3.103
37

Eindredacteur Witteman ontdekt

Maarten van den Heuvel begon zijn journalistieke loopbaan in de redactie van de talkshow I.S.C.H.A van Ischa Meijer. Na het abrupte einde aan dat programma werkte hij ondermeer bij RUR en was hij als researcher in dienst van documentairemaakster Ireen van Ditshuyzen.

Zijn dienstverband bij de VARA begon bij het programma Barend & Witteman, eerst als redacteur, later als coördinator en kort als eindredacteur. Hij zette samen met Paul Witteman het populair wetenschappelijke programma Nieuwslicht op en werd er eindredacteur van. Vanaf het begin van Pauw & Witteman werkte Van den Heuvel er drie jaar als samensteller.

Daarna was hij eindredacteur van de televisieprogramma's 'Eigen schuld, dikke bult' en EZ, betrokken bij Joop en een van de twee eindredacteuren van het documentaire-drieluik 'Vrijheid, gelijkheid, broederschap', waar hij ook het boek 'Vrijheid, gelijkheid, broederschap. Oude waarden in nieuwe tijden' over schreef. Dat boek werd geselecteerd voor de longlist van de Socratesbeker, de prijs voor het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek.

Momenteel is hij eindredacteur van het televisieprogramma Witteman ontdekt.

Loonfatsoen

Over het moraliseren en volslagen openbaar maken van wat iedereen verdient

Vandaag vergadert de Tweede Kamer over de inrichting van ons belastingstelsel. Vandaag is ook de dag dat de bundel Loonfatsoen verschijnt. Eigenlijk is het jammer dat het boek niet eerder is verschenen want de dames en heren politici zouden er volgens mij baat bij kunnen hebben.

Onder redactie van Margo Trappenburg, Wout Scholten en Thijs Jansen van de stichting Beroepseer wordt in Loonfatsoen gezocht naar een antwoord op de vraag of mensen vinden dat ze verdienen wat ze verdienen. En hoe dat zich verhoudt tot wat andere mensen verdienen in een tijd dat de loonverschillen in Nederland zijn toegenomen.

Ze beschrijven hoe het denken over lonen een tijd lang is ‘gedemoraliseerd’ in de zin dat wat mensen verdienen een tijd lang noch op het niveau van het individu, noch op het niveau van de staat een kwestie van goed en kwaad was. Maar:

Gedrag kan in de loop van de tijd worden gemoraliseerd (roken, milieu vervuilen) of geheel of gedeeltelijk worden gedemoraliseerd (overspel), maar gedrag kan ook na een periode van demoralisering worden geremoraliseerd. Dat laatste is al mondjesmaat gebeurd met onze brutolonen (…) Recentelijk zien we een kentering. De kranten getuigen van grote publieke verontwaardiging over de beloningen van bankiers, directeuren en managers van beurs- genoteerde bedrijven, presentatoren bij de publieke omroep, accountants, (interim) bestuurders in de zorg, directeuren van woningbouwcorporaties, organisatieadviseurs, schoolbestuurders en directeuren van zelfstandige bestuursorganen zoals de Nederlandse Zorgautoriteit. Blijkbaar hapert het systeem. Noch de functiewaarderingssystematiek, noch de nivellering via de belasting achteraf hebben kunnen voorkomen dat er aan de top van het loongebouw salarissen worden getoucheerd die in brede kring als onfatsoenlijk worden beschouwd. Er is een roep om remoralisering van het brutoloon merkbaar. Deze roep is niet in de eerste plaats een appel tot de overheid om iets te doen; zij lijkt vooral gericht tot de veronderstelde graaiers zelf.

De samenstellers omarmen dat appèl en houden een gloedvol pleidooi voor een remoralisering van het brutoloon, waarbij ze ook een morele opdracht voor de staat zien. Je zou ook kunnen zeggen dat er wel iets van een moraal aan de huidige verdeling ten grondslag ligt, namelijk de moraal van het recht van de sterkste. En dan niet de sterkste in fysieke zin opgevat, maar in de meritocratische zin. Maar de schrijvers wijzen erop dat het feit dat er zo geheimzinnig wordt gedaan over wie wat verdient laat zien dat dat idee van het recht van de sterkste niet alom wordt gedeeld. Zij pleiten voor een volledige transparantie:

Het vastleggen van een verplichting tot transparantie over lonen en loonverschillen in bedrijven (zoals voorgenomen door het huidige kabinet)  is belangrijk, maar het is niet genoeg. Het vervolgens verplicht bespreken van lonen en loonverschillen in de ondernemingsraad of in een vergadering van aandeelhouders is belangrijk, maar het is niet genoeg. We moeten ons realiseren waar nu gêne ontstaat als er zo’n gesprek moet plaatsvinden. De werknemer die in de ondernemingsraad het salaris van zijn hoogste baas ter discussie stelt, heeft het moeilijk; hij kan heel gemakkelijk worden beticht van platte afgunst. Het openen van een dergelijke discussie is nu een buitengewoon precaire aangelegenheid. Dat heeft alles te maken met eer en schaamte, en in de verhouding tussen die twee gevoelens zou een draai moeten plaatsvinden. De hoogste baas die meer dan vijftig keer zoveel verdient als zijn gemiddelde werknemer zou zich moeten schamen, niet de gemiddelde werknemer die deze wanverhouding aan de orde stelt in de ondernemingsraad. Het toucheren van enorme salarissen zou nadrukkelijk moeten worden benoemd als een oneervolle manier van doen.

Volgens de samenstellers is dat een goede zaak juist omdat de meeste mensen vinden dat er moet worden beloond naar rato van de verdienste voor een bedrijf. En dat betekent dat je moet nadenken over hoe de bijdrage van de conciërge aan een bedrijf zich verhoudt tot de bijdrage van bijvoorbeeld het hoofd HR. Om op basis daarvan te praten over de verschillen in wat ze verdienen. En dus niet het salaris van de conciërge vergelijken met het salaris van een conciërge in een ander bedrijf. Of die van een directeur met die van een directeur van een ander bedrijf. Wat nu wel gebruikelijk is. En dat leidt tot ‘haasje-over gedrag’.

Op één vlak is er nu al sprake van een opvallend moralisme in de salariëring en dat betreft de Balkenende-norm. Die wordt breed gedragen, getuige ook het feit dat de Tweede Kamer op 16 oktober j.l. met algemene stemmen de Wet Normering Topinkomens 2 aannam, waarin de normering voor topinkomens van 130% van een ministerssalaris werd beperkt tot 100%.

Het is een moreel oordeel dat men in de publieke sector niet meer mag verdienen dan de premier of een minister. De samenstellers van het boek beperken zich tot bruto-salarissen in bedrijven, maar als er dan toch een morele grens uitgaat van het bedrag dat de premier verdient, waarom dan niet dat bedrag aangrijpen als grens voor een extra belastingschijf? Dat idee is al wel eens eerder gelanceerd en er valt wat mij betreft veel voor te zeggen. Zeker nu we moeten constateren dat in Nederland de belastingdruk helemaal niet meer progressief is verdeeld.

Uit onderzoek uit 2011 blijkt dat, als men alle belastingen en sociale premies tezamen neemt, de laagste inkomenscategorie gemiddeld zelfs iets meer van het inkomen aan belastingen en premies afdraagt dan de hoogste inkomenscategorie (42 om 41%). En als je er, zoals ook de samenstellers van Loonfatsoen, van uitgaat dat grotere inkomensverschillen slecht zijn voor de sociale structuur van een samenleving, dan lijkt zo’n maatregel om de belastingen in ons land weer meer progressief te maken volkomen logisch.

Meer over het belang van kleine inkomensverschillen in het boek Vrijheid, gelijkheid, broederschap. Oude waarden in nieuwe tijden.
Volg Maarten van den Heuvel ook op Twitter


Laatste publicatie van MaartenvandenHeuvel

  • Vrijheid, gelijkheid, broederschap

    Oude waarden in nieuwe tijden

    2014


Geef een reactie

Laatste reacties (37)