2.452
48

Onderzoeker asielbeleid & asielrecht

Mr. dr. C.A.F.M. Grütters is onderzoeker bij het Centrum voor Migratierecht van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij studeerde Nederlands Recht, specialisatie strafrecht, aan de Rijksuniversiteit Leiden. In 2003 promoveerde hij in Nijmegen zowel op het gebied van de Rechtsgeleerdheid als Managementwetenschappen op het proefschrift.

De laatste jaren verricht Grütters onderzoek op het gebied van het asielbeleid en het asielrecht. Ook is hij lid van de Raad van Toezicht van de Stichting Vluchtelingen & Nieuwkomers Zuid Gelderland (V&NZG)

Mauro en Migratiemythes

Leers heeft tenminste vijf mogelijkheden om Mauro een verblijfsvergunning te geven

De publieke discussies over migratie, immigranten en vluchtelingen wordt beheerst door oneliners, die veelal getuigen van een gebrek aan kennis en inzicht. Aan de borreltafel kun je daar je schouders over ophalen; het wordt echter verontrustend indien oneliners uitgangspunt van beleid wordt.

De gebroeders Lucassen hebben in hun boek ‘Winnaars en verliezers’ een nuchtere balans opgemaakt van vijfhonderd jaar immigratie naar Nederland. Zij hebben in dat boek stellingen over (massa-)immigratie getoetst aan de feiten en “dan blijkt vaak dat deze op drijfzand en halve waarheden berusten”. Als je kijkt naar de CBS-cijfers dan is er eigenlijk geen sprake van massa-immigratie. Wat wel blijkt uit de cijfers over de laatste 15 jaar is bijvoorbeeld dat de grootste groep van immigranten bestaat uit Europeanen; in 2010 bestaat 63% van alle immigranten uit personen die in een Europees land zijn geboren, en daarvan is een derde geboren in Nederland. Voor zover het gaat om immigranten van buiten Europa staan de Chinezen met stip op één (5000) waarvan een belangrijk deel een technische studie aan een Nederlandse universiteit volgt.

En hoe zit het dan met die kansarme migranten?
Allereerst is het een lastige term; wanneer ben je kansarm? In de statistieken is die term dan ook niet terug te vinden. Wel is onderzoek gedaan naar laaggeschoolde immigranten, waarbij de veronderstelling is dat hoe minder opleiding iemand heeft genoten, hoe groter de kans is dat hij geen baan vindt. Onderzoek toont aan dat het aandeel van laaggeschoolde migranten structureel is afgenomen en dat het aandeel van hoogopgeleide kennismigranten juist is toegenomen.

Hoe groot is nu de migratie?
Bij de bepaling van de omvang van migratie is het van belang om zowel naar immigratie als naar emigratie te kijken. Het resultaat daarvan is het migratiesaldo: het aantal mensen dat zich in Nederland vestigt minus het aantal mensen dat Nederland verlaat. Dit migratiesaldo was 54.000 in 2000 en in 2010 stond de teller op 33.000. En daarbij valt op dat het aandeel van Europeanen dat migreert, toeneemt en inmiddels groter is dan het aantal migranten dat in Noord- of Zuid-Amerika, Azië of Afrika is geboren.

En zijn al die immigranten asielzoekers?
Nee. In 2010 telt het CBS 154.000 immigranten en 12.700 asielzoekers die naar Nederland komen. Dat wil zeggen dat slechts 1 op de twaalf immigranten daadwerkelijk een asielzoeker is. In concreto betekent dit voor een gemiddelde stad in Nederland van zo’n 40.000 inwoners de komst van 2 asielzoekers per maand waarvan er uiteindelijk maar 1 mag blijven. Dat lijken niet bepaald aantallen om wakker van te liggen. De VN Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen (UNHCR) is verantwoordelijk voor naar schatting 26 miljoen vluchtelingen en ontheemden in de wereld. Amper 1% van deze groep slaagt erin om in een westers land asiel aan te vragen. De overige 99% van deze groep blijft noodgedwongen in vluchtelingenkampen in de regio. In het westen worden we dus met slechts een fractie van de totale populatie geconfronteerd. De opmerking in het gedoogakkoord dat “de opvang van asielzoekers bij voorkeur plaats vindt in het land of de regio van herkomst” is daarmee volstrekt overbodig: dat gebeurt immers al. 99% verblijft reeds in de regio en kan daar niet weg.

Asielzoekers
In 2010 vroegen zo’n 290.000 mensen asiel aan in een Europees land. Dat lijkt misschien veel, maar op een totale bevolking van bijna een half miljard mensen is dat verwaarloosbaar. Nederland neemt van dat totaal een bescheiden 4% voor z’n rekening. Je zou je zelfs kunnen afvragen of dat niet wat meer kan. Asielzoekers zijn immers mensen die gegronde vrees hebben voor vervolging en juist op grond daarvan bescherming zoeken in een ander land dan waar ze oorspronkelijk verbleven. Asielzoekers zijn daarom een zeer specifieke groep van migranten. Een zeer kleine groep ten opzicht van alle migranten, die bescherming nodig heeft.

Nederland nodigt jaarlijks 500 vluchtelingen uit, althans dat is het streefcijfer van de Nederlandse overheid. Alhoewel de UNHCR miljoenen vluchtelingen en ontheemden, die soms al jaren in tentenkampen verblijven, probeert te helpen, slaagt de Nederlands overheid er echter niet in om dit quotum van 500 te halen. Hoe dat komt? Nederland wenst niet zonder meer aan te nemen dat de door de UNHCR geselecteerde vluchtelingen ook daadwerkelijk vluchtelingen zijn. Het gevolg daarvan is dat er om de zoveel tijd een Nederlandse delegatie naar tentenkampen van de UNHCR afreist om ter plekke een selectie te maken; er wordt met andere woorden een keuze gemaakt uit de vluchtelingen.

En mogen asielzoekers dan meteen blijven?
Nee. Alhoewel het in allerlei opzichten ideaal zou zijn als asielzoekers, na toelating, direct een permanente verblijfsvergunning zouden krijgen, gebeurt dat niet. In plaats van direct, of zo snel mogelijk, duidelijkheid te verschaffen, bestaat de Nederlandse praktijk voor een belangrijk gedeelte uit het verschaffen van tijdelijke verblijfsvergunningen. Dergelijke verblijfsvergunningen kunnen worden verlengd of ingetrokken, waarvoor dus telkens weer ambtenaren voor moeten worden ingezet. En als het resultaat negatief is, kan vervolgens de rechter worden gevraagd om die negatieve beslissing te beoordelen.

Waarom een tijdelijke vergunning?
Het verstrekken van tijdelijke vergunningen is vooral gebeurd aan asielzoekers die afkomstig zijn uit landen waar de situatie tijdelijk dusdanig vreselijk is dat je daar voorlopig niemand naar zou willen terug sturen; of die nu persoonlijk te vrezen heeft voor zijn leven of niet. Strikt genomen is er niets mis met een dergelijke uitgangspunt van beleid: als de situatie voor een paar maanden verschrikkelijk is, kun je tijdelijk bescherming bieden. Totdat de situatie dusdanig is dat de vreemdeling weer terug kan. De praktijk laat echter zien dat met name asielzoekers uit landen zoals Irak, Afghanistan of Somalië tijdelijke bescherming wordt geboden; landen waarin de situatie al zo’n twintig jaar verschrikkelijk is. Als de situatie dan niet meer als ‘heel erg’ maar als ‘gewoon erg’ wordt omschreven, is de situatie kennelijk verbeterd en worden de asielzoekers weer terug gestuurd.
De enige reden voor deze tijdelijke bescherming is gelegen in het ooit door iemand bedachte spook van de “aanzuigende werking”. Die aanzuigende werking bestaat echter niet. Ik heb hier uitvoerig onderzoek naar gedaan en daaruit blijkt dat de Nederlandse kwalificatie ‘in dat land is het nu heel erg’ er op geen enkele wijze voor zorgt dat er opeens veel meer asielzoekers uit dat land komen. Toch wordt er in menige discussie gewezen op het gevaar van de aanzuigende werking. Een gevaar dat er dus niet blijkt te zijn en waarmee we wel worden bang gemaakt.

En dan Mauro
Minister Leers stelde dat hij in alle hoeken en gaten heeft gekeken van het vreemdelingen- en asielbeleid maar niets heeft kunnen vinden. En dus kan de minister aan Mauro geen verblijfsvergunning geven. Klopt dat? Nee.
De minister heeft tenminste vijf mogelijkheden. (1) De minister kan Mauro als schrijnend geval kwalificeren. (2) De minister kan het beleid dat geldt voor verwesterde meisjes uit Afghanistan (zoals Sahar) ruimer gaan interpreteren. (3) De minister zou kunnen vooruitlopen op de behandeling van het wetsvoorstel van Spekman en Voordewind, waarin aan ‘gewortelde minderjarige vreemdelingen’ een verblijfsvergunning wordt verstrekt. (4) De minister zou het belang van het Internationale verdrag voor de Rechten van het Kind (veel sterker) kunnen benadrukken en vaststellen dat het mogen blijven van Mauro “in the best interest” van het kind is. Ten slotte (5) zou de minister kunnen verwijzen naar uitspraken van Europese rechters, die het belang van het kind en het recht op gezinsleven van een kind als zeer zwaarwegend beoordelen. In dit laatste geval zou de minister zijn handen zelfs in onschuld kunnen wassen: kijk eens, ik kan niet anders; het moet van de Europese rechter.

Is dat alles?
Nee. De minister had ook al eerder wat kunnen doen. De rechtbank Zutphen had immers op 4 oktober 2010 bepaald dat Mauro mocht blijven en dat de minister aan Mauro een verblijfsvergunning moest verstrekken. Tegen die beslissing wordt door de minister echter op 1 november hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van Raad van State. De Afdeling doet er vervolgens een half jaar over en stelt op 6 juni 2011 dat de minister geen vergunning hoeft te verstrekken. Minister Leers had dat hoger beroep bij de Afdeling kunnen intrekken en Mauro kunnen laten blijven. Maar dan moet je dat wel willen en mogen.

Geef een reactie

Laatste reacties (48)