563
11

Voorzitter PINK!, jongerenafdeling PvdD

Pablo Moleman is voorzitter van de jongerenafdeling van de Partij voor de Dieren, PINK!. Daarnaast studeert hij Biologie in Amsterdam en probeert tussen de colleges door de wereld te verbeteren. Hij komt op voor de rechten van mensen en andere dieren. Als vrijwilliger is hij onder meer actief bij Stichting Varkens in Nood, het WNF, Amnesty, de Wereldwinkel VU en ICCO.

Laat de dieren maar spijbelen

Proefdieren in het onderwijs zijn onnodig en ouderwets

Een jaar of vier geleden vertelde een vrolijk meisje me dat ze die middag een rat had opengesneden. Ze studeerde Biomedische Wetenschappen. Bekend met mijn aversie tegen dierproeven voegde ze er meteen aan toe dat het niet erg was. Het beestje was immers ‘overtollig’. Ik brak me later het hoofd over wat ze hiermee bedoelde. Is een leven ooit overtollig? Het mijne is dat niet en ik vermoed dat de rat daar net zo over dacht. Ik grapte nog dat het gros van de biomedici meervoudig uitgeloot geneeskundestudent is en dus eigenlijk ook overtolligerwijs als proefpersoon kan dienen. Ze was hier helaas niet van gecharmeerd.

Toch is het interessant haar reactie eens te ontleden. Waarschijnlijk was de biomedica er niet van op de hoogte dat ieder jaar de helft van de voor proeven bestemde dieren het label ‘overtollig’ op de snuit krijgt geplakt. Vervolgens worden de ongebruikte diertjes in eufemistisch jargon ‘afgevoerd’ of belanden ze op de snijtafel. Snijdieren overtollig noemen is dus geen rechtvaardiging, maar maskeert een groter probleem: de enorme verspilling van levende wezens in dierproefland. Het gaat bovendien voorbij aan een andere vraag: zijn proefdieren in het onderwijs eigenlijk wel nodig?

Het simpele antwoord is nee. Wie een catalogus openslaat (bijvoorbeeld From Guinea Pig to Computer Mouse van InterNICHE) vindt 500 pagina’s vol alternatieven voor dierproeven in het onderwijs. Plastic ratten om plat te spuiten, pluche honden om te intuberen en digitale kikkers om aan gort te snijden. Op de Erasmus Universiteit oefenen dokters in spe al jaren hun eerste hechtingen op fietsbanden. Zelfs Harvard deed het gebruik van levende dieren al in de ban. Volgens Amerikaanse studies zijn deze alternatieven bovendien duurzamer en op termijn vaak goedkoper dan ouderwetse proefdieren.

Toch wordt op veel universiteiten en middelbare scholen nog regelmatig in formalinewalm in kadavers gesneden of worden hechtingen geoefend op levende dieren. De reden? Traditie. De docenten en professoren zijn er zelf mee grootgebracht en weten niet beter. Kritiek wordt vaak gezien als een persoonlijke aanval. En dit is vooral jammer, omdat de nieuwe generatie wetenschappers ten onrechte het idee krijgt dat dierproeven vanzelfsprekend zijn.

De Wet op Dierproeven staat een dierproef enkel toe wanneer een dierloos alternatief niet beschikbaar is. Ook moet door een commissie kritisch worden gekeken naar de mogelijkheden van verfijning (beter welzijn) en vermindering (lager aantal dieren). Nu is het zo dat de meeste practica op school en universiteit technisch gezien niet onder de Wet op Dierproeven vallen, maar dat maakt het signaal richting een eerstejaars student die wordt geconfronteerd met een snijproef niet minder sterk. Wie aan de snijtafel plaatsneemt, maakt zich dikwijls niet alleen de lesstof eigen, maar ook de houding en de halfslappe smoesjes van de man in de witte jas. Het dier is overtollig, voelt er niks meer van en zijn dat leren schoenen die je draagt? Een onderwijsassistent op een middelbare school heeft mij eens verzekerd dat hij er persoonlijk op toezag dat de kinderen de pasgedode dieren met gepast respect behandelden. Het is niet moeilijk voor te stellen dat een twijfelende leerling deze manier van redeneren snel omarmt, al was het maar om van het gevoel van sluimerend onbehagen af te komen.

Wie een dierproef wil weigeren kan in de meeste landen, waaronder Nederland, bogen op de wet. De docent is dan zelfs verplicht een alternatief te bieden. Toch gebeurt dit in de praktijk maar zelden. In (buitenlandse) enquêtes noemen studenten vooral sociale druk, carrièredruk en nukkige docenten als obstakels en de meeste studenten weten niet eens dat weigeren mag. Docenten stribbelen tegen dat ze niet bekend zijn met de alternatieven en ook vaak niet weten hoe eraan te geraken. Het aantal weigeraars is potentieel groot. In meerdere enquêtes geeft steeds ongeveer een derde van de studenten aan dat ze achteraf gezien een proef liever hadden geweigerd, terwijl in werkelijkheid slechts zo’n 5 procent de stap zet.

Een vriendin van mij had de eer om tijdens haar bachelor Psychologie aan de Universiteit van Maastricht een virtuele rat te conditioneren. Hij huisde achter de link Sniffy_Pro_for_Windows. Sniffy had alles over voor een mondjevol virtuele graantjes. Toen zijn kunstjes niks meer opleverden werd hij zowat hysterisch van frustratie, vooral in de versnelde weergave. Deze leerervaring is mijn vriendin nog jaren bijgebleven. Helaas is het maar weinigen gegeven om in de praktijk een alternatief te krijgen aangeboden.

Als we in Nederland het aantal dierproeven willen verminderen, waarom laten we de onderzoekers van de toekomst dan opgroeien met het idee dat dierproeven vanzelfsprekend zijn? En waarom is het zo lastig voor de minderheid van bezwaarde studenten om voor hun mening uit te komen en een dierproef te weigeren? Als universiteiten vermindering en vervanging van dierproeven serieus nemen, moeten alternatieven de standaard worden in het onderwijs.

Pablo Moleman schreef dit stuk in samenwerking met freelance schrijfster Veerle Vrindts. Een kortere versie van dit artikel verscheen eerder in universiteitskrant Ad Valvas.

Geef een reactie

Laatste reacties (11)