2.252
30

Socioloog

Merijn Oudenampsen (1979, Amsterdam) is socioloog en politicoloog. Sinds januari 2011 doet hij als promovendus onderzoek naar populisme en culturele studies bij de Universiteit van Tilburg. Hij was gastredacteur van de 20e editie van het tijdschrift Open, de Populistische Verbeelding. Hij schrijft regelmatig voor boeken, bladen en tijdschriften, over stadsontwikkeling, kunst, politiek, filosofie en wat dies al niet meer zij.

Mistvorming rond het neoliberalisme

De VVD ontkent dat het neoliberalisme bestaat, maar blies er zelf jarenlang de loftrompet over

Volgens een net gepubliceerd boekje van het wetenschappelijk bureau van de VVD is het neoliberalisme een nonsenswoord, een verschijnsel dat slechts in de linkse verbeelding bestaat. Vandaar de titel van de publicatie: ‘Neo-liberalisme: een politieke fictie’. Linkse mensen zouden het neoliberalisme gebruiken als scheldwoord voor alles wat zij verafschuwen. En of we daar alsjeblieft mee op kunnen houden. Patrick van Schie liet weten in Trouw dat hij hoopt dat het woord per direct “uit het publieke debat verdwijnt”. Hier een korte weerlegging.

De auteurs stellen dat de term neoliberalisme bedacht is door tegenstanders. Dit is incorrect. De term neoliberalisme is gezamenlijk gemunt door een groep liberale intellectuelen ten tijde van het zogenaamde Walter Lippmann colloquium in Parijs in 1938. Een deel van deze groep zou in 1947 de Mont Pèlerin Society (MPS) oprichten, een besloten netwerk gecreëerd door intellectuelen als Friedrich Hayek, Milton Friedman, George Stiegler, Karl Popper, Walter Eucken, Ludwig von Mises en Frank Knight. Er zijn tot op de dag van vandaag jaarlijkse conferenties. Directeurs van denktanks als de Heritage Foundation en Institute of Economic Affairs nemen deel, en zouden later de politiek van Reagan en Thatcher mede vormgeven. De Nederlandse VVD-politicus Frits Bolkestein is vanaf de jaren negentig lid van de MPS.

Doctrine
Deze stroming presenteert zich in de jaren vijftig aan de hand van een reeks van teksten expliciet als ‘de neoliberale beweging’. “Gone are the days when the few outmoded liberals walked their paths lonely, ridiculed and without response from the young”, zou Hayek schrijven naar aanleiding van de eerste MPS-bijeenkomsten, “at least personal contact among the proponents of neoliberalism has been established”. Zo is er tevens een bekend artikel van Friedman met als titel ‘Het neoliberalisme en zijn vooruitzichten’. Daarin pleit hij om “de doctrine, welke veelal het neoliberalisme wordt genoemd” te verspreiden als “een nieuw geloof”. Het begrip wordt op vergelijkbare neutrale of positieve wijze gebruikt door MPS-leden als Ludwig von Mises, Walter Eucken, Jacques Rueff, Ludwig Erhard, Albert Hunold, Müller-Armack, Röpke en Rüstow.

De auteurs stellen dat de term neoliberalisme in Nederland is geïntroduceerd door de SP. Dit is incorrect. In Nederland verbindt de VVD zich in 1952 met het neoliberalisme bij monde van oprichter P.J. Oud. Op de openingsrede van de jaarlijkse algemene vergadering van 25 april 1952, stelt hij verheugd vast dat “men voor het neoliberalisme, dat wij voorstaan, meer en meer oog begint te krijgen”. Referenties aan Hayek en Röpke in toenmalige VVD-teksten laten er geen misverstand over bestaan. Onder de term neoliberalisme wordt inderdaad de ideologie verstaan die binnen het netwerk van de MPS is uitgedacht. Het neoliberalisme weet in de jaren vijftig niet door te breken, maar de Nederlandse kranten uit die tijd staan vol met discussies over het neoliberalisme. Het zou een belangrijke, zo niet dominante, stroming blijven binnen de VVD die echter nimmer als zodanig wordt genoemd in de liberale geschiedschrijving. Zo liet Mark Rutte een tijdje geleden in Elsevier weten zijn politiek te baseren op het werk van Hayek.

Verzamelterm
De auteurs stellen – in schijnbare contradictie met het eerste punt – dat het neoliberalisme wel degelijk bestaan heeft in de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog. Het zou echter om een wezenlijk ander gedachtegoed gaan, dan wat we vandaag de dag onder neoliberalisme verstaan.

Dat is betwistbaar. Het neoliberalisme is vanaf het begin af aan een verzamelterm waarbinnen drie voornaamste stromingen kunnen worden onderscheiden: de Oostenrijkse School (o.a. Mises, Machlup, Hayek), de Duitse ordoliberale school (o.a. Eucken, Röpke, Müller-Armack, Erhard, Rüstow), en de Amerikaanse Chicago School (o.a. Friedman, Stiegler, Knight, Director). Deze stromingen verschillen van gedachte wat betreft de mate van overheidsingrijpen (het ordoliberalisme legt meer nadruk op de sterke staat) en kennisleer (de Chicago School is positivistisch, de andere twee meer theoretiserend). Ze vinden elkaar in een negatieve positionering ten opzichte van laisser faire en klassiek-liberalisme enerzijds en het keynesianisme en centrale planning anderzijds. De basale these van het neoliberalisme is dat de bestaansvoorwaarden voor de vrije markt gerealiseerd moeten worden door overheidsingrijpen. Of daar een grote of juist een kleine overheid voor nodig is en wat precies het domein van overheidsingrijpen is, daar verschillen de meningen over.

Ordoliberalen
De truc die de auteurs proberen uit te halen, is het neoliberalisme uit de jaren vijftig te reduceren tot ‘het overwegend Duitse neoliberalisme”. Vervolgens worden de contrasten met de andere substromingen kunstmatig dik aangezet. Als het Duitse ordoliberalisme een sterke staat bepleitte, dan kan het huidige neoliberalisme toch niet tot eenzelfde ideologie worden gerekend? Maar de auteurs verzuimen te vermelden wat ordoliberalen onder de sterke staat verstaan: een overheid die sterk genoeg is om de vrije markt te verdedigen en de druk van ‘belangengroepen’ te weerstaan die willen dat de overheid ingrijpt in de economie. Deze belangengroepen waren enerzijds kartels en monopolies van bedrijven, maar evenzeer vakbonden en kiezers die aandrongen op sociale rechtvaardigheid en herverdeling. Daar zou de politiek niet naar moeten luisteren. De staatsopvatting van de ordoliberalen is dan ook zeer autoritair en sceptisch ten opzichte van democratie.

De auteurs stellen dat dit ordoliberale gedachtegoed inmiddels buiten beeld is geraakt. Er zijn vooraanstaande en invloedrijke stemmen, die het met deze interpretatie zeer oneens zijn. Zij stellen dat het ordoliberalisme springlevend is en laten zien dat het veel raakvlakken heeft met wat we vandaag de dag onder neoliberalisme verstaan. De huidige Europese Unie zou volgens dit perspectief gegrond zijn in de ordoliberale principes van Walter Eucken: de vrije markt gewaarborgd en geïmplementeerd door een autoritaire staat. Dit programma van een ordoliberaal Europa, zo laten zij zien, heeft veel overeenkomsten met hedendaags neoliberalisme (vrijhandel, liberalisering, flexibilisering en deregulering):

In een beschouwing over het Europa van de toekomst zal Euckens idee van vrijheid in zekerheid dus centraal dienen te staan. In de Europese praktijk is dit vrijheidsidee uitgewerkt in de Vier Vrijheden van de Interne Markt: het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal. […] Hieraan te mogen meewerken is een voorrecht, maar ook een enorme uitdaging. […] De Europese Commissie en de Raad hebben deze uitdaging onderkent (sic) en erop gereageerd met een ambitieus programma van deregulering en flexibilisering, zoals opgesomd in de slotverklaring van de top van Lissabon van maart van dit jaar. Wanneer het complete pakket voorgestelde maatregelen van Lissabon kan worden ingevoerd, zou dit een enorme vooruitgang betekenen in de richting van een op ordoliberale leest geschoeid Europa.”

Bolkestein
Het is de stem van de toenmalige Eurocommissaris Frits Bolkestein, voormalig leider van de VVD en tot voor kort voorzitter van het curatorium van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD. Volgens de eigen geschriften van de Teldersstichting is het ordoliberalisme een vorm van neoliberalisme en is Bolkestein daarmee een neoliberaal. De identificatie van de EU met het ordoliberalisme is overigens geen eenmalig incident. De academische literatuur staat er vol mee. En Bolkestein is niet de enige vooraanstaande figuur die Europese instituties met het ordoliberalisme associeert. Hier Mario Draghi, president van de Europese Centrale Bank:

In this context, it is worth recalling that the monetary constitution of the ECB is firmly grounded in the principles of ‘ordoliberalism’, particularly two of its central tenets: first, a clear separation of power and objectives between authorities; and second, adherence to the principles of an open market economy with free competition, favouring an efficient allocation of resources.”

Hoe is het mogelijk dat de auteurs van het VVD-boekje het ordoliberalisme voor dood verklaren? De voormalige voorzitter van hun eigen curatorium blijkt immers een van de voornaamste vertegenwoordigers te zijn. Tenzij er sprake is van een merkwaardig gebrek aan communicatie binnen de Teldersstichting, heeft het er alle schijn van dat dit boekje is geschreven met het doel om te verhullen, eerder dan bloot te leggen. De publicatie, aangekondigd als een poging om de mist te verdrijven die rond het begrip neoliberalisme hangt, kan nog het beste beschreven worden als een poging tot mistvorming.

Dit is een ingekorte versie van de reactie op het stuk van Patcrick van Schie. Voor de volledige weerlegging met referenties zie MerijnOudenampsen.org.


Laatste publicatie van MerijnOudenampsen

  • boek merijn

    De conservatieve revolte

    Een ideeëngeschiedenis van de Fortuyn-opstand

    2018


Geef een reactie

Laatste reacties (30)