1.115
34

Klimaatactivist en politiek filosoof

Mijn naam is Jelte Hommes (1988) en ik ben klimaatactivist en politiek filosoof. Binnen de klimaatbeweging ben ik onder andere actief voor Fossiel Vrij Groningen en ben ik afdelingsvoorzitter van GroenLinks Assen geweest. Ik heb aan de Rijksuniversiteit Groningen bachelors in de kunstgeschiedenis en de filosofie gehaald en heb aan de Katholieke Universiteit Leuven een master gehaald in de Culturele Studies.

De klimaatstrijd is de arbeidersstrijd

Het probleem zal nooit opgelost worden totdat de verbinding tussen de twee erkend wordt

cc foto: Joe Brusky
cc foto: Joe Brusky

Op 9 april kopte het NRC dat werknemers en werkgevers de klimaatwet afwijzen. Deze wet was opgesteld om de Nederlandse CO2-uitstoot beter te gaan reguleren. Hoewel de FNV later op haar eigen site dit statement aanzienlijk relativeerde (het bleek om enkele kanttekeningen te gaan), snijdt de tegenstelling tussen vakbonden en klimaatbeweging een interessante problematiek aan.

De strijd tegen de opwarming van de aarde wordt vaak geassocieerd met stevig overheidsingrijpen, veel belastingen en dure maatregelen. Handelingen die nou niet bepaald het imago hebben dat ze veel werkgelegenheid creëren. Vandaag de dag is de relatie tussen de vakbonden en de klimaatbeweging dan ook niet eentje van rozengeur en maneschijn. Dit is eigenlijk best vreemd gezien het feit dat de eerste CO2 die op industriële wijze werd uitgestoten tegelijk gebeurde met de eerste arbeiders die systematisch werden onderdrukt.

Industriële revolutie 
In 1782 patenteerde James Watt zijn stoommachine, hij gaf daarmee niet alleen het startschot voor de industriële revolutie in Groot-Brittannië, maar ook voor de arbeidersstrijd en, jawel, voor de opwarming van de aarde. Dat deze drie zaken: industrialisatie, arbeidersstrijd en de opwarming van de aarde, fundamenteel met elkaar verweven zijn, wordt duidelijk gemaakt in een recente publicatie van Andreas Malm, een onderzoeker aan de Lund universiteit in Zweden die gespecialiseerd is in de ecologische wetenschappen. Malm’s ‘Fossil Capital’ geeft een duidelijk historisch overzicht van hoe de uitbuiting van de planeet en de uitbuiting van de arbeider twee zijden van dezelfde medaille zijn. Willen we tot een betere verstandhouding tussen werknemer en klimaatactivist komen dan is het goed om dit werk erbij te pakken.

Het nuttige van de historische benadering van Malm is dat hij de aandacht vestigt op het feit dat zaken die we vandaag de dag voor lief nemen vaak veel jonger zijn dan dat ze op het eerste gezicht lijken. Onze hedendaagse verslaving aan fossiele energie is bijvoorbeeld nog niet eens 250 jaar oud, een fractie van de totale tijd die we als homo sapiens hier op aarde rondlopen. Wanneer we dit beseffen wordt het ook duidelijk hoe ongepast het eigenlijk is om het vandaag de dag over een energietransitie te hebben.

Natuurlijk moeten we hoognodig op zon en wind overstappen, maar vanuit een breder historisch perspectief kunnen we het eigenlijk veel beter over een energierestauratie hebben. (Wind)molens waren er bijvoorbeeld al ver voordat de eerste stoommachine in werking trad en zullen er hopelijk nog lang zijn nadat de laatste kolencentrale sluit. Onze 250-jarige verslaving aan fossiele energie kan vanuit dit oogpunt dan ook beter begrepen worden als een domme, hebzuchtige vergissing die hopelijk van tijdelijke aard is. Hoe dom en hebzuchtig deze vergissing is, wordt onder andere duidelijk wanneer we de historische bronnen er op na slaan die laten zien waarom fabriekseigenaren in de 19de eeuw uiteindelijk de keuze maakten om hun fabrieken op kool te laten draaien in plaats van op een waterrad.

Omslagpunt
In de 19de eeuw was water namelijk de belangrijkste concurrent van kool. Veel mensen wachten vandaag de dag ongeduldig op het ‘omslagpunt’ waarop duurzame energie goedkoper wordt dan fossiele energie. De concurrentiepositie in de 19e eeuw van water ten opzichte van kool was zo sterk dat dit omslagpunt nooit is bereikt. Voor een fabriekseigenaar die zijn waterrad in een rivier zet is water nagenoeg gratis. Er moest wel een vergunning worden gekocht en het gehele productieproces kostte natuurlijk wel geld, maar niettemin waren de kosten van het productieproces van een stoommachine veel hoger.

In de jaren veertig van de 19e eeuw kostte een waterrad bijvoorbeeld 5 pond per pk terwijl een stoommachine 15 pond per pk kostte. Ook van betere technologische prestaties was geen sprake. Hoewel in 1838, het jaar dat kool de slag met water begon te winnen, in Engeland stoommachines meer paardenkracht produceerden dan waterraderen, waren in Schotland de waterraderen nog steeds oppermachtig. Daar produceerde een gemiddeld waterrad 37.4 pk, terwijl een gemiddelde stoommachine 29 pk produceerde. In 1844 produceerden bovendien zowel de beste stoommachine als het beste waterrad 300 pk. Dat kool betere technologische prestaties kon leveren dan water is dus ook niet waar.

Kolen versus water
Als kool niet goedkoper of beter was dan water, wat waren dan wel de redenen dat kool de concurrentieslag met water won in de 19e eeuw? Ten eerste lag dit aan het feit dat kool in productie-eenheden komt en water in een productiestroom. Kolen kun je per stuk op een abstracte, vrije markt kopen terwijl water uit een stromende rivier komt die concreet door een bestaand landschap stroomt.

Het nadeel hiervan is dat als je iets wilt produceren met behulp van een stromende rivier, dit niet kan zonder rekening te houden met andere mensen die ook iets willen produceren aan deze rivier. Hoewel rekening houden met andere mensen voor veel klimaatactivisten vandaag de dag als muziek in de oren klinkt, waren 19e-eeuwse fabriekseigenaren hier niet van gediend. Het is tenenkrommend om, met de kennis die we vandaag hebben, de citaten te lezen van kapitalisten die weigerden mee te betalen aan het onderhoud van een dam omdat ze vonden dat hun buurman-kapitalist meer profiteerde van dit onderhoud.

Een ander nadeel van een productie-stroom is dat je met je productieproces rekening moet houden met de natuur. Voor een fabriekseigenaar is het niet te doen om zijn productie zo in te richten dat het rekening houdt met de tijden waarop er toevallig een stevige regenbui valt. Wat dat betreft is het handiger om kolen te kopen zodat de continuïteit van het productieproces niet in gevaar komt en op de markt het aanbod op een strakke wijze met de vraag in overeenstemming kan worden gebracht.

De andere belangrijke reden dat er in de 19de eeuw uiteindelijk voor kool werd gekozen en niet voor water heeft te maken met het verschil tussen de manier waarop de arbeidsprocessen van beide grondstoffen zich verhouden tot hun bredere sociale context. De 19de eeuw was een eeuw van massale arbeidersstrijd. Hoewel deze strijd doorgaans hevig onderdrukt werd, wisten arbeiders door goede organisatie af en toe klinkende overwinningen te halen, van hogere lonen tot gereguleerde werktijden. Dat kool uiteindelijk de slag met water won heeft alles te maken met deze arbeidersstrijd en de locaties waar hij werd gevoerd. Het blijkt namelijk dat de arbeiders van de fabrieken die werkten op waterraderen een veel betere machtspositie hadden ten opzichte van hun collega’s die met stoommachines werkten.

Een kapitalist die een fabriek wilde beginnen met een waterrad was namelijk gedwongen om een locatie te kiezen aan een rivier buiten een stad. Zijn collega die liever met een stoommachine werkt hoeft qua locatie nergens rekening mee te houden, hij kan zijn fabriek gewoon in een stad neerzetten.

Het verschil is dat arbeiders in een stad moeten concurreren met een enorme groep werklozen die hun werk maar al te graag overnemen voor een lager loon. Een probleem dat de arbeider op het platteland niet heeft, gezien de lage bevolkingsdichtheid. Een staking op het platteland heeft hierdoor veel meer kans van slagen omdat er geen andere mensen zijn die het werk eventueel ook zouden kunnen doen. Hier komt nog eens bij dat menselijke relaties in een weverskolonie op het platteland veel persoonlijker zijn dan de relatie van een kapitalist met zijn arbeiders in een stad, wat uitbuiting wederom lastiger maakt. Bovendien is het zo dat in de loop van de 19e eeuw een stedelijk proletariaat ontstond dat zich na een aantal generaties niet eens meer kon herinneren hoe een leven zonder uitbuiting eruit zag. Aldus ontstond de maatschappelijke status quo met zijn verslaving aan fossiele brandstof.
Net als in het Groot-Brittannië van de 19de eeuw, verplaatst CO2-uitstoot zich vandaag de dag nog steeds consequent naar de plekken op deze wereld waar arbeid het goedkoopst te realiseren valt. Dit geldt zowel voor het China van net na de millenniumwisseling als voor het hedendaagse India. Met deze informatie in het achterhoofd kunnen we zien hoezeer de solidariteit tussen arbeiders zoals die ooit door vakbonden kon worden georganiseerd van belang is voor het leefbaar houden van deze planeet. Het feit dat we in een geglobaliseerde wereld leven maakt deze uitdaging nog moeilijker dan dat hij vroeger was.

Aan de andere kant maakt de analyse van Malm ook duidelijk dat als we de energietransitie wereldwijd willen doen laten slagen, we de manier waarop wij consumeren en produceren fundamenteel anders moeten gaan organiseren. De slogan: ‘system change not climate change!’ zoals die steeds harder luidt op klimaatdemonstraties, laat wat dat betreft goed zien hoe bewust klimaatactivisten ervan zijn dat we met een alomvattend probleem te maken hebben. Een probleem dat bovendien niet kan worden opgelost zolang de samenhang tussen de arbeidersstrijd en klimaatstrijd niet wordt erkend.

Geef een reactie

Laatste reacties (34)