Laatste update 21:32
3.341
25

Schrijver en jurist

Claire Schut (28 februari 1956, Amsterdam) is schrijver en jurist. Ze heeft ruim 25 jaar ervaring bij de overheid, o.m. op het terrein van ambtenarenrecht, klachtrecht en onderzoek naar discriminatie, seksuele intimidatie en ambtelijke integriteit. Als freelance tekstschrijver en journalist schreef ze o.m. voor de Economische Voorlichtingsdienst (EVD), SNS bank Randstad, Centraal Orgaan Opvang asielzoekers (COA), Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO), Federatie van Nederlandse Exporteurs (Fenedex), ISW Opleidingen en Literair Theater Branoul.

Kafka aan zee

‘Helaas’, zegt de ambtenaar zonder een zweem van spijt.

Foto van de toneelvoorstelling van Franz Kafka’s: Het Slot. (Wikicommons: Krayfish)

Hoezee, het is zomervakantie. De benedenburen met hun felle verzet tegen de natte droom van de huisjesmelker van het bovenhuis – een gigantisch dakterras op hun achterbouw – zijn opgekrast. Handhaving ook, het is toch bouwvak. Bovendien heeft de gemeente zijn loketten zo opgesplitst in talloze onschendbare koninkrijkjes dat zelfs het eigen Servicecentrum niet weet wie wat doet en via welk nummer bereikbaar is. Het meest puike pretparadijs van het jaar om de boel te verbouwen en de regels aan de laars te lappen. Daar gaat-ie.

Op maandag dondert de container voor het pand, parkeerplaats 1. De lift naar de tweede etage ploft ernaast, parkeerplaats 2. Tot slot een rek vol sponningen voor inderdaad gigantische ramen en openslaande deuren, parkeerplaats 3. Vier blonde gorilla’s stampen de trap op en slopen op zolder wat gesloopt moet worden. Oude veluxramen en balken dansen op de lift naar beneden. Het takelen gaat voorzichtiger, al wiebelen ook de nieuwe sponningen los op het vlondertje. Gelukkig is er – net als bij een crime-scene – een rood-wit lint gespannen. Rollators, kinderwagens, scootmobiels en fietsers hebben dus niets te vrezen, ze moeten alleen van de stoep. Het is niet anders. Hier wordt gewerkt. De economie gaat voor.

Je denkt: arme benedenburen. Wat zullen ze balen, als ze die openslaande deuren zien, dat gehate dakterras kant en klaar op hun achterbouw. Zie dat maar eens terug te draaien. Maar ja: ieder zijn eigen rugzak. Je weet er het fijne ook niet van. Zou er asbest in het dak zitten, denk je nog. Dan sluit je ramen en ogen. En verdraagt het bonken, de stof, het brullen der gorilla’s, de dwars op de stoep geparkeerde bak van de aannemer, zijn wapperende vlag op drie parkeerplaatsen in de (met dank aan de gemeente) overvolle wijk. Alles gaat voorbij.

Middelvinger
Drie dagen later staat het lege sponningenrek er nog. ‘Ach meneer, kunt u dat weghalen? Het is al zo lastig parkeren in de wijk.’ Nee, dat kan hij niet: ‘Het is niet van mij.’ ‘Kunt u dan alstublieft bellen dat ze het komen halen?’ Nee, dat kan hij niet. Helaas. Zelfs vanaf de overkant van de straat kun je de opgestoken middelvinger in zijn ogen zien glanzen. De rancune jegens de elite – of wie de pech heeft als elite te ogen – is al zo hoog opgelaaid dat elke vorm van gemeenschapszin, rekening houden met elkaar of burgermansfatsoen als nederlaag wordt ervaren. Het rek blijft dus staan.

Toch maar even bij de gemeente langs.

Aan de balie van het Servicecenter zit een dame. Even lijkt het alsof haar tanden net zo lang zijn als haar nagels, maar dat blijkt schijn. Ze is verlegen en nog niet ingewerkt in het zoeksysteem. Net als ze het bijltje erbij neer wil gooien, krijgt ze steun van een ervaren collega die haar door de rijstebrijberg loodst: ‘Kijk eens bij…’ En: ‘Nee? Zoek dan eens bij….’ En: ‘Hè? Hoezo staan er geen telefoonnummers bij?’ Onderdanig glimlach ik: ‘Kunt u nagaan hoe moeilijk het voor de burger is.’

De dame lacht haar tanden bloot en vraagt haar collega: ‘Heb je al in Onderwater gezocht? Nee, Onderwater. Nee, niet dat scherm… nee… nee… ja daar.’ En: ‘Nou, bel dan eens met….’

Twintig minuten later heeft de dame een telefoonnummer boven water en zelfs al iemand aan de lijn. ‘Hier’, zegt ze en drukt haar smartphone in mijn hand.

‘Hallo?’ vraag ik. ‘Met wie spreek ik?’ Er kraakt iets met een k en een ò erin. Laat maar. Eerst het verhaal vertellen.

Murw
De man hoort het aan. Aha. Zozo. Jaja. Hij gaat er gelijk mee aan de slag, de zaak bestuderen. Ja, direct na het telefoongesprek. Of hij die middag nog iets kan ondernemen? Ehm, nee. Dat kan hij niet beloven. Hij heeft zo dadelijk werkoverleg. Ja, de rest van de middag. Morgen heeft hij andere dingen en vrijdag heeft hij vrij. Murw geslagen bedank ik de man voor alle moeite en verbreek de verbinding. ‘Helaas’, zeg ik, terwijl ik de smartphone teruggeef. ‘Uw collega heeft het te druk. Tegen de tijd dat-ie er aan toekomt, is die aannemer klaar. Dat gaat ‘m dus niet worden. Goeiedag.’

Op dag vier staat het rek er nog. De bouw ligt stil. De gorilla’s zijn blijkbaar elders in het oerwoud aan het werk.

Ik besluit het er nog eens op te wagen. Eerst de dienst Parkeren. ‘Helaas’, zegt Janneke zonder een zweem van spijt. ‘Dienst Parkeren gaat over parkeerplaatsen. Niet over rekken op parkeerplaatsen. Die vallen onder Wegbeheer. Nee, geen telefoonnummer. U kunt ze mailen. Binnen twee werkdagen krijgt u antwoord.’ ‘Kunt u misschien de scanauto langsturen die de buurt altijd zo vlijtig afstroopt om burgers te bekeuren?’ Dat is tegen het zere been. Uitgesloten, bitst Janneke: ‘We kunnen de scanauto niet bellen. Dat kan alleen bij calamiteiten en dat is dit niet.’ Dan is haar geduld op: ‘U moet dit vragen aan iemand die zicht heeft op parkeren èn op vergunningen. Dat heb ik niet. U spreekt met de frontdesk.’ O excuses. Maar waar is die persoon dan te vinden? ‘Bij de dienst Parkeren. Jaja, ik verbind u door.’

Nee, er was geen omgevingsvergunning aangevraagd. ‘Maar…’, vertelt Jolanda vriendelijk, ‘… dat zegt niet alles. Dakkapellen kunnen vergunningvrij zijn, zeker als ze aan de achterkant worden gebouwd. Ja, ook als er asbest in het dak zit, zolang het minder dan tien kuub is. Nee, dat kunnen we inderdaad niet zien. Toch kan het vergunningvrij zijn. Tenzij het beschermd stadsgezicht is. O, dat is het. Dat zegt niet alles. Het kan toch vergunningvrij zijn. Het spijt me. Ik kan u niet helpen. U moet bij Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO) zijn. Ik verbind u even door.’

Alarmbellen
‘Neen mevrouw, DSO doet alleen toezicht en handhaving, als er een omgevingsvergunning is aangevraagd. Die is niet aangevraagd. Dus kan DSO niets doen.’ Naar adem happend: ‘Dus als ik niets aanvraag, komt er niemand controleren? Er zit misschien asbest in het dak. Hoe weet de gemeente dat het niet meer is dan tien kuub? Drie parkeerplaatsen waarvoor niet wordt betaald. En als u zou zien hoe gevaarlijk ze dat liftje laden. Gaan dan niet alle alarmbellen bij u rinkelen?’ ‘Daarvoor moet u niet bij DSO, maar bij de Haagse Pandbrigade zijn. Nee, geen telefoonnummer. U kunt alleen mailen. Binnen twee werkdagen krijgt u antwoord.’

Ziedaar, het ultieme zomerfeest. Malle Louis-tje doet alsof zijn neus bloedt en vraagt geen vergunning aan. Brave Hendrik is met vakantie. Gekke Henkie denkt: ‘Joepdoei met je digitale formulieren en van het kastje naar de muur! Ik heb wel wat leukers te doen.’ DSO weigert te handhaven, want er is geen vergunning aangevraagd. En de Haagse Pandbrigade weet van niets. ‘Dat klopt,’ bevestigt de DSO-dame met licht geknakte stem. ‘Sinds dit is ingevoerd, wordt er inderdaad veel meer illegaal gebouwd. Maar DSO mag zich er niet mee bemoeien. Als het zonder vergunning is, moet u bij de Pandbrigade zijn.’

Kafka schreef ooit ‘Het Slot’ over gekmakende bureaucratie. Hij had Den Haag als voorbeeld kunnen nemen. Ondertussen lacht bouwend Nederland zich gek over die overheid met haar regels en hokjes. Hoezee, het is zomervakantie. Geen toezicht, geen controle, geen handhaving. Na ons de zondvloed.

Arme ijsberen.

Geef een reactie

Laatste reacties (25)