4.937
40

Voorzitter van New Urban Collective

Mitchell Esajas (1988) is mede-oprichter en voorzitter van New Urban Collective een netwerk van studenten en young proffesionals van diverse achtergronden. Hij is als sociaal ondernemer betrokken bij diverse maatschappelijke projecten op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt, diversiteit en duurzaamheid. Mitchell studeerde Bedrijfswetenschappen en Antroplogie aan de Vrije Universiteit. Momenteel werkt hij part-time als programma manager Medische Antropologie op de Universiteit van Amsterdam.

Minder, minder, minder kansen op de arbeidsmarkt

De poort naar emancipatie via onderwijs en werk wordt voor veel minderheidsgroepen steeds vaker dichtgehouden door uitsluitingsmechanismen die zijn verweven in ons alledaags denken

Wilders’ belofte om ‘minder, minder, minder’ Marokkanen te regelen heeft geleid tot een stroom van aangiftes die het OM niet meer bij kon houden. Op zaterdag 22 maart verzamelden zich meer dan 9000 mensen van alle leeftijden, culturen en lagen uit de samenleving om zich uit te spreken tegen het racisme, de discriminatie en uitsluiting in de samenleving. De uitspraken van Wilders lijken, na de heftige Zwarte Piet discussie, een kantelmoment te zijn geweest in het publieke debat. Politici en burgers laten eindelijk horen dat Wilders nu te ver is gegaan.

Door: Eefje de Kroon en Mitchell Esajas
Maar Wilders’ uitspraken moeten niet worden gezien als populistische praatjes. Het zijn openbaringen van een diepgeworteld probleem van institutioneel racisme in Nederland. Deze ingebakken ongelijkheid in Nederland beïnvloed de arbeidsmarktpositie van Nederlanders van Marokkaanse afkomst, alsook andere migrantengroepen. Stereotyperingen van migrantengroepen maakt dat ze minder kans maken op een baan, zoals onlangs aangetoond door onderzoeken van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en het European Network Against Racism (ENAR). Er zijn en er komen niet minder Marokkanen, maar er is wel voor gezorgd dat ze veel minder kansen hebben om succesvol te zijn in onze maatschappij.

Een aantal maanden geleden stuurde een bedrijf per ongeluk een interne mail naar Jeffrey, een sollicitant; ‘heb nog even gekeken is niks. Ten eerste een donker gekleurde (neger)’. Heel Nederland viel over dit voorval. Want, zoals velen zeggen: racisme bestaat niet in Nederland. Helaas is Jeffrey’s ervaring geen uitzondering of anomalie. Dergelijke verhalen tonen slechts het topje van de ijsberg.

Voor een groot gedeelte van de Nederlandse gekleurde bevolking is arbeidsdiscriminatie al vele jaren een bekend feit, dat normaliter onder de tafel wordt geveegd. New Urban Collective (NUC), een netwerk van studenten en young professionals van diverse culturele achtergronden komt dit soort voorbeelden regelmatig tegen. Zo kreeg één van NUC’s leden, een Surinaamse rechten-student, tijdens haar stage-evaluatiegesprek bij een groot advieskantoor te horen dat ze haar geen contract zouden aanbieden omdat ze al een ‘excuus Marokkaan’ en een ‘troetelnegerin’ hadden. Normaliter wordt dit soort discriminatie met meer verhullende redenen omkleed, bijvoorbeeld omdat iemand ‘niet helemaal binnen de bedrijfscultuur past’. De poort naar emancipatie via onderwijs en werk wordt voor veel minderheidsgroepen steeds vaker dichtgehouden door uitsluitingsmechanismen die zijn verweven in ons alledaags denken.

Het SCP is duidelijk: de werkloosheid onder ‘niet-westerse migranten’ – waar ook Nederlanders van Antilliaanse, Surinaamse, Marokkaanse en Turkse afkomst onder vallen –  is ruim drie keer zo hoog als onder autochtonen. Met name jongeren ondervinden problemen. Uit het SCP rapport blijkt dat naast opleidingsniveau, werkervaring, en achterstand, de verschillen kunnen worden verklaard door discriminatie.  Volgens het SCP zijn selectiebeslissingen zijn niet etnisch neutraal en spelen vooroordelen bij werkgevers een rol, waardoor de instroom van werkzoekenden uit migrantengroepen wordt geblokkeerd.

Het recent gepubliceerde Nederlandse rapport van ENAR toont aan dat discriminatie een manifestatie is van een groter probleem van racisme op de arbeidsmarkt. Terwijl het SCP de oorzaken van de hoge werkloosheidscijfers onder migranten van elkaar scheidt, geeft het ENAR rapport aan dat dit het probleem probeert te versimpelen. Het lagere opleidingsniveau, het niet hebben van een startkwalificatie, en minder werkervaring zijn namelijk ook verschijnselen van structurele ongelijkheid, met name in educatie.

Er zijn bijvoorbeeld onderzoeken waaruit blijkt dat (basisschool) docenten lagere verwachtingen hebben van migranten kinderen, wat leidt tot lagere schoolresultaten en slechtere middelbare school adviezen. Vanwege culturele verschillen ontbreekt het ook vaak aan kennis van het schoolsysteem in Nederland onder migranten families. Derhalve moeten we discriminatie op de arbeidsmarkt zien als een keten in een vicieuze cirkel van discriminatie en ongelijke kansen, welke begint op de basisschool.

Als iemand met een migrantenachtergrond een baan vindt, wordt hij of zij geconfronteerd met verschillen in lagere salariering, minder kansen op promotie, en discriminatoire en racistische bejegening door colleagae of de baas. Incidenten worden helaas zelden gerapporteerd bij de daarvoor aangewezen instanties of werkgevers. Dit heeft volgens het ENAR rapport niet zozeer met wetgeving te maken maar te meer met onwetendheid van wat discriminatie en racisme is, hoe het kan worden herkend en hoe er op kan worden geanticipeerd, door zowel slachtoffers als daders en andere relevante partijen, zoals werkgevers.

In die zeldzame gevallen dat er een klacht wordt ingediend, of aangifte wordt gedaan, worden er vaak geen consequenties aan verbonden. Dit komt veelal omdat het heel erg moeilijk is om discriminatie te bewijzen. Onlangs gaf het Contactorgaan Moslims en Overheid aan dat de politie vanwege de lastige bewijspositie aangifte van discriminatie vaak niet wil registreren. Het vermoeden dat iemand is afgewezen voor een functie vanwege huidskleur, religie, afkomst, het dragen van een religieus symbool zoals hoofddoek, of buitenlands accent , moet worden onderbouwd met bewijs. Behalve die enkele keer komt het, vanzelfsprekend, vrijwel nooit voor dat een werkgever aangeeft dat iemand niet is aangenomen voor een functie omdat hij of zij een bepaalde huidskleur, religie of etniciteit heeft.

Deze rapporten en illustraties zouden ons moeten dwingen te kijken naar de oorzaken, in plaats van de symptomen, van de structurele ongelijkheid in Nederland. Arbeidsmarktdiscriminatie is een manifestatie van ‘institutioneel racisme’ in Nederland. Discriminatie in de toegang tot en op de arbeidsmarkt is niet een op zichzelf staand fenomeen maar past binnen het bredere kader van geïnstitutionaliseerd racisme en toegenomen xenofobie in Nederland. Dit houdt in dat mensen bewust, maar vaak ook onbewust, worden benadeeld op basis van huidskleur of etniciteit, waardoor ongelijkheid systematisch in stand gehouden wordt. Het uitspreken tegen, en aanpakken van Wilders’ uitlatingen is belangrijk, maar misleidend zolang we ontkennen dat het slechts symptomen zijn van geaccepteerd alledaags, en geïnstitutionaliseerd racisme.

Eefje de Kroon (1986) is jurist en onderzoeker voor het European Network Against Racism. Ze is tevens onafhankelijk consultant voor de Open Society Foundations op het gebied van xenofobie en racisme in Nederland. Ze doet momenteel een Master aan de School of Oriental and African Studies (Universiteit van Londen).

Geef een reactie

Laatste reacties (40)