Laatste update 16:09
3.201
31

Universitair docent UvA

Arjen Noordhof (1980) promoveerde in 2010 aan de Rijksuniversiteit Groningen op een proefschrift getiteld ‘In the absence of a gold standard’ over het meten van psychologische problemen bij kinderen en jongeren. Sindsdien is hij universitair docent klinische psychologie aan de Universiteit van Amsterdam bij de vakgroep Persoonlijkheid en Psychodiagnostiek. Daarnaast werkt hij sinds 2019 als basispsycholoog bij Ithaca Amstelveen.

Met Rutte-4 op komst is er qua GGZ-beleid bitter weinig hoop

De dominees in kabinet en openbaar bestuur zullen ons het slechte nieuws met tranen in de ogen brengen. Trap er niet in!

De Nederlandse GGZ kan ‘de vraag’ niet aan en de wachtlijsten blijven groeien, zo las ik afgelopen zaterdag in Trouw. Dat is al veel te lang geen nieuws. Nieuws is wél dat grote instellingen bij monde van voorzitter Peetoom de beschamende waarheid zien en uitspreken dat zij de oplossing niet zijn. Peetoom heeft gelijk dat ze de noodklok luidt en de machteloosheid schetst. Maar ze stelt de verkeerde vraag: “Voor wie is de GGZ?”.

Het is een verzuchting die ik als hulpverlener in de GGZ begrijp en meevoel, want veel collega’s zijn chronisch overbelast. Toch is het antwoord op de vraag eenvoudig: wij zijn er voor iedereen die geestelijke gezondheidszorg nodig heeft. En naar wie zich meldt luisteren wij zonder aanziens des persoons met oren die schreeuwende, maar vooral ook stille, ellende willen horen. Zonder dat er eerst harder moet worden geschreeuwd, meer symptomen moet zijn, meer last moet worden veroorzaakt. Of doden moeten vallen. Dat is een primair zorgprincipe. Ieder ander antwoord is verdacht omdat het impliciet aanneemt dat er ‘nu eenmaal’ schaarste is; alsof het plotsklaps uit de lucht kwam vallen. En dat we dús zuiniger moeten zijn en grenzen moeten trekken. De werkelijkheid is dat de gecreëerde schaarste het gevolg is van expliciete beleidskeuzes. De kern van die beleidskeuzes is steeds dat bureaucratische principes en marktprincipes voorrang krijgen op het zorgprincipe. Ik noem twee belangrijke punten waarop in de afgelopen jaren schaarste is gecreëerd: het opleiden en beschermen van hulpverleners in marktgestuurde instellingen en de chaotische decentralisering van de jeugdzorg.

GGZ
cc-foto: SP

Van zorginstinct naar zorgprincipe
Even wat vaktaal, want die is nodig om te begrijpen wat we doen in de GGZ en om te voorkomen dat we alleen maar de taal van marktbureaucraten spreken. Teveel betrokkenen begrijpen het niet. Het zorgprincipe groeit langzaam uit herhaalde adequate responsen op het hechtingsinstinct. Iedere ouder weet dat een klein kind eerst een beetje huilt; het kan nog afgeleid worden. Langzaam wordt het huilen harder en intenser en dan volgt een brullen vol woede, wanhoop, onmacht, aanklacht. Als we dit horen en ons er niet voor hebben leren afsluiten dan reageren we sterk emotioneel, helpend en nabijheid zoekend op die schreeuw. Dat is ons aangeboren zorginstinct. We willen oppakken, troosten, beschermen, er in godsnaam achter komen waar de schreeuw vandaan komt en wat het kind zo nodig heeft. Natuurlijk zijn er later grenzen die gesteld moeten worden. Maar dat kan pas als je de noodkreet eerst op tijd écht gehoord hebt. Met hart en ziel. Het zijn dit soort schreeuwen die wij hulpverleners moeten horen en zeker niet alleen bij kinderen. Om ze goed te horen moet je zeer goed leren luisteren, want ze zijn niet allemaal zo hulpeloos en vol vertrouwen als een pasgeborene.

We moeten daarop ‘vaak genoeg’ en ‘snel genoeg’ een respons geven die ‘goed genoeg’ is. En het is nu vaak veel te laat en niet goed genoeg.  De meeste hulpverleners en sommige bestuurders in de GGZ hebben een sterk ontwikkeld zorginstinct. Maar in een complexe mensengemeenschap is instinct nooit genoeg en moet het zich ontwikkelen tot een zorgprincipe dat de strijd aan kan gaan met andere principes. Zo werd ons het marktprincipe aangedaan. De creatie van fictieve markten onder minister Hoogervorst (VVD) leidde, zoals velen hadden voorspeld, tot een explosieve toename in ‘vraag’ en ‘aanbod’. Daarop volgde onder minister Schippers (VVD) een intense blootstelling aan bureaucratische principes waarover u navraag kunt doen bij willekeurig welke hulpverlener. Als u goed luistert hoort u de tranen van woede. Het effect was steeds minder uren nabijheid en meer uren administratie. En dus meer afstand tussen hulpverlener en patiënt. Verder volgden minder uren begeleiding, bescherming, opleiding en supervisie voor jonge hulpverleners. Waarom? Goed opleiden en beschermen van personeel is duur. Jonge basispsychologen, psychiatrisch verpleegkundigen en maatschappelijk werkers in hun eentje laten tobben is goedkoop. Er worden nog steeds veel en veel te weinig opleidingsplaatsen gecreëerd. En dus zijn er te weinig goede GZ-psychologen en psychotherapeuten. Zie hier onze schaarste!

Decentralisatie
In 2015 begon onder staatssecretaris Van Rijn (PvdA) een grootschalig experiment om de jeugdzorg te decentraliseren. Spannend voor beleidsmakers, maar niet voor betrokkenen met gezond verstand. Voor hen was de mislukking op geen enkele manier verrassend was en viel er dus ook helemaal niets te leren. Gemeenten bleken er, zoals ze zelf al wisten, niet op toegerust en na een vernietigend rapport van de jeugdinspectie moest er krap vier jaar later alweer op worden teruggekomen. Hoeveel tijd en geld is er niet verspild ten koste van snelle en adequate hulpverlening voor jongeren? Vier jaren gewoon kwijt, komt nooit meer terug. Jaren die desastreus zijn geweest in het leven van veel jonge mensen die nu niet jong meer zijn. En de ellende is nog niet voorbij. Integendeel, jongeren die om hulp schreeuwen worden zelden binnen een maand  gehoord. En hoe jonger je bent, hoe meer schade een maand wachten veroorzaakt. Heeft iemand die schade al eens getaxeerd? Peetoom vertelt: “Uit nieuwe cijfers blijkt dat het aantal mensen dat psychische hulp nodig heeft ‘tot orkaankracht’ is gegroeid […] 15% extra jeugdigen blijken een beroep te doen op de jeugdpsychiatrie, waar de wachtlijsten, bijvoorbeeld voor eetstoornissen, soms al maandenlang zijn.” Ik geloof niet dat er op die wachtlijsten één jongere staat die dat doet als ‘lifestyle’, zoals salonexistentialist, voorvechter van de biopsychiatrie Damiaan Denys ons wil doen geloven. Het is een sofistisch vernisje bij de volgende ronde victim-blaming en saneren. In werkelijkheid is zo’n wachtlijst een ‘lifeline’ ; een dun koord naar gehoord en gezien worden. Een koord dat voortijdig kan breken.

Gelukkig blijven velen aankloppen en hopen op antwoord. Maar dat blijft niet zo. Veel erger dan de schreeuwende acute nood, is de stilte die volgt. De ongetelden die niet meer durven aankloppen en niet eens op die wachtlijsten meer staan. Als een kind, of een beschadigde volwassene, maar lang genoeg niet gehoord wordt, komt er een moment – het kan minuten, uren, dagen, maanden duren – dat het stopt met schreeuwen. Het is niet gehoord en de hoop is gedoofd. Stil lijden lijkt minder gevaarlijk en je hoeft minder te voelen dat niemand om je geeft. Het kind, de jongere, de volwassene wordt ‘weerbaar’ (bravo). Beter noemen we het afgeweerd en in de steek gelaten. In die verlatenheid ontstaan leegtes die geen mens kan peilen. Waarin het roepen niet gehoord wordt en de wens om dood te zijn of dood te maken vruchtbare grond vindt. Daar groeien de monsters die zich ooit zullen wreken op een gemeenschap die niet wilde horen.

Selectieprincipes en uitsluitprincipes
De nood is acuut en vraagt ons om het universele zorgprincipe als vanzelfsprekende kern van hulpverlening met hand en tand te verdedigen. Waar nodig moeten we burgerlijk ongehoorzaam weigeren het anders te doen. Bovendien moet er snél véél meer zorgvuldig opgeleid worden. Er staat een leger basispsychologen en potentiële zij-instromers in de startblokken, dus maak plaats voor ze! We moeten ophouden enthousiaste hulpverleners zo lang uit te putten in een bureaucratische hordenloop dat ze al hun zorgplezier verliezen en een baantje elders zoeken. Geef ze een veilige ruimte om te zorgen en te groeien dan worden ze vanzelf volwassen hulpverleners. Maar beleid is niet het enige en we kunnen niet wachten tot een nieuwe generatie is opgeleid.

Met Rutte-4 op komst is er qua beleid sowieso bitter weinig hoop. Het is een nare boodschap, maar het is een reële boodschap. Courage, stamina en harde actie worden gevraagd in wéér vier harde rechtse jaren waarin selectieprincipes en uitsluitprincipes op de impliciete agenda zullen staan. Let maar op: vragen als ‘Voor wie is de GGZ?’, ‘Voor wie is universiteit?’, ‘Voor wie is Nederland?‘ zullen aan de orde van de dag zijn. De dominees in kabinet en openbaar bestuur zullen ons het slechte nieuws met tranen in de ogen brengen. De kerken zullen proberen de ergste ellende op te vangen. De ChristenUnie zal trots zijn dat ze een paar vluchtelingen mogen redden uit de klauwen van de VVD. Trap er niet in! Als u denkt dat het financieel allemaal niet haalbaar is: pleit voor een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Als u vindt dat het aan falen bij andere publieke voorzieningen ligt; ga die aanpakken. Als u denkt dat jongeren verwend zijn, praat met ze.

En spoel alstublieft uw mond elke keer dat u het woord ‘prestatiezorg’ heeft uitgesproken. Dit P-woord staat voor het nieuwste bureaucratische monster dat per januari start. In één woord al het onbegrip van marktbureaucraten met dichtgestopte oren. In plaats van die volslagen nonsens moeten we gewoon veel beter en veel sneller luisteren naar jonge mensen. Direct prioriteit geven om hen te helpen en ze steunen en beschermen als ze in opstand komen. Op volwassen wijze met rechte rug ze niet in de steek laten. Dat vraag ik niet alleen mijn vakgenoten, maar vooral ook ambtenaren, bestuurders en verzekeraars. U bent persoonlijk verantwoordelijk. Ook als men u anders willen doen geloven. Stop met likken naar boven en slecht nieuws brengen naar beneden. Zorg naar beneden, trap naar boven!

Geef een reactie

Laatste reacties (31)