn handelen wilde hij aantonen hoe makkelijk het is een internationale luchthaven ongestoord te betreden. Doordat journalisten zichzelf verschillende opsporingsbevoegdheden toekennen, overschrijden ze hun beroepsgrenzen en veronachtzamen zij beroepsethische regels die vervat zijn in verschillende beroepscodes, zoals de internationaal erkende Code van Bordeaux. 
De handhaving van beroepsethische regels wordt ook belangrijker naarmate een beroepsgroep door technologische ontwikkelingen, in casu door het internet, versplintert en aldus een wildgroei van zelfbenoemde journalisten ontstaat. De burger- en amateurjournalistiek trekt zich niets aan van journalistieke restricties. Sterker nog, ze zijn niet eens op de hoogte van de beroepsregels. Dit vormt des te meer reden om als beroepsgroep je vak duidelijk af te bakenen. 
Indien de journalistieke beroepsgroep een beschermd karakter wenst te verkrijgen, dan is een daadkrachtige beroepsvereniging onontbeerlijk. Hetwelk dan tuchtrechterlijk kan optreden tegen onbetamelijk gedrag om zo de definitie van journalist te waarborgen en het vertrouwen in de journalistiek te verdedigen. 
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bestond er een wettelijk tuchtrecht voor journalisten. Het journalistenbesluit van 2 mei 1941 schreef voor dat journalisten verplicht lid moesten zijn van een publiekrechterlijke beroepsorganisatie.

Na de Tweede Wereldoorlog heeft de overheid een poging gedaan om het tuchtrechterlijk systeem te handhaven en te versterken. Het wetsontwerp van 1948 voerde als motief voor de invoering van een wettelijk tuchtrecht voor journalisten aan dat het journalistenberoep net als het beroep van advocaten en medici een vertrouwensberoep (‘een vertrouwenspost’) is en dat dit vertrouwen soms wordt misbruikt waardoor tekort wordt gedaan aan het belang van een eerlijke voorlichting en aan de ‘waardigheid van de journalistenstand’. Merkwaardig genoeg had destijds niet alleen de overheid behoefte aan een tuchtrecht voor journalisten, maar ook journalisten zagen het nut van een sterke beroepsgroep in. Maar langzamerhand begon men een wettelijke tuchtrecht als een bedreiging van de persvrijheid te beschouwen. Gezien de tijd waarin deze ontwikkelingen zich afspeelden, is deze reactie vanuit de journalistiek en samenleving begrijpelijk. Men was zich toen aan het vrijvechten van overheidsbemoeienis en allerhande wettelijke regels. De nasmaak van de bezetter, zorgde er ook voor dat het grondbeginsel vrijheid hoog in het vaandel stond. Voorts is het niet aan de overheid om te bepalen hoe een beroepsgroep zich organiseert, maar aan de beroepsgroep zelf. Desalniettemin waren de gedachten achter al die wetsontwerpen zo gek nog niet en vormen ze nog steeds onderwerp van discussie.

Sinds 1960 heeft niemand meer vanuit de journalistiek gepleit voor journalistiek tuchtrecht. Misschien wordt het eens tijd om de draad op te pakken en serieus een tuchtrechterlijke beroepsorganisatie te overwegen, in de eerste plaats om de positie der journalistiek te versterken. Maar de NVJ klampt zich thans vast aan het verouderde argument van de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting en het verschoningsrecht. Dit is echter maar één kant van de medaille. Als de professionele journalist een herkenbare positie wil innemen in de wereld van het recht, moeten de betamelijkheidsnormen van zijn handelen duidelijk omschreven en gehandhaafd worden. Wat ons betreft primair door de betreffende groep zelf. Wij pleiten daarom  voor heldere normstelling met de Raad voor de Journalistiek als gezaghebbend tuchtrechterlijk sluitstuk, teneinde de integere kern van het beroep te versterken.

Geef een reactie

Laatste reacties (12)