Laatste update 20:24
966
16

Jurist

Lucas Roorda (1988) is promovendus internationaal recht aan de Universiteit Utrecht, en doet onderzoek naar de aansprakelijkheid van multinationals. Daarnaast is hij actief PvdA'er en voormalig bestuurslid van de Jonge Socialisten, en schrijft hij regelmatig columns voor diverse media. Hij vindt wel eens dingen van dingen op Twitter.

Langs de feministische meetlat

Over internationale vrouwendag en de non-vragen die voortdurend de revue passeren

cc-foto: Blandine le Cain
cc-foto: Blandine le Cain

Door: Lucas Roorda en Naomi Woltring

Het zal de meest gestelde vraag op internationale vrouwendag zijn: Hebben we het feminisme nog nodig? Soms komt de vraag in verongelijkte vorm (“waarom is er eigenlijk geen internationale mannendag?”), als pseudo-historisch vergelijk (“is een derde golf wellicht niet teveel van het goede?”) of wellicht nog erger, als goedbedoeld advies (“moet het niet gewoon over rechten voor alle mensen gaan?”). Langskomen gaat hij in ieder geval, dus laten we eens kijken wat er eigenlijk mis mee is.

Laten we beginnen met het antwoord: ja, feminisme is broodnodig. Geen twijfel over mogelijk. Sla de kranten van de afgelopen paar weken er maar op na: abri’s waarop mannen in pak van borsten en billen af roetsjen alsof het skihellingen zijn, de Nieuwe Revu die seksuologe Goedele Liekens primair afrekent op haar uiterlijk, Jan Roos die publiekelijk oproept tot verkrachting van filosofe Simone van Saarloos, “daar moet een piemel in”-roepers die vrouwen de mond willen snoeren, en Nederland als wereldkampioen deeltijdwerk voor vrouwen. Al die dingen vormen meer dan voldoende noodzaak voor feminisme – niet alleen vandaag, op internationale vrouwendag, maar ook gisteren, morgen, overmorgen en iedere dag dat genderongelijkheid deel van de dagelijkse werkelijkheid is.

Belangrijker is dat deze vraag in de weg staat van een veel relevantere discussie: wat doen we er concreet aan? De gemiddelde discussie rond feminisme komt namelijk niet veel verder dan de probleemanalyse. Met een beetje mazzel past nog net de conclusie dat feminisme nog steeds noodzakelijk is, en het is oké, dank u, terug naar de studio in Hilversum. Daarmee is de vraag “Hoe dan?” nog niet beantwoord, en juist die vraag moeten we ons aantrekken. Links is namelijk erg goed in boos worden op de werkelijkheid, zonder al te veel harde maatregelen voor te stellen – laat staan ze te nemen.

Die discussie gaat verder dan alleen het aloude debat over wel of niet een vrouwenquotum. Zelfs als voorstanders worden we daar af en toe moe van, want het lijkt af en toe alsof we werkelijk geen ander politiek instrument weten rond vrouwenrechten dan quota op topposities. Quota gaan weinig doen aan alledaags mediaseksisme, aan seksueel geweld of aan de onevenredige verdeling van arbeid- en zorguren. Toch komen we qua beleidsinstrumenten niet heel veel verder, of het moet de boterzachte suggestie zijn ‘dat er een rol is voor het onderwijs’ bij het bestrijden van seksisme. We mogen ons op links dus afvragen, waarom voeren we het debat over beleidsinstrumenten eigenlijk zo weinig? Staat ook bij ons de kwestie van de noodzaak van een feministisch debat in de weg van het daadwerkelijk voeren ervan?

De verklaring is wellicht breder: zelfs links, met het ideaal van de maakbare samenleving in onze politieke vezels, vindt het lastig om sociaal-culturele problemen in politieke vragen en beleidsvoorstellen om te zetten. Het politieke instrumentarium, gefocust als het is op de verdeling van harde centen, lijkt ontoereikend bij het aanpakken van vooroordelen, persoonlijke overtuigingen en andere minder tastbare problemen. Los daarvan is er altijd nog het spook van de betutteling, alsof het per definitie een vies idee is dat de overheid zich bemoeit met onze persoonlijke, morele keuzes en overtuigingen. Tot slot lijkt het voor beleidsmakers, ook anno 2016 nog in meerderheid man, lastig zich voor te stellen hoeveel impact hun ideeën soms hebben op de (on)gelijkheid tussen mannen en vrouwen.

Interessant genoeg zijn die problemen op dezelfde manier te ondervangen, en dat is door de bestrijding van seksisme tot een integraal punt van al je beleidsvoorstellen te maken. Seksisme is moeilijk als geïsoleerd fenomeen te bestrijden, juist omdat het een product is van ongelijke verhoudingen die tot in allerlei hoeken en gaten van de maatschappij zijn doorgedrongen. Dat betekent dat de bestrijding ervan ook niet in isolatie kan plaatsvinden. Politieke partijen, juist de linkse partijen, moeten hun programma’s in z’n geheel langs de feministische meetlat kunnen leggen – of ze nou nationaal of lokaal zijn. Een beetje betutteling en waardenpolitiek is daarbij niet vies. Dat is juist waar politiek voor is: je vertaalt waarden en normen die in een maatschappelijke discussie tot stand zijn gekomen in beleid.

Er zijn genoeg beleidsterreinen waar een feministische meetlat kan helpen. Neem het disproportionele deeltijdwerk waar vrouwen mee opgezadeld zitten. In plaats van eindeloos praten over hoe vrouwen zelf die keus maken, kunnen we de arbeidsmarkt dusdanig anders inrichten dat er ook daadwerkelijk keus is. Dat “inrichten” kun je letterlijk nemen: neem bij nieuwe bouwvergunningen de eis mee dat kantoorgebouwen voorzien zijn van kinderopvang, zodat zowel werkende mannen als werkende vrouwen zich niet meer druk hoeven te maken over verdeling van die taak. Overheidsorganisaties kunnen het goede voorbeeld door opvang voor de kinderen van hun personeel op te nemen in hun arbeidsvoorwaarden. De vakbeweging zou er een speerpunt van kunnen maken bij cao-onderhandelingen.

Het kan ook abstracter, zoals wanneer we eens serieus werk maken van verplicht vaderschapsverlof. Wie toch bij een quota wil blijven, kan eens denken aan een blankemannenmaximum in topposities . Bied mannen meer mogelijkheden voor deeltijdwerk zodat ook zij (mantel)zorgtaken op zich kunnen nemen – vooralsnog in meerderheid een vrouwenzaak, zoals het SCP vandaag naar buiten bracht. Het is goed om überhaupt eens te kijken naar wat voor arbeidsmarkt we hebben. Moeten we in tijden van meer zorgtaken, automatisering en participatieconstructies wel allemaal per se 40 uur willen werken? Is 32 uur niet voldoende? Verdelen we het werk dan niet een stuk eerlijker, en een stuk ontspannener?

Hetzelfde geldt voor alledaags en mediaseksisme. PowNed, waar voornoemde Jan Roos tot augustus werkzaam was, wordt met publiek geld betaald. Je kunt je afvragen hoeveel borstenknijpen we willen betalen uit de belastingpot, en of de Mediawet daar geen aanknopingspunten voor biedt. De SuitSupply-posters hangen in gemeentelijke abri’s. Aangezien de gemeente eisen kan stellen aan welke advertenties daar hangen, ligt het voor de hand om geen seksistische uitingen toe te staan. Net doen alsof reclame-inkoop alleen een kwestie is van vraag en aanbod, lijkt ons in ieder geval onvoldoende.

Hoe je het precies doet en waar de prioriteit ligt zal per politieke opvatting verschillen, en vanuit Positief Links blijven we graag voorzetten doen voor elk van de hier genoemde ideeën. De oproep hier is echter simpel: als het over vrouwenrechten gaat, beantwoord in vredesnaam de vraag ‘hoe?’. Die is namelijk een stuk leuker, interessanter en vooral relevanter dan het eindeloos uitgekauwde ‘waarom’. Durf je politiek, je plannen en je beleid consequent langs de feministische meetlat te leggen, en zie eens wat dat oplevert.

Lucas Roorda is jurist. Naomi Woltring is politicoloog en filosoof. Beiden zijn betrokken bij de beweging Positief Links.

 

 

Geef een reactie

Laatste reacties (16)