567
13

Medewerker Wetensch. Bureau GroenLinks

Katinka Eikelenboom (1982) is medewerker van Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks. Ze studeerde Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam en de University of Sussex. Daarna volgde ze een twee-jarige Master in International Affairs aan the New School in New York en liep ze drie maanden stage bij een onderzoeksinstituut in de Dominicaanse Republiek. Eikelenboom werkte vervolgens als assistant-editor bij het Ethics & International Affairs Journal en als beleidsadviseur bij de Vereniging van Universiteiten (VSNU). Bij Bureau de Helling werkte ze mee aan verschillende publicaties, zoals Banen of barbecues? Kanaleneiland als case study van het wijkbeleid (2009), GroenLinks regeert (2009) en Vrijzinnig paternalisme. Naar een groen en links beschavingsproject (2011). Zij schreef als secretaris van de programmacommissie mee aan het GroenLinks-verkiezingsprogramma 2010.

Kinderopvang is geen markt

Monopolies, onduidelijkheid over de kwaliteit, terughoudendheid van ouders om over te stappen maken dat er in de kinderopvang geen goede marktwerking mogelijk is

Door de bezuinigingen op de kinderopvang zal de vraag naar opvangplekken afnemen. Dat betekent dat de wachtlijsten zullen slinken en er meer concurrentie zal ontstaan. Minister Kamp van Sociale Zaken juicht die laatste ontwikkeling toe, aangezien de markt dan beter zal gaan werken. Maar dat is nog maar de vraag.

De afgelopen week debatteerde de Tweede Kamer over de bezuinigingen op de kinderopvang. Van verschillende kanten wordt er met cijfers gestrooid over de gevolgen van de op handen staande bezuiniging. Maar liefst 40 procent van de ouders gaat minder werken en 15 procent keert de arbeidsmarkt volledig de rug toe, aldus een onderzoek van de FNV. GroenLinks ondervroeg 11.000 ouders, van wie ongeveer een derde aangaf minder te gaan werken om zelf hun kinderen op te kunnen vangen. Volgens Minister Kamp van Sociale Zaken zal het zo’n vaart niet lopen. Hij schermde tijdens het kamerdebat met cijfers van het CPB, dat voorspelt dat slechts 0.1 procent van de ouders stopt met werken. De Brancheorganisatie Kinderopvang deed ook een duit in het zakje. Uit een steekproef onder haar leden bleek dat zo’n driekwart van de aanbieders de vraag naar opvangplekken al ziet teruglopen.

Thuis tegen heug en meug?
Ik durf de toekomst niet te voorspellen, maar het lijkt aannemelijk dat de vraag naar plekken op crèches zal afnemen. Het is waar dat veel gezinnen door minder uren te werken meer inkomen zullen verliezen dan winnen, maar mensen zijn geen rationele ‘actoren’ die altijd de meest kostenefficiënte keuzes maken. Wanneer de kosten voor opvang een bepaalde grens overschrijden, zullen sommige ouders de afweging maken om dan maar minder te gaan werken of hun baan helemaal op te zeggen.

De maatschappelijk onwenselijke gevolgen hiervan zijn bekend: de arbeidsparticipatie en dus de economische zelfstandigheid van vrouwen komt onder druk te staan, evenals de deelname aan kinderopvang van kinderen uit lagere inkomensgroepen die juist veel baat hebben bij een paar dagen per week spelen en leren op de crèche.

Maar de lange wachtlijsten voor een plekje op een crèche of buitenschoolse opvang (BSO) zullen vanwege de bezuinigingen waarschijnlijk wel afnemen. Kunnen we dat, cynisch genoeg, beschouwen als een lichtpuntje, als een onbedoeld positief effect van de bezuinigingen? Zal de kinderopvangmarkt dan eindelijk beter gaan werken?

Gemankeerde marktwerking
Op een goed functionerende markt mag je verwachten dat het aanbod van producten zich voegt naar de vraag, als ware er een onzichtbare hand die zorgde voor een perfecte afstemming. Aanbieders van slechte producten zullen vanzelf verdwijnen, aangezien klanten wegblijven. Maar de kinderopvangsector is verre van een ideale markt. Het is voor de consumenten op deze markt, ouders dus, erg moeilijk om voor de ‘aanschaf’ inzicht te krijgen in de kwaliteit van het ‘product’. Daarnaast is het zo dat als ouders eenmaal hebben gekozen voor een bepaald kinderdagverblijf, ze hun kind niet zomaar weer verplaatsen, ook al zijn er twijfels over de kwaliteit. Ouders kiezen bovendien het liefst voor een kinderdagverblijf dicht bij huis, zodat ze hun kinderen niet te veel heen en weer hoeven te slepen. Veel keus blijft er dan vaak niet over. Zo wisselde in 2004 slechts 5 procent van de ouders van aanbieder.

Monopolies
Van een echt vrije markt is bovendien geen sprake. In de grote gemeenten hebben vier mammoetorganisaties meer dan 90 procent van de markt in handen. Catalpa is met 40.000 kinderen per dag marktleider in Nederland en werd in 2010 overgenomen door een Amerikaanse investeringsmaatschappij. NRC Handelsblad kwam eerder deze week met het bericht dat de organisatie een enorme schuld heeft uitstaan van 225 miljoen euro bij zijn aandeelhouder Providence, tegen 15 procent rente. Het zou gaan om een financiële constructie waarmee Catalpa belasting ontloopt of zelfs extra terugkrijgt. Dat kan toch niet de bedoeling zijn geweest van de Wet kinderopvang, die in 2005 van kracht werd en leidde tot de kinderopvangmarkt.

Winstmarges
De FNV waarschuwt er deze week voor dat kinderdagverblijven meer op prijs zullen gaan concurreren omdat ouders vanwege de bezuinigingen op zoek gaan naar goedkopere vormen van opvang. Zo’n 60 procent van de totale kosten voor de werkgevers zijn personeelskosten. Het gevaar is dan ook dat de sector gaat beknibbelen op de kwaliteit van het personeel. Hoger opgeleide pedagogische medewerkers zijn immers duurder. Hiermee komt de kwaliteit van de opvang onder druk te staan, aangezien deze direct afhankelijk is van de professionaliteit van de medewerkers. Vorig jaar al werden hierover kamervragen gesteld door D66, PvdA, GroenLinks en de SP, toen uit een onderzoek van NRC Handelsblad bleek dat commerciële kinderopvangorganisaties uit winstoogmerk bezuinigen op personeel.

Reguleren en investeren
Marktwerking in de kinderopvang is ingevoerd vanuit het idee dat vraag en aanbod beter op elkaar afgestemd zouden worden. De wachtlijsten laten zien dat dat niet is gelukt. Maar zelfs als die zich onder invloed van bezuinigingen zouden oplossen, blijven er nadelen bestaan van marktwerking in een sector die zich daar eigenlijk niet goed voor leent. Zo kan in een ondoorzichtige markt de druk van aandeelhouders en het najagen van winstmarges ertoe leiden dat er concessies worden gedaan aan de kwaliteit van het product, in dit geval de opvang van kinderen. De overheid zou de markt op z’n minst beter moeten reguleren, door hogere eisen te stellen aan de kwaliteit en hier beter op te controleren.
Er is ook een andere mogelijkheid. Onze Scandinavische bovenburen Denemarken en Zweden kennen een gemengd model in de kinderopvang: naast publieke (gemeentelijke) voorzieningen kunnen ook private aanbieders een opvang starten en, mits ze voldoen aan kwaliteitseisen, een beroep doen op overheidsgelden. Het lijkt op ons onderwijssysteem waarin zowel openbaar als bijzonder onderwijs publiek wordt gefinancierd.
Dit model zou als voorbeeld kunnen dienen voor Nederland, waar de marktwerking in de kinderopvang steeds meer onder vuur komt te liggen. Maar met één belangrijke kanttekening. Als we hetzelfde kwaliteitsniveau als in Scandinavië willen bereiken, zullen ook de totale overheidsuitgaven aan de kinderopvang naar een vergelijkbaar niveau moeten stijgen.
In Nederland liggen de publieke investeringen in vroegkinderlijke voorzieningen op 0,5 procent van het bruto nationaal product. In Zweden is dat 1 procent, in Denemarken zelfs 1,3 procent (cijfers komen van UNESCO en zijn een paar jaar oud, maar geven een indicatie van de verhouding). Gezien het maatschappelijk en individueel belang van arbeidsparticipatie van vrouwen en ontwikkelingkansen voor kinderen lijkt mij die investering meer dan gerechtvaardigd.

Mis niets: Volg Joop op Twitter, vind Joop leuk op Facebook

Geef een reactie

Laatste reacties (13)