3.618
52

Politicoloog, publicist

Mijn bestaan is een ultieme testcase van intolerantie

Wanneer we elkaar onze gelaagdheid aan veelvoudige identiteiten teruggeven, hebben we zoveel gemeen

Het is vrijdag 24 augustus, tien over drie in de middag. Met de fiets in de hand sta ik aan de rand van de stoep voor de Albert Heijn op de Jan Evertsenstraat in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer. Ik reageer op een Facebook-bericht waarin twee essays die respectievelijk in 2013 en 2016 in de Groene Amsterdammer verschenen opnieuw onder de aandacht worden gebracht.

Deze twee artikelen waarin ik oproep tot omarming van het verschil en de erkenning van de pluriforme identiteit van ieder mens vinden de afgelopen tijd gretig aftrek. Ik waarschuw in beide stukken voor de gevolgen van de blinde reductie van groepen en individuen tot ééndimensionale identiteiten en spreek mijn zorg uit over het ontstaan van een volgende wij-zij kloof (die ik “wij tegen de tata” noem) waarbij mensen van verschillende kleur, (etnische) afkomst en religie nieuwe allianties sluiten in reactie op de tata (straattaal voor aardappelhoofd, in de Hollandse volksmond kaaskop dus) die zijn eigen uitsluiting en privilege maar niet lijkt te willen erkennen, inzien en vooral op te willen geven.

Maar dan spreekt een oudere witte man mij aan. Ik mag van hem daar niet op de stoep staan. Dreigend torent zijn gezicht naast mijn hoofd. ‘Je staat hier nu al een half uur. Als je niet binnen een kwartier weg bent bel ik de politie.’ Ik vraag de man waarom. Hij weigert antwoord te geven en heeft nu al zittend op zijn fiets direct achter mij post gevat. ‘Ik bel de politie,’ zegt hij nog eens luid. Ik zeg hem dat ik daar geen half uur sta en zo wel, de straat van ons allemaal is. Dat ik niet weg hoef en niet weg ga.

De man maakt zich nog wat breder. ‘Ik houd je in de gaten.’ Zo blijven we tien minuten staan. Tenslotte bel ik zelf de politie. Niet 1-1-2, maar braaf het landelijk nummer en laat me doorverbinden met Amsterdam. Geef mijn naam en locatie op en leg de situatie uit. Ik vertel de vrouwelijke stem aan de andere kant van de lijn dat ik me bedreigd voel en deze meneer wel erg intimiderend achter me staat. Of hij winkelpersoneel is? Nee. ‘Die meneer doet niets strafbaars, hier komen we niet voor,’ zegt de agente. ‘Je hebt twee keuzes: je fietst gewoon weg of je gaat het gesprek aan.’

‘Ik ben bang dat hij me achtervolgt,’ beken ik naar waarheid, me verbijsterend afvragend waarom ik sowieso zou moeten vertrekken. ‘En het gesprek probeer ik te voeren, maar mijnheer weigert uit te leggen wat zijn probleem met mij is,’ vervolg ik al zijwaarts kijkend waar de man die alles hoort en nu al helemaal van geen wijken weet. Het geduld van de medewerkster aan de lijn is op. ‘Nu moet je ophouden met spelletjes spelen,’ zegt ze bruusk. ‘Spelletjes spelen? Er staat op dit moment nog steeds een man achter mij die mij zeer dreigend behandelt en publiek verdacht maakt.’ -‘Wij komen niet voor dit soort zaken.’ Ze hangt zonder pardon op. Ik staar naar mijn telefoon.

‘Waar bent u bang voor?’ vraag ik tenslotte, me opnieuw omdraaiend aan de man.
‘Dat weet jij heel goed.’
‘Nee, dat weet ik niet, leg het me uit.’ Stromen witte klanten haasten zich de Albert Heijn uit. Werpen me wantrouwige blikken toe. Enkele hebben het hele spektakel van begin tot eind meegemaakt, maar zeggen niets. Er verstrijken weer enkele minuten. Ik pak mijn fiets vast, beweeg me naar hem toe: ‘Wat is nu u probleem?’ De man zwijgt in alle toonaarden, zegt opnieuw dat hij de politie belt. ‘Laten ze je maar eens goed ondervragen en onderzoeken, ik weet precies wat ze vinden.’
‘Doe het alstublieft. Bel.’

Maar de man doet niets. ‘Nu moet je ophouden met tegen me te praten, je bedreigt me,’ zegt hij.
‘Ik bedreig u? Ik mag hier niet van u staan. U zegt de politie te bellen en ik bedreig u?’ Ik verhef mijn stem. De omstanders maken zich nog haastiger uit de voeten. ‘Denkt u dat ik een terrorist ben of zoiets? Is dat het? Bent u daar bang voor? Ik kan u vertellen, waar u ook bang voor ben, ik ben het niet en doe het niet.’ -‘Dat hoop ik dan maar,’ zegt de man. ‘Maar mij is het duidelijk.’
‘Wat is u duidelijk? Ik ben nota bene christen, niet dat u zich dat kunt voorstellen want wij zijn natuurlijk allemaal moslims die klaar staan om aanslagen te plegen of wat u ook maar denkt,’ zeg ik terwijl ik mijn kruisketting onder mijn shirt vandaan haal. De man draait bruusk zijn hoofd af. En zegt dan na een zeer lange stilte: ‘In mijn kerk zijn mensen als jij niet welkom.’ -‘Oh, want Jezus is alleen voor uw zonden gestorven?’ -‘Dat je het maar weet,’ zegt de man. ‘Dat je het maar weet.’

Het gesprek is luid hoorbaar. Recht daar voor de ingang van de Albert Heijn. Ik kijk om me heen, zoek steun, maar ontmoet niets dan boze en vooral bange blikken.
Ik stap op de fiets. De man blijft achter me aan rijden. Ik stop uiteindelijk bij het politiekantoor op de Hoofdweg in Bos en Lommer, naar eigen zegen: ‘waakzaam en dienstbaar.’ Ik ga naar binnen. Na een tijdje verschijnt een jonge witte mannelijke agent echter de balie. Ik tril van emoties, ongeloof, woede, pijn. Ik vertel hem het verhaal. Besluit met dat ik me totaal onbeschermd voel. ‘Als die meneer had gebeld met het signalement van een jonge Noord-Afrikaanse man met een rugtas die verdacht doet waren jullie direct gekomen,’ zeg ik. ‘Maar als ik daadwerkelijk door een man geïntimideerd word en beperkt word in mijn bewegingsvrijheid speel ik spelletjes.’ -‘Dat is helemaal niet gezegd, dat we dan zouden komen,’ zegt de agent weinig overtuigend. Hij heeft ondertussen mijn ID-kaart al vijf minuten in de hand en lijkt hem niet terug te willen geven. ‘En die collega zou dat niet zomaar hebben gezegd, je belde 1-1-2 zeker.’ -‘Nee, ik belde 0900-8844.’

Er komt een andere – vrouwelijke – collega bij staan, Ik vertel haar het verhaal terwijl de mannelijke agent met mijn ID-kaart naar achteren verdwijnt en daar een hele tijd blijft. Blijkbaar heb ik een background check nodig. ‘We kunnen niets doen want je hebt geen signalement van de man,’ zegt de mannelijke agent bij terugkeer. Die heb ik wel en die geef ik ook, evenals de locatie en het tijdstip. ‘Het was recht voor de ingang van de Albert Heijn dus er moeten camerabeelden van zijn,’ zeg ik nog. ‘Daarbij had die man net boodschappen gedaan.’ De agenten reageren niet. ‘Hij heeft geen strafbaar feit gepleegd dus er is geen aanleiding tot vervolging.’ -‘Daarvoor ben ik hier ook niet. Ik ben hier om een klacht in te dienen tegen de politie.’

Nu wordt het de vrouwelijke agente teveel. ‘Mijn collega zal niet zomaar hebben gezegd dat je spelletjes hebt gespeeld. Hoe vaak heb je wel niet gebeld?’ -‘Eén keer. Wie wilt na dat gesprek nog bellen?’ -‘Wij kunnen dat niet terughalen,’ zegt haar mannelijke collega. ‘Dan had je haar naam moeten onthouden.’ -‘Die heeft ze niet gegeven. Ze nam op met Politie-eenheid Amsterdam.’ -‘Nee, dat zou ik ook niet doen als je zo opbelt,’ zegt de vrouwelijke agente. ‘Ik had nog geen woord gezegd.’

Ik kijk de twee agenten aan. Wijdbeens. Armen in de zij. Dreigend. Lang. Groot. Wit. Ik voelde me daar met die fiets aan de hand een gewone wijkbewoner, opgeslokt in de virtuele wereld, me voor even onbewust van de mensen om me heen. Maar nu is kleur al wat ik zie. ‘Begrijpt u dan niet dat het dit soort situaties zijn waarom mensen geen vertrouwen meer hebben in de politie?’ vraag ik. ‘Dit feit, dat als ik als burger bel, omdat ik op klaarlichte dag door iemand lastiggevallen wordt, geïntimideerd zelfs, met een duidelijk raciaal motief ook nog, onheus verdacht wordt gemaakt, ik niet op jullie kan rekenen maar nog eens extra wordt gecriminaliseerd? Terwijl als meneer had gebeld, jullie voor hem klaarstaan? Dit is nu wat institutioneel racisme wordt genoemd.’

De agenten kijken me aan met blikken die ik niet kan duiden. Ik betrap mezelf erop dat ik met een accent praat. Ik weet niet waar dat accent vandaan komt. Ik heb me nooit eerder in Nederland zo zwart gevoeld. ‘De politie doet heel veel goed, maar dat wordt niet gezien of genoemd,’ zegt de vrouwelijke agente, terwijl haar collega me uiteindelijk een folder in de hand duwt. Ik mag een klacht indienen. Thuis. Online. Reactie krijg ik per mail. De ID-kaart krijg ik de laatste seconde toegeschoven.

Op de site lees ik: “De politie is er altijd. Voor een veiliger Nederland.
De politie beschermt de democratie, handhaaft de wet en is het gezag op straat.
Waar nodig biedt de politie de helpende hand. In noodsituaties grijpt zij dwingend in. Waar anderen een stap terug doen, stappen politiemensen naar voren. Als dat nodig is met geweld, desnoods met gevaar voor eigen leven.
De politie werkt actief samen met burgers en partners. Zij heeft oog en oor voor wat er leeft in de samenleving. De politie is er voor iedereen.”

Dit incident staat net op zichzelf. In de afgelopen maanden werd ik herhaaldelijk uitgescholden voor k•t-Marokkaan, buitenlander en erger nog. Er werd – ditmaal door een witte vrouw – een zak Mac Donald’s afval naar min hoofd gegooid terwijl ik in stilte aan tafel at nadat ze had opgemerkt dat iemand als ik natuurlijk geen Nederlands spreek. Ik werd in clubs geweigerd, geschaduwd in winkels, onterecht beschuldigd van diefstal en niet-inchecken. En ook dit zijn slechts een handvol incidenten, gelinkt aan mijn huidskleur en etnische achtergrond. Laat ik over de dagelijkse vormen van transfobe uitspraken op openlijke agressie, de rijzende homofobie, luide moslim- en christenhaat (ik zie eruit als de eerste, maar behoor toch echt tot de tweede religieuze groepering) en vele vormen van seksisme die ik eerder in vrouwelijke gedaante ondervond maar zwijgen. Wat dat betreft mag mijn bestaan als een ultieme testcase van intolerantie worden beschouwd. Ik voel me soms net een balletje in een flipperkast. Als Egyptisch-Nederlandse, visueel beperkte, christelijke, seksueel fluïde en gender non-conforme transman roept mijn aanwezigheid voortdurend nieuwe vormen van discriminatie, uitsluiting en zelfs agressie op.

Exemplarisch
Ik zweeg. Bang voor het commentaar, de strijd, het ongeloof, de onwil ook. Altijd weer de bekende reacties: ‘ze bedoelt het niet zo, hij meent het niet, hij weet niet beter, hij was vast dronken, nu moet je niet zo boos doen, je kiest er zelf voor, loop gewoon door, wat is je probleem, stel je niet aan, je hebt het er vast zelf naar gemaakt, overdrijven is ook een kunst, niet de hele wereld draait om jou,’ Op aandringen van een vriendin plaatste ik ditmaal wel een post op Facebook, die 519 keer werd gedeeld en duizenden persoonlijke en publieke reacties opriep. Het incident gaat feitelijk niet over mij. Ik belichaam meer dan mijzelf, zoals die man voor meer staat dan zijn angst en de reactie van de politie-agenten exemplarisch is voor een overheid die haar burgers weigert gelijk te behandelen en niet in staat is ze van de noodzakelijke bescherming te voorzien.

Waarschuwde ik vijf jaar gelden nog voor steeds verdere opsplitsing, polarisatie en spanningen in de samenleving als gevolg van de wrede strijd tussen botsende identiteiten, ondertussen kunnen we over een ware identiteiten-oorlog spreken. Mijn essays waren de tijd vooruit, maar zijn ondertussen door de brute werkelijkheid ingehaald. Als dit incident niet als een volgend bewijs van het groeiende wantrouwen en ééndimensionale groepsdenken kan worden beschouwd, dan wel de reacties op de post op Facebook. Naast de schok en opnieuw het ongeloof van velen die beweren indien aanwezig natuurlijk wél voor mij op de bres te hebben gestaan (waarheid gebied te zeggen dat dit een stuk makkelijker is om virtueel te beloven dan daadwerkelijk uit te voeren, tot dusver heb ik in ieder geval bij geen enkel incident bijval of bescherming van omstanders gehad), ging de bagatellisering en verdachtmaking door.

Verward
Zo zou de man natuurlijk ‘verward’ zijn of simpelweg ‘gek,’ ook al zag hij er verzorgd uit en was hij normaal gekleed, sprak hij beschaafd Nederlands en was hij wel zo intelligent de reden van de verdachtmaking niet hardop uit te spreken waardoor hij zich niet openlijk schuldig maakte aan racisme en/of islamofobie. Overigens is dat predikaat ‘verward’ typisch voor een land waar racisme niet zou bestaan, behalve in de vorm van de enkele geesteszieke persoon. Vraag is hoeveel rapporten er nog over discriminatie (zo niet openlijk racisme) op de arbeidsmarkt, stageplekken, woningmarkt, overheid en dagelijkse wandel op straat moeten verschijnen voordat we kunnen erkennen dat we dan allemaal ernstig verward mogen heten.

Wat deed ik daar dan ook eigenlijk op die stoep, wilden mensen weten. Het is een vraag die we bij een vrolijke blond-harige dame niet zouden stellen. Waarom ik niet gewoon wegfietste, willen Facebook-gebruikers en twitteraars weten. Mijn antwoord blijft telkens dezelfde: ‘Omdat Mohammed de club al niet in mag, met argusogen gevolgd wordt als hij op een perron staat, vooral niet te lang in een winkel rond mag lopen en nu blijkbaar ook al verdacht is als hij op zijn mobieltje kijkt op straat.’
Dan is er het wantrouwen. Want is dit hele verhaal niet gewoon een PR-stunt voor mijn boek? Maar het meest van al valt men over de aanduiding van de kleur en dan nog met het woord ‘wit,’. Niet deze man zou dan ook racistisch zijn, maar ik. Deze (selectieve) verontwaardiging over kleuraanduiding toont echter slechts het privilege nooit met kleur bezig te hoeven zijn of daarop te worden aangeduid, getypeerd, gewantrouwd, uitgesloten of aangevallen.

Opsplitsing
Zeventien jaar identiteitspolitiek en hijgerige mediaframes hebben geresulteerd in een totale ééndimensionale identitaire opsplitsing van onze samenleving waarbij rechts hele groepen op basis van kleur, afkomst, religie (en zelfs ras) wegzet en de-humaniseert, terwijl links vanuit een haast narcistisch moreel superioriteitsgevoel een al even beklemmend groepsdenken vertegenwoordigt. Zo zou ieder mens alleen voor de eigen groep mogen spreken. Termen als ‘white innocence’ en ‘white privilege’ zijn even behulpzaam als beperkend, omdat het mensen nog bewuster maakt van hun groepsidentiteit en belemmert in hun vermogen deze te overstijgen.

Zo zou ik als christen geen ‘moslims’ mogen interviewen – in de breedste zin van het woord – en al helemaal geen boek over “de islam” mogen schrijven. Ik schreef echter in mijn boek ‘God is groot: eten, bidden en beminnen met moslims’ over de ontmoeting van mij als christen (en zoveel meer dan dat) met allerlei soorten medeburgers met een islamitische achtergrond waarin ik de strijd aanbind met mijn eigen vooroordelen en de wederzijdse omarming van het ongemak de gemeenschappelijke deler wordt gezocht en gevonden. Een deler die net zo vaak wel als niet met een voorliefde voor God te maken had.

Zo vond ik in de ontmoeting met hen die ik ondertussen als broers en zussen, neven en nichten, tantes en ooms, vrienden en goede contacten ben gaan zien, ook de gemeenschappelijke passie voor respectievelijk kunst, muziek, politiek, literatuur, dans, goed eten, fijne gesprekken, gedeelde zorgen, herkenning van achtergrond en afkomst, worsteling met gender en geaardheid, of juist de openlijke viering daarvan. Dit is voor mij nu het daadwerkelijk omarmen van de pluriforme identiteit; waarbij een mens zoveel meer is dan zijn of haar kleur, afkomst, religie en achtergrond, zonder de barrières en beperkingen die deze soms opwerpen te ontkennen of de toegevoegde waarde en inzichten die zij brengen teniet te doen.

Als alleen zwarte vrouwen Afro-Nederlandse vrouwen kunnen vertegenwoordigen en cis-gender mannen nooit een documentaire over transgender-personen zouden mogen maken vraag ik mij af wie mij eigenlijk mag interviewen. Mocht u nog een Egyptisch-Nederlandse, visueel beperkte, christelijke, seksueel fluïde en gender non-conforme transman kennen die nog journalist is ook – ik houd mij van harte aanbevolen. (Overigens laat het hierbij gelijk duidelijk zijn dat al die labels en etiketten nog steeds maar externe identiteiten zijn die nauwelijks tot niets zeggen over mijn interesses, karakter en persoonlijkheid.)

In het essay ‘wij tegen de tata’ beschrijf ik een zorgwekkende trend die later ook door het CPB werd bevestigd – de steeds verdere opsplitsing op basis van kleur en afkomst op de Nederlandse schoolpleinen. Deze groeiende segregatie is een trend die we in het hele land terugzien, van het uitgaansleven en de werkvloer, tot op de terrassen en in de woonwijken. Daarbij weten burgers van allerlei afkomst en kleur elkaar steeds meer te vinden, terwijl de witte Nederlander verder ophokt, z’n kinderen van gemengde scholen haalt en etnische enclaves sticht. Dit leidt tot steeds verdere verwijdering, juist onder de jonge generaties.

Zelfs onder meer-bloedige vrienden (zij met een witte en niet-witte ouder) zie ik eenzelfde trend. Zo vroeg een goede vriendin mij laatst of ik nog ‘witte vrienden’ heb. Toen ik zei dat dit inderdaad het geval was, verzuchte ze: ‘ik weet niet hoe je het doet. Ik ben ze één voor één kwijtgeraakt. De verschillen in belevingswereld en opvattingen blijken telkens te groot. Dit zie ik eigenlijk bij al mijn vrienden.’ Hetzelfde zie ik ook in interculturele relaties terug. Wilden Hollandse vrouwen een generatie terug maar wat graag met Turks-, Marokkaans- en Egyptisch-Nederlandse mannen trouwen, nu zijn de meeste al lang en breed gescheiden en willen vrouwelijke leeftijdsgenoten van geen Moustafa of Samir weten. Zo merk ik dat ik met de naam ‘Miguel’ op tinder tientallen matches krijg terwijl de app met dezelfde profielfoto maar mijn eigenlijke naam ‘Mounir’ angstvallig stil blijft.

Uit onderzoek in opdracht van toenmalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Lodewijk Asscher in 2017, onder 3.792 jongeren en 2.020 volwassenen, blijkt dat islamofobie onder Nederlandse jongeren niet alleen groot is maar ook groeit. Hoe jonger des te hoger de islamofobie. De post-9/11 generatie (jongeren van dertien tot vijftien jaar) die direct na de grote aanslagen is geboren, is negatiever over moslims dan jongeren in de leeftijdsgroepen boven hen. Onder jongens en mannen bestaat er beduidend meer islamofobie dan onder meisjes en vrouwen. Hoe lager opgeleid, des te groter de islamofobie. Van alle respondenten bleken dertig procent van de jongens en vijftien procent van de meisjes negatief tot zeer negatief over moslims.

We moeten ons echter niet laten misleiden door onderwijsgraad. Hoger opgeleid betekent niet inclusiever, eerder bewuster van de sociaal-gewenste antwoorden. Want hoewel MBO-leerlingen misschien het luidst islamofoob zijn, zitten ze wel met moslims in de klas. Studentenverenigingen, geprivilegieerde millenials, hipsters in hun eigen villes, weten interactie feilloos te mijden. Zo trad ik dit voorjaar op bij een groot evenement van ‘Happy Chaos’ in de Stadsschouwburg op het Leidseplein waar zo’n 450 millenials feest vieren op klanken die voor mij nauwelijks voor muziek door kunnen gaan en zich van hun meest maatschappelijk geëngageerde kant tonen door debatten bij te wonen. Maar hoewel dit de nieuwe generatie hoogopgeleide Amsterdammers is, de uitverkoren top van hoogopgeleide studenten, zijn ze nagenoeg allemaal wit en dat in een stad waar één op de twee inwoners niet-wit is en de mate van bi-culturaliteit onder jongere generaties nog hoger ligt.

Wanneer Sylvana Simons met een reeks stevige cijfers komt groeit dan ook zichtbaar de irritatie en het ongemak. Ik onderbreek de scherpe kritiek vanuit het publiek met een simpele vraag: ‘wie van jullie heeft een niet-witte vriendschap?’ In de stad met z’n zelf-geprezen 178 nationaliteiten gaat er onder de honderd aanwezigen in de zaal (alleen tussen de achttien en vijfentwintig jaar oud) geen hand de lucht in. Het is onder hun ouders niet veel anders.

Het is eerder de witte top van bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en vooral overheid die van geen wijken wil weten, dan de man van de straat die op zijn werk dagelijks met Ahmed en Aisha praat. Met de zoveelste ‘diversiteit-werkgroep’ en ‘inclusiviteitsmiddag’ bewijst de hoogopgeleide witte bovenlaag vooral lippendienst aan daadwerkelijke verandering. Daarbij lijkt de voorkeur erg specifiek. Zo lijkt er – vooral in politiek en media, maar ook in andere beroepssectoren – meer welwillendheid voor hoogopgeleide vrouwen mits niet te gelovig, niet-hoofddoek dragend, zonder Afro en zonder Surinaams accent. Als man van kleur, zeer overtuigde moslima of zwarte vrouw met een Papiamentse tongval kun je het wel vergeten.

Vaak gaat het hierbij niet om verandering en verruiming van het daadwerkelijke personeelsbestand, maar het aftikken van quota door iemand aan te nemen die gelijk aan de eis van meer vrouwen, kleur en (cultureel-)moslims in één voldoet. Mocht de persoon in kwestie (die door deze gedachtegang geen enkele eigen onderscheidende individualiteit meer heeft) ook nog lesbisch blijken te zijn, dan is dat weliswaar heel spijtig, maar helemaal een pré. Zo is er in één keer vierdubbel aan de plicht voldaan. Dit maakt diversiteit tot een doel op zich en niet een middel.

Niet kennis is de oplossing maar interactie. We moeten af van termen als diversiteit en leren spreken over realiteit. Het is de hoogopgeleide witte Nederlander die zich opsluit in zijn comfortabele bastion vol bang-gemaakte burgers – ergo: de vinexwijk. Het zijn de witte bakfietsmoeders die weliswaar graag humus eten en muntthee drinken, maar dan wel gekocht bij Albert Heijn of beter nog Marqt en zo hele buurten overnemen met hun koffiebars en bulgur-burgers zonder enige inclusie van welke buurtbewoner van kleur en afkomst ook.

Wie dit openlijk benoemt roept de grootste razernij op zich af. Maar het wordt tijd deze en vele andere ongemakkelijke waarheden onder ogen te komen. Eeuwenlang geïnternaliseerd verlichtingsdenken en een openlijke breuk met religieuze concepten als boetedoening en schuld stellen ons echter niet meer in staat onszelf in de ogen te komen. We hebben de gedachte dat de mens inherent goed is doorgetrokken naar dat de mens ook inherent goed doet – althans de ‘blanke’ mens dan, om toch eens deze zo warm gekoesterde term te gebruiken, vol reinheid en onschuld. De moslim en/of zwarte-Nederlander komt geen inherente waardevolheid toe. Dit maakt het haast onmogelijk om iemand op racistisch gedrag of seksistisch handelen te wijzen. Want waar de een zegt ‘u doet racistisch’ hoort de ander ‘ik ben racistisch.’ Handelen en staat van zijn zijn één op één aan elkaar gelijk gesteld. De cognitieve dissonantie die zodoende optreed waarbij het eigen zelfbeeld direct aan het wankelen wordt gebracht wanneer gewezen op bepaalde gedragingen of uitlatingen maakt ieder constructief gesprek onmogelijk.

Als overtuigd christen zie ik in ieder mens een afspiegeling van zijn schepper en een geliefd kind van God. De mens is inderdaad intens waardevol. Maar hij gedraagt zich niet altijd waardig. En als het om racisme, transfobie, seksisme of islamfobie gaat is de mens geen tabula raza of onbeschreven blad. We zijn allen het product van zogeheten ‘generationele erfzondes’ of meer psychologisch gezegd ‘diep-gewortelde sociale conditionering’ als het om uitsluiting- en groepsdenken gaat. We zijn allemaal het product van een samenleving die van institutioneel racisme doordrenkt is. Er is niemand van ons die de luxe heeft gehad zonder enkele vorm van transfobie te zijn geboren. Daarvoor is het debat en beginnende denken over gender of zelfs kleur nog veel te jong. Dit verklaart ook waarom zelfs transgender-personen elkaar vaak niet als potentiële partner beschouwen of waarom ook zwarte personen elkaar inschalen op basis van de hoeveelheid melanine in de huid.

Er zit een enorme bevrijding in de collectieve en individuele erkenning van schuld en het simpelweg onderkennen van de eigen onbekwaamheid – bewust én onbewust. Maar dit vraagt een nieuwe opsplitsing van het zelf en gedrag. En bereidwilligheid echt te luisteren en te kijken voorbij aangenomen en toegeschreven identiteiten. Niet voor niets leerde Jezus ons bidden ‘Vader, vergeef ons onze zonden zoals wij ook elkaars zonden vergeven’ en waren zijn laatst woorden aan het kruis ‘Vader vergeef het hen, want zij weten niet wat ze doen.’ In die woorden school Zijn herrijzenis.

Op de regenachtige avond van 31 augustus zak ik – na een zoveelste pijnlijke confrontatie met transfobie – neer tegen een muurtje bij een van de hippe cafés tegenover het Oosterpark. Ineengedoken huil in stilte. Na een tijdje komt een jonge vrouw vrolijk aangehuppeld. ‘Hallo, ik ben Lotte.’ Ik kijk wat verbaasd op. Ik ben niet meer gewend dat blonde meiden op mij afstappen. Ze durven niet naast me in de tram te zitten, of in de trein en als ik op hen afstap kijken ze snel weg. Maar Lotte is niet zo bang, lijkt. ‘Ik ben psycholoog, vertel je me je probleem dan kan ik ze vast oplossen.’

Ik kijk even zijlings opzij, voel instinctief aan dat Lotte nog niet lang aan haar studie psychologie kan zijn begonnen, wik en weeg wat maar ben te bang voor de reactie op de volgende zelfonthulling en geef aan dat ik niet denk dat dit probleem zo makkelijk op te lossen valt. Lotte – die inderdaad negentien blijkt te zijn en net een jaar psychologie studeert – heeft haar diagnose echter al gevonden. ‘Ik weet het al, je hebt iemand vermoord of verkracht, je zit zeker ook bij die Mocromaffia. Dat doen jullie toch allemaal?’ Een paar weken later krijg ik hetzelfde predikaat van ene Petra (62) opgeplakt.

Ik bots tegen alle vooroordelen, fobieën en uitsluitingsmechanismen op. Maar wat men aan mij denkt te zien of weten klopt niet. Als mijn bestaan iets mag zijn, laat het dan het bewijs zijn van het failliet van de identiteitspolitiek. Want zoals ik tot geen enkele ééndimensionale identiteit te reduceren ben, zo ook u niet.

Tijdens een try-out van de voorstelling ‘En toen schiep God Mounir” op theaterfestival Boulevard in Den Bosch daagde ik het publiek uit om met mij in een 3D-model te stappen en zichzelf te definiëren aan de hand van geslacht, geaardheid en gender oriëntatie, als drie losstaande schalen. De deelnemers – van een biseksuele feminiene trans-vrouw tot een masculiene cis-gender overwegend homoseksuele man – positioneerden zichzelf op andere punten binnen de respectievelijke entiteiten. Tot ieders grote verbazing en hilariteit eindigde ik direct naast Henk, een witte, zestigjarige, ongelovige, cis-gender, heteroseksuele man (‘al ik wil ik dat vooral meer zijn dan dat ik het misschien ben’) die zichzelf redelijk feminien vindt (‘behalve als ik films van Schwarzenegger kijk, dan voel ik me opeens macho’).

Voor het oog hebben we niets gemeenschappelijks. Volgens de tijdsgeest zouden we elkaar niets hebben te zeggen. Het is waar dat Henk privileges heeft die ik mij niet eens voor kan stellen. Dat als Henk met de politie gebeld had om een signalement over mij af te geven ze vermoedelijk wel waren gekomen en in hem ieder geval niet hadden gezegd dat hij een spelletje speelt. Dat als ik Henk zou gebieden niet op de stoep te staan ik de volgende buitenlander ben die ‘ons land’ afpakt. En dat ik als ik Henk met ook maar een vinger aan zou raken ik direct een ‘terrorist’ en geen ‘verwarde man’ ben. Maar toch stonden Henk en ik daar naast elkaar.

‘Dit had ik nooit verwacht,’ zei de man verbaasd, terwijl het publiek al even ongelovig reageerde.
Maar ik lachte en dacht: ik wel Henk, ik wel. Wanneer we elkaar onze gelaagdheid aan veelvoudige identiteiten teruggeven, hebben we zoveel gemeen.

Geef een reactie

Laatste reacties (52)