Laatste update 11:11
4.851
100

Historicus

Han van der Horst (1949) is historicus. Hij schreef onder meer The Low Sky: understanding the Dutch', Nederland: de vaderlandse geschiedenis van de prehistorie tot nu, Een bijzonder land, het grote verhaal van de Vaderlandse geschiedenis, Onze Premiers en Schep Vreugde in het Leven, Levenslessen uit de grote depressie. Op elke laatste zondag van de maand is hij om elf uur in de ochtend te horen als boekbespreker in het VPRO-radioprogramma over geschiedenis OVT.

Mijn privileges en de strijd voor gelijke rechten

Het gaat erom dat mensen op grond van hun huidskleur géén onvervreemdbare rechten worden ontzegd. Dat is nu wettelijk niet maar in de praktijk maar al te vaak wél het geval.

Het monument voor Artikel 1 van de Grondwet in Den Haag. cc-foto: Roel Wijnants

Ik moet mij vergewissen van mijn privileges, zeggen ze de laatste tijd tegen mij. Die waren inderdaad aanzienlijk. Toen mijn vader in 1933 van de Thomas School af kwam, nam oma hem onmiddellijk mee naar een drukkerij in Delfshaven waar ze een plekje wist als leerling letterzetter. Zo was zij eerder met ome Gied naar een bakkerij gegaan en met ome Koos naar de werf Wilton Fijenoord waar hij schilder werd. Ze hadden geen keus.

Mijn vader en al zijn broers konden uitstekend leren maar dat maakte evenmin iets uit. Kinderen uit arbeidersgezinnen moesten bijdragen aan het gezinsinkomen. Dat was normaal. Iets anders was niet voor hen weggelegd, behalve als ze roeping hadden voor klooster of pastorie.

In de jaren vijftig zei mijn vader bij verschillende gelegenheden het volgende: “De tijden zijn nu veranderd. Vroeger kregen alleen de kinderen van een Daalmeijer, van een Bart Wilton, van een Nolet kans om door te leren. Nu is dat anders. Nu geldt dat ook voor die van ons.” Daarom liet hij mij en mijn broer naar het gymnasium gaan. Ondanks alle tegenkanting.

Mijn grootvader van moederszijde vond het te hoog gegrepen. Mulo zou misschien wel kunnen maar dat was wel het matje. Op de drukkerij waarschuwden de collega’s: “Pas op. Straks wordt hij groots. Dan ziet hij jullie niet meer staan.”

Mijn ouders vreesden dat ik het slachtoffer zou worden van standsverschil. Daarom stuurden ze me nadrukkelijk niet naar het stedelijk gymnasium waarvan de eindexaminandi met hoge hoeden op in een koets door de stad reden. Ze deden me op het Sint Franciscuscollege in Rotterdam, bij de paters waar niemand ooit van de familie Van der Horst en haar nederige positie had gehoord.

Het was in de jaren vijftig een groot privilege ouders te hebben die hun eigen, door sociaal onrecht gefnuikte, ambities op hun kinderen projecteerden. Zij lieten zich door het afkeurend commentaar uit hun omgeving nooit ontmoedigen.

Dat was niet het enige privilege. Het Sint Franciscus College was een no nonsense school. “Met een diploma van het Sint Franciscus College zwaaien de deuren van het bedrijfsleven wagenwijd voor je open,” zei onze rector Pater Geers. Toch voorzag het docentencorps me van veel cultureel kapitaal. Die bestond uit algemene vorming, de taal van de macht en de manier van doen die je in dit land nodig hebt om serieus genomen te worden. Habitus noemt de grote Franse socioloog Pierre Bourdieu dat. Van hem is ook de term cultureel kapitaal afkomstig. Merken jullie tussen haakjes hoe het werkt?

Het derde privilege bleek mijn geboortejaar. Daardoor en door het lage inkomen van mijn vader kwam ik in aanmerking voor een beurs waardoor ik een academische studie kon financieren. Mijn broertje idem dito. Ik ging naar de Universiteit van Amsterdam, hij naar de Technische Hogeschool Delft. We hebben in ons verdere leven geen van beiden ooit ons brood hoeven te verdienen met dingen waar we geen zin in hadden.

Dat hangt samen met het vierde privilege: een Nederlands paspoort. Je bent burger van een rijk, over het algemeen voortreffelijk functionerend land met een hoog nationaal inkomen. Daarom was het destijds mogelijk die beurzen op te tuigen plus een goed functionerend stelsel van sociale voorzieningen. Dat is allemaal op ideologische gronden vervaagd en vergruisd, zodat hedendaagse millennials meer hinderpalen tegenkomen dan wij destijds maar het land is wel rijk gebleven. Daarom kon je tot de corona toesloeg vrijelijk over de hele wereld reizen zonder onoverkomelijke problemen met visa en verblijfsvergunningen.

Was ik in Zuid-Oost Azië geboren, dan had dit er allemaal niet ingezeten. Ik zou dan nog steeds veertien uur per dag een sateh-karretje over de straten zeulen of een jeepney besturen, die ik per dag moest huren in de hoop aan de omzet iets over te houden. In veel opzichten is dat Nederlandse paspoort met de sterren van de EU erop het belangrijkste, alles overkoepelende privilege. Mijn broer en ik hebben absoluut mazzel gehad. Presenteer je maar eens met een Nigeraans of Cambodjaans reisdocument aan een grens. Dan merk je het verschil meteen.

Het had ook zo zijn goede kanten dat de taal van de macht en mijn moedertaal samenvielen. Toch kan het net zo goed een groot voordeel zijn in een meertalige omgeving op te groeien zoals mijn zoon overkwam. Sinds de mammoetwet kunnen de Nederlanders zich alleen nog maar in het Engels uitdrukken en ze zijn de enigen ter wereld die denken dat ze dat heel erg goed doen.

Om het nog anders te zeggen: in Marokkaanse of Turkse kring moet je een heel andere toon aanslaan dan bij oud-gevestigde Rotterdammers die al generaties in de Maasstad wonen. Je komt dan qua omgangsvormen en geestelijke bagage makkelijk tussen wal en schip terecht maar het is net zo goed mogelijk dat je het cultureel kapitaal voor de Maghreb paart aan dat voor Nederland en dankzij de brugpositie juist op alle niveaus beter functioneert. Ik zou niet weten hoe ik me beleefd en doelgericht in Accra moet gedragen. Iemand met een Ghanese achtergrond in Bimre kan dat wel.

Het opmerkelijke is dat aan zulke brede culturele kennis in Nederland weinig waarde wordt gehecht. Dat wil zeggen zo lang het om landen gaat die hier niet zo’n hoge status genieten. Als het de Verenigde Staten betreft, Australië of Japan, dan is het allemaal heel mooi en aardig en prima en goed voor je loopbaan. BIj Brazilië, Oekraïne, Ghana of Syrië fronsen de wenkbrauwen zich onder de blonde haren van Tanya Hoogwerf, Eva Vlaardingerbroek en hun talloze klonen in dit ongelukkige land.

Dit onderscheid wordt veroorzaakt door een verschijnsel waar dezer dagen gedurig tegen wordt gedemonstreerd: racisme. In Nederland ziet men dit niet graag onder ogen. Vandaar dat bij de berichtgeving over zulke betogingen niet het onderwerp centraal stond maar de vraag of hier geen coronaregels werden overtreden. Was dit het geval, zoals in Amsterdam of Rotterdam, dan ging het ineens over de onverantwoordelijkheid van de demonstranten. Gaven zij niet als het ware onze zorghelden een klap in het gezicht? Dreven zij niet de spot met de anderhalve-meter-terrassen, door onze vaderlandse kasteleins met zoveel precisie uitgemeten? Ook detecteerde men een gebrek aan solidariteit met de genadeloos opgehokte bewoners van de verpleeghuizen.

Racisme deed er ook niet toe in de wél waarderende verslaggeving als de demonstranten zich netjes aan de coronaregels hielden. Dan ging het namelijk dáárover en niet over hun grieven.

Racisme leidt er toe dat mensen die qua uiterlijk afwijken van de blanke meerderheid, daarop in het maatschappelijk leven worden afgerekend. Dat is mij en mijn broer nooit zo overkomen. Ik ben vaak genoeg voor een baan afgewezen maar nooit op grond van mijn achter- of mijn voornaam, dan wel mijn teint. Nimmer sluipt er in winkels een beveiliger achter mij aan.

Nooit ben ik op straat gefouilleerd of naar mijn paspoort gevraagd, behalve die ene keer toen ik een woordenwisseling had met een agent. Door dit document prompt te tonen ontnam ik hem de kans me te beboeten wat hij graag had gedaan en misschien ook wel terecht, maar dankzij mijn cultureel kapitaal en mijn woordenschat kon ik hoogst onaangenaam en uit de hoogte zijn zonder dat hij me kon betrappen op belediging. Kun je dat niet goed genoeg, dan ben je de lul. Steeds opnieuw. Deze achterstelling is een maatschappelijk probleem dat zich in de komende crisisjaren alleen maar heftiger zal aandienen.

De privileges die ik genoot, stonden los van mijn huidskleur. Die hadden daar weinig tot niets mee te maken. Ik heb gewoon gebruik gemaakt van alle rechten en mogelijkheden die de Nederlandse maatschappij mij biedt met zijn rijkdom, zijn burgerrechten en zijn democratie. Dat is geen privilege. Dat is een recht. De privileges hadden allemaal te maken met cultureel kapitaal.

Tegelijkertijd is het niet moeilijk om vast te stellen dat enkele miljoenen Nederlanders de uitoefening van dit recht niet wordt gegund, meestal vanwege huidskleur maar ook op grond van geslacht, seksuele identiteit of handicap. Volgens de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau Kim Putters heeft een kwart van alle Nederlanders daar concrete ervaringen mee.

Dit is niet acceptabel. Het gaat er niet om dat mensen op grond van hun huidskleur voorrechten genieten, het gaat erom dat mensen op grond van hun huidskleur géén onvervreemdbare rechten worden ontzegd. Dat is nu wettelijk niet maar in de praktijk maar al te vaak wél het geval. En te weinigen in Nederland willen dat horen. Daardoor wordt aan deze koe voorbijgegaan zonder dat ze bij de hoorns wordt gevat. De mooie praatjes van de premier over systhemisch racisme ten spijt.

Toen ik tegen mijn eindexamen aanzat, nam mijn vader mij apart: “Denk erom, als jij straks de arbeiders verraadt, dan kom ik ’s nachts bij je spoken.” Het is troostrijk dat hij nog niet langs kwam. Toch moet ik zijn dreigement niet onderschatten: hij zal zeker verschijnen als ik aan de kant blijf staan waar anderen rechten bevechten die voor mij altijd vanzelfsprekend zijn geweest.

Dat is het laatste privilege: zo’n vader die niet zal aarzelen mijn nachten te verstoren als ik het naar zijn idee verdien. Andere vaders blijven in de hemel gewoon met zo’n palmtakkie zwaaien.


Laatste publicatie van Han van der Horst

  • Zwarte Jaren

    Nederland in de Tweede Wereldoorlog

    2020


Geef een reactie

Laatste reacties (100)