Laatste update 17:52
1.033
3

Ingenieur en vooruitgangsfilosoof

Jasper Mekkes heeft gestudeerd in Wageningen, heeft een adviesbureau in
duurzame innovatie, werkt als docent en adviseur aan de duurzame
innovatie van het waterbeheer en publiceert regelmatig over de filosofie
achter duurzame vooruitgang.

Mindere Goden

Misschien moeten ook wij maar weer nieuwe goden en halfgoden gaan creëren, zoals de Oude Grieken dat in de tijd van Socrates deden

Goden
‘De dood van Socrates’, Jacques-Louis David 1787

Goed, slecht en het betere zijn loze begrippen voor mensen die vrije individuen niet los kunnen of willen zien van een vermeend uniform denkende groep. Toch had ook de verre voorouder van de moderne mens al een voorloper van wat wij nu ethiek noemen, een eigen besef van goed en slecht, daar in zijn man cave. Een onderscheid waardoor na verloop van tijd allerlei vormen van cultuur en natuurreligie ontstonden.

Die zogenaamd ‘primitieve’ aanhangers van een natuurreligie waren zo gek nog niet. Al het leven op aarde is immers ontstaan uit één grote ster die ontplofte en er is geen God behalve de natuur die heeft aangetoond dat te kunnen regelen.
Misschien was de levenswijze van de voorouder van de moderne mens en zijn ethiek wel zijn redding; een kosmische oerkracht die het goede behield en zich ontwikkelde door open te staan voor het betere.

In ieder geval bewees hij al dat het openstaan voor het betere geen garantie is voor zelfbehoud. Maar misschien was het wel een teken van goed zorgen voor jezelf; voor de kosmische oerkracht waar we allemaal uit zijn ontstaan. Een kracht die vooruit wil en sterker wil worden, door steeds het beste te kiezen – als het nodig is met gevaar voor eigen leven – voor de continue ontwikkeling van individuen naar het betere.

De tragiek van het lot is dat natuurreligies zich vervolgens onder invloed van nieuwe beschavingen ontwikkelden tot monotheïstische religies, waarin altijd weer individuen opdoken die het systeem uit naam van die ene God misbruikten voor het neerdrukken van iedereen die boven het maaiveld uitstak.

Het is juist daarom interessant om eens stil te staan bij die momenten in de geschiedenis waarop de beschaving zo’n niveau had dat de Avant-garde van individuen, zij die geestelijk boven het maaiveld uitstaken, ondanks alle neerdrukkende krachten, toch belangrijke invloed wist te krijgen op het wereldtoneel.

Het Athene onder de heerschappij van Perikles was zo’n tijd, die duurde van 460 tot 430 v. Chr. En in de wat meer recente geschiedenis is de vroege sociaaldemocratie in het Nederland van eind 19de, begin 20-ste eeuw tot aan het begin van de eerste wereldoorlog een inspirerend voorbeeld.

Omdat de evolutie van de mens zo langzaam gaat dat wij fysiek niet verschillen van de oude Grieken of SDAP-ers zijn vooral de omstandigheden die in vroeger tijden leidden tot de opkomst van een Avant-garde interessant om eens te onderzoeken.

Wat opvalt is dat één van die omstandigheden; de mate van (dreiging van) onderdrukking, chaos en geweld, tijdens dergelijke periodes een belangrijke inspiratie lijkt te zijn geweest voor de Avant-garde om zich geestelijk te ontwikkelen; door zichzelf te verheffen boven de massa – en individuen in die massa te inspireren door het goede voorbeeld te geven. Het goede, de verheffing door de wil tot waarheid, dat voortkomt uit het slechte, het willen neerdrukken; oftewel de wil tot macht.

Zo leefde Socrates tijdens de Peloponnesische oorlogen. Hij nam er zelf ook aan deel, en tijdens de slag bij Delion viel hij, net als met zijn filosofie, op door zijn moed.

De filosoof Socrates had de moedige gewoonte zijn stadgenoten aan te spreken op hun integriteit, door hen te vragen zichzelf te verantwoorden, en hem te laten zien welke relatie er was tussen henzelf en de logos (de rede).1

Socrates, die de eerste helft van zijn leven in het Athene van Perikles leefde, vond namelijk dat je levensfilosofie en de manier waarop je die in de praktijk brengt, iets zegt over de mate waarin je voor jezelf zorgt – en daarmee over de mate waarin je in staat bent anderen te inspireren om ook voor zichzelf te zorgen.

De oude SDAP-ers, die bezig waren een internationaal solidaire groep mensen te verbinden in hun strijd tegen de onderdrukking van arbeiders door de heersende klasse wisten heel goed dat er voor de gevestigde orde geen effectievere manier is om het verzet tegen de onderdrukking te breken dan door een beroep te doen op de nationalistische gevoelens van een deel van de bevolking. Gevoelens die tot een hoogtepunt komen door het fabriceren van een gemeenschappelijke vijand.

Er was voor de machthebbers alleen nog maar een aanleiding voor een grote vaderlandse oorlog nodig. Een oorlog die uiteindelijk, naast over onderdrukking van de arbeiders die nu soldaten waren geworden, ook over kapitaal zou gaan. En dan met name over de heerschappij over kolen en staal voor de almaar toenemende industrialisatie – ten bate van onder meer de wapenwedloop. Maar de oorlog had bijvoorbeeld ook als inzet de zeggenschap over de koloniën van de Europese mogendheden.

Uit alle macht probeerden vooruitstrevende SDAP-ers de volgende onderdrukking, die door oorlog, tegen te gaan – door de arbeider te helpen goed voor zichzelf te zorgen, ofwel te verheffen, met een sociaal democratisch maandblad als De Nieuwe Tijd, kranten als de Tribune, het Volksdagblad en Het Volk of gedichten en pamfletten zoals de Mei van Gorter en, toen de eerste wereldoorlog eenmaal uitgebroken was, Het Socialistisch Proletariaat en de Vrede door Henriëtte Roland Holst. Maar ook met het binnen de vele culturele verenigingen van arbeiders in den lande opvoeren van muziek en toneelvoorstellingen en het uitnodigen van binnen- en buitenlandse (vaak ook sociaal democratische) denkers.

Verheffing door voorbeelden te stellen van al die verschillende manieren om goed voor jezelf en je natuur te zorgen door uit de massa te ontsnappen, als alternatief voor het neerdrukken ter ere van één God, of die nu macht, geld, nationalisme, een neerdrukkende vorm van een religie of, zoals in onze tijd, het neoliberalisme en de mantra van de markt heet.

Ieder interbellum lijkt wel weer vol hoop te zijn. Hoop die verheft maar die de gevestigde orde ook aanzet om de massa terug te duwen, naar beneden, met onderdrukking, chaos, geweld en … uiteindelijk ook vaak oorlog.

Misschien moeten ook wij maar weer nieuwe goden en halfgoden gaan creëren, zoals de Oude Grieken dat in de tijd van Socrates deden met Achilles, Agamemnon of bijvoorbeeld de Fenicische prinses Europa. Of zoals de SDAP-ers dat deden in de persoon van mensen als Henriëtte Roland Holst, Herman Gorter, Frank van der Goes, Herman Heyermans, Floor Wibaut en Jan Fortuyn. Halfgoden die streden in de wolken van een mythologie respectievelijk in de alledaagse praktijk van een vooruitstrevend idee als het vroege internationale socialisme.

Dat polytheïsme heeft Athene in ieder geval geen windeieren gelegd; in een relatief kleine stad met op haar hoogtijdagen iets meer dan 200.000 inwoners ontstonden vele nog steeds wereldberoemde filosofen, waaronder Socrates en Plato. En Socrates zelf was natuurlijk net als de oude SDAP-ers ook een voorbeeld waaraan de gewone Griek zich kon optrekken zoals aan de avonturen van de (half)goden, gezien er volgens de spreekbuis van de Griekse goden, het orakel van Delphi, ‘niemand wijzer dan Socrates’ was.

Hij was in ieder geval van een dermate niveau dat hij zichzelf na die bewering van het orakel eerst eens aan een kritisch onderzoek ging onderwerpen. Kritisch zelfonderzoek als voorwaarde voor verheffing lijkt me noodzakelijk voordat we de geschiedenis gaan tarten in de hoop dat het met onze verheffing beter af zal lopen dan met die van Socrates en zijn nalatenschap tijdens de vroege middeleeuwen of met Henriëtte Roland Holst en haar droom van internationale solidariteit, die in duigen viel in de zomer van 1914 – met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Uiteindelijk werd de Academie, die gesticht was door een leerling van Socrates; Plato, in 529 n. Chr. getroffen door onheil, omdat ze door de (christelijke) keizer Justianus werd gesloten, samen met de Stoa van de Stoïcijnen, het Lyceum van Aristoteles en de Tuin van Epicurus, als laatste bastions van het Griekse heidendom. De tijd van de duistere middeleeuwen brak aan.

De eerste Christenen die in die vroege middeleeuwen naar het noorden van Europa trokken om de heidenen te onderwerpen volgden dezelfde tactiek als Justianus: om het Christendom in het zadel te helpen moest eerst het veelgodendom en bijbehorende natuurreligie van de oude Germanen worden afgeschaft.

De Christelijke priesters die ervoor in de plaats kwamen onderscheidden zich niet in de eerste plaats door het niveau van hun persoonlijke levensfilosofie. Ze waren in essentie een doorgeefluik voor de macht die de ene God onder de oude Germanen wilde vestigen. Een macht die alleen geconsolideerd kon worden met een neerdrukkend machtssysteem dat met voorchristelijke gebruiken werd vermengd om het acceptabeler te maken voor de ‘barbaren’.

Het celibaat had een belangrijke plaats in die gebruiken, als symbool voor het zuivere leven van Plato en de naakte waarheid van de cynici. Het was een gebruik dat de oerdriften moest intomen als bewijs van een zuivere en ware leer, om aanspraak te kunnen maken op die belangrijke rol als vooruitgeschoven post van de Paus; de plaatsvervanger van God op aarde.

Desondanks bleven die oerdriften hun weg naar buiten zoeken, via bloeddorstige erupties zoals de kruistochten en de vele inquisities met bijbehorende moordpartijen op andersdenkenden.

In Nederland werd met de beeldenstorm een eind gemaakt aan het veelgodendom waarnaartoe het katholicisme in de loop der tijden met haar heiligen-verering door de natuurlijke aanleg van de mens weer terug-geëvolueerd was. Het misschien toch wat magere resultaat was de installatie van een Oranje-koning.

Zijn machtsbasis was het orthodoxe protestantisme, onder meer van geuzenleider van Lumey. Dat puriteinse geloof vermengde de Nederlandse politiek vanaf het roemruchte ontstaan van de nieuwe staat op intrinsieke wijze met religie. Veel gereformeerden van SGP-huize doen dat nog steeds; voor hen is de koning weinig minder dan de nieuwe plaatsvervanger van God op aarde.

Nee, geef mij dan Socrates maar, die hield zich ook in zijn tijd al bewust afzijdig van de politiek opdat hij vrijmoedig de waarheid zou kunnen blijven spreken. Of de SDAP-ers van Henriëtte Roland Holst, die hun vooruitstrevende politiek deden vergezellen van ideeën, in literair hoogstaande geschriften neergeschreven, met een sociale ethiek van zelfopoffering, naastenliefde en een geloof in de overwinning van het goede.

1 Michel Foucault, De Moed Tot Waarheid, blz. 174

Dit artikel werd geschreven in het kader van de Maand van de Filosofie

Geef een reactie

Laatste reacties (3)