2.064
5

Schrijver

Ties Teurlings (1993) studeerde aan de kunstacademie in Breda. Op zijn twintigste deed hij mee aan het Leids Cabaret Festival en hierna werkte hij als acteur in de Efteling. Deze veelzijdige Brabander liep in 2015 de pelgrimsroute van het Franse Saint-Jean-Pied-de-Port naar Santiago de Compostella in Spanje. Begin 2017 verscheen zijn debuutroman Krentenkoppen, Grappige en ontroerende verhalen over zijn opa en oma.

Mijn beperking

"Niet kunnen rekenen is moeilijk. Getallen zijn overal. Het is een probleem dat altijd weer de kop opsteekt. Een probleem dat ik altijd met me meedraag en niet weggaat."

Daarnet op de fiets heb ik weer eens om mezelf moeten huilen. Het had te maken met wat er vanavond op mijn werk gebeurde. Sinds een paar weken werk ik in een restaurant waar ik dienbladen met bier, koffie en thee naar tafeltjes moet brengen. Vanavond moest ik voor het eerst met borden sjouwen. Grote zware gloeiendhete borden waarover aan tafel moet worden verteld wat erop ligt.

In de keuken staarde ik naar de borden met eten onder de warme lampen. Vijf minuten geleden had de kok mij verteld wat het allemaal voorstelde maar het ging het ene oor in en het andere weer uit. De kok was inmiddels alweer druk bezig met de volgende gerechten. Zijn naam was ik ook alweer vergeten. ‘Hé,’ riep ik daarom. De kok keek opzij en knikte met zijn kin, zo van, zeg het maar.
‘Kun je me nog een keer vertellen wat hier ligt?’ Overduidelijk met tegenzin zette de kok zijn pan weer op het vuur, sloeg een theedoek over zijn schouder en kwam naar me toe. Hij leunde voorover met zijn knokkels op het roestvrijstalen oppervlak en wierp een blik op de borden. ‘Hier heb je een rillettes van makreel met mierikswortel-crème fraiche, venkelsalade en papierbrood, daarnaast een knolselderij met bundelzwammen, spinazie en pompoenpuree en dáárnaast gegrilde radicchio met gepocheerde peer en portobello met koningsboleet.’ Hij keek weer op.
‘Oké, dankjewel.’

Om te voorkomen dat ik derdegraads brandwonden zou oplopen pakte ik mijn bediendoek, die ik dubbelvouwde en over mijn arm drapeerde. Die doek is bedoeld om de warmte tegen te houden maar hij werkt voor geen meter. Het is volgens mij meer een psychologische doek omdat we die borden anders helemaal niet zouden aanraken. Zo’n tang waarmee ze in Lord of The Rings de ring uit het vuur halen zou handiger zijn. Een voor een nam ik de borden op mijn arm. Op het tv-scherm knipperden de nieuwe bestellingen groen en rood. Deze borden moest naar tweehonderdzesentwintig. Met de moed der wanhoop begaf ik me naar het restaurant.

Terwijl ik liep herhaalde ik in mijn hoofd het getal dat ik op het scherm had zien staan. Tweehonderdzesentwintig, tweehonderdzesentwintig, tweehonderdzesentwintig… Voor mijn geestesoog verscheen de plattegrond van de tafeltjes. Tweehonderdzesentwintig, was vlakbij de open haard. Om mij heen zaten mensen nietsvermoedend aan hun avondeten. Toen ik bij tafel tweehonderdzesentwintig verscheen, keek het gezin dat er zat nieuwsgierig naar me op. Ik richtte mijn blik op de vader terwijl ik met een schuin oog mijn borden bekeek. ‘Ik heb hier…’ begon ik. Ja, wat had ik hier ook alweer? Vis prut met … worteltjes en iets vaags met rijst en een grote champignon. Hipster-eten wilde ik zeggen. Ik heb hier drie borden met hipster-eten. Ondertussen loerde vader mee over de randen. De Vesuvius-achtige hitte op mijn armen probeerde ik uit alle macht te negeren. Vader schudde zijn hoofd. ‘Wij hadden twee keer de hutspot en twee keer de ravioli.’
‘Oh,’ zei ik. ‘Dat heb ik hier niet. Mijn excuses.’

In de keuken wierp ik mijn borden af als een bommenwerper. Onder de warme lampen stonden alweer heel wat nieuwe klaar. Jezus, wat waren die dingen heet. Op vakantie heb ik met blote voeten over terrastegels gelopen die hiermee vergeleken koel waren. Op dat moment sloeg een van de koks met zijn vlakke hand op het belletje. Vrijwel meteen kwam de jongen die mij inwerkte uit de spoelkeuken tevoorschijn. Hij keek naar de borden die ik weer had meegenomen. ‘Gaat het goed?’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik heb denk ik het verkeerde meegenomen.’
‘Voor welke tafel was het?’ vroeg hij. ‘Tweehonderdzesentwintig.’ Mijn collega tikte met zijn vinger een paar snelle tikjes op het tv-scherm. ‘Tweehonderdtweeënzestig moeten ze naartoe, niet zesentwintig.’
‘Oh ja, sorry, ik heb dyscalculie, dan draai ik soms getallen om.’
Hij knipperde met zijn ogen. ‘Twee, zes, twee,’ zei hij daarna luid en duidelijk.
‘Twee, zes, twee,’ herhaalde ik, waarna ik mijn bediendoek weer om mijn arm sloeg.

cc-foto: moritz320

Op mijn basisschool was ik de enige in de klas. De rest had allemaal dyslexie. “Dyscalculie is net als dyslexie,” legde ik destijds aan mijn vriendjes uit, “maar dan met cijfers in plaats van letters.” Zelfs de meest simpele rekensommen zorgden bij mij voor grote stress. Tijdens de rekenlessen raakte ik telkens zo overstuur dat meneer Peter in groep zes besloot dat het beter was als ik tijdens het rekenen buiten op de gang ging computeren. Er volgden testen, remedial teaching en speciale rekenboekjes voor kinderen die onder het niveau presteerden. Thuis kreeg ik iedere dag bijles van mijn moeder. Tevergeefs. Voor haar vijfendertigste verjaardag gaf ik haar een tekening waarop door mij vrolijk stond geschreven dat ik haar hartelijk feliciteerde met haar drieënvijftigste verjaardag!

Toen mijn dienst erop zat moest ik naar het kantoor komen. Mijn baas zat tegenover me achter zijn bureau. Het enige licht kwam van de lamp naast zijn computer. Het leek wel een verhoor ergens diep in de donkere DDR. ‘Ik hoor dat je iets hebt waardoor je de tafelnummers niet helemaal begrijpt,’ begon hij naar voren leunend met zijn kin in zijn hand.
‘Ja, dat klopt,’ zei ik. ‘Ik heb dyscalculie, dat is net als dyslexie maar dan met cijfers. Ik haal de getallen soms door elkaar.’
Mijn baas, een hippe Amsterdamse jongen met haar dat hij waarschijnlijk voor veel geld door een barbier laat knippen, leunde van zijn ene op zijn andere hand. Er volgde een stilte terwijl hij me aandachtig bleef aankijken. Zijn mond was een dunne lange streep. ‘Ik zou wel graag willen weten in hoeverre jouw dyscalculie een belemmering voor je vormt als je hier wilt werken. Als je iedere keer zoveel moeite hebt met de tafelnummers schiet het natuurlijk niet echt op.’
‘Het is geen probleem als ik het bonnetje erbij mag houden of als ze in de keuken gewoon de nummers achter elkaar opnoemen.’
‘Als jij mij zegt dat het geen probleem gaat vormen dan neem ik dat van je aan. Maar ik moet het vragen. Het levert nogal wat scheve gezichten op bij je collega’s als je je zo vaak vergist in de tafelnummers. Zij krijgen dan zoiets van; gast, waarom overkomt jou dit iedere keer. Snap je?’

In het donker op de fiets begon het met een brok in mijn keel. Daarna kwamen al snel de tranen. Ik voelde me weer net zoals op de basisschool. Mijn gezicht werd nat van de regen. Mijn tranen waren warm, de druppels koud. Gelukkig was er niemand op straat. Op het kruispunt dat ik overstak knipperden de stoplichten in een oranje gloed. Zonder goed te kijken reed ik dwars over het midden naar de overkant waar ik langs het kanaal mijn weg vervolgde. Over mijn stuur gebogen staarde ik naar de glinstering van de straatlantaarns op het wegdek. Niet kunnen rekenen is moeilijk. Getallen zijn overal. Het is een probleem dat altijd weer de kop opsteekt. Een probleem dat ik altijd met me meedraag en niet weggaat. Vaak kan ik niet op mezelf vertrouwen. De juiste tijd en datum noteren in mijn agenda. Inschatten hoe lang het duurt om op tijd te komen voor de afspraak. Ik ben altijd bang om fouten te maken, bang om te worden ontmaskerd, bang om dom gevonden te worden.

Ik huilde tot ik thuis was en toen stopte ik ermee. Ik hing mijn jas aan de kapstok, trok mijn natte kleren uit, stapte onder de warme douche en daarna in mijn bed. De getallen van de digitale wekker op mijn nachtkastje gaven aan dat het één uur s ’nachts was. Tijd om te gaan slapen.


Laatste publicatie van Ties Teurlings

  • Krentenkoppen

    2017


Geef een reactie

Laatste reacties (5)