Laatste update 22:03
1.367
10

Schrijver

Ties Teurlings (1993) studeerde aan de kunstacademie in Breda. Op zijn twintigste deed hij mee aan het Leids Cabaret Festival en hierna werkte hij als acteur in de Efteling. Deze veelzijdige Brabander liep in 2015 de pelgrimsroute van het Franse Saint-Jean-Pied-de-Port naar Santiago de Compostella in Spanje. Begin 2017 verscheen zijn debuutroman Krentenkoppen, Grappige en ontroerende verhalen over zijn opa en oma.

Moeder Berenklauw

Waar we ook keken, ze bleken alléén aan de overkant van het slootje welig te tieren. De berenklauwen stonden op een eilandje, volledig omringd door water.

cc-foto- Jan Ubels

Mijn moeder wilde berenklauwen voor op het tafeltje naast de tv. Volgens haar zijn die nu heel populair onder huisvrouwen uit de provincie. Toen ik van de zomer nog werk -en doelloos rondfietste in Amsterdam-Noord had ik er een veldje vol van zien staan vlakbij mijn huis. Gisteren kwam mijn moeder op bezoek. Ze wilde graag naar het veldje. Ze had er zelfs een snoeischaar voor meegebracht uit Brabant. Dus húp, daar gingen we vanmiddag met z’n tweeën, op de fiets door de regen op jacht naar berenklauwen.

‘Daar!’ gilde mijn moeder wild enthousiast. ‘Daar staat er een!’
We stapten af. Boven de struiken stak een enorme berenklauw uit als Langnek boven het sprookjesbos. Mijn moeder was inmiddels niet meer te houden. ‘Dáár! Nog eentje! Oh, die is écht mooi!’
Het enige dat ons van al die rijkdom scheidde was een modderig slootje van ongeveer een meter breed. ‘Zal ik er overheen springen?’ stelde ik voor.
‘Néé, niet doen! Dat haal je niet, Ties. En dan is je broek vies en dan kunnen we weer naar huis.’
Verlangend keek mijn moeder met de snoeischaar in de hand naar de overkant. Ondertussen trok ik mijn jas uit en hing die stilletjes over mijn bagagedrager. Ik deed een stap naar voren.
‘Ties, je doet het níet! Hoor je me!? Niet springen! Dat haal je nooit!’
‘Oké… Ik deed weer een stap naar achter.
De man die zich wilde bewijzen was inmiddels in mijn wakker geworden. De bodem was zichtbaar, bedekt met een laag bladeren. ‘Het is niet zo diep,’ constateerde ik, ‘ Ik kan mijn fiets er wel inzetten en er dan eroverheen klimmen?’
‘Nee, zót! Dan valt je fiets om en zit je alsnog helemaal onder de modder.’
Ze keek om zich heen. ‘Er zullen er hier toch ook nog wel een paar staan?’

Met de fiets aan de hand zochten we verder. Waar we ook keken, ze bleken alléén aan de overkant van het slootje welig te tieren. De berenklauwen stonden op een eilandje, volledig omringd door water. ‘Het kán toch niet dat ze alleen op dat eilandje groeien?’ Terwijl mijn moeder rondscharrelde in de bosjes zag ik mijn kans schoon. Geruisloos deed ik een paar stappen achteruit en nam een aanloopje… ik sprong. ‘TIES, NEE!’ Veilig belandde ik aan de overkant. Mijn Nikes zakten diep weg in de modder. Ik wankelde maar bleef staan. Ik draaide me om. Mijn moeder stond glimlachend naar me te kijken. ‘Ik wist wel dat je het zou doen. Ik wíst het…’
Ik glimlachte terug. ‘Welke wil je hebben?’

Met mijn armen voor mijn gezicht waadde ik me door de prikkelbosjes. Ik stapte over bemoste wortels en stammen. Verderop liep een schim met een snoeisnaar met me mee. Eindelijk kwam de eerste berenklauw in zicht. ‘Deze was het toch?’
‘Ja. Die is prachtig. Wat een grote, hè?’
‘Gooi die schaar maar.’
Mijn moeder begon onderhandse bewegingen met haar arm te maken. ‘Een…twee…drie…’

Ze gooide. De snoeischaar glipte door mijn vingers en belandde tien meter verderop in een struik. Ik ging erachteraan. Toen ik de schaar had gevonden stortte ik me op de eerste stam.
‘Doe maar een beetje in het midden,’ corrigeerde mijn moeder, ‘ anders krijg ik hem niet in de trein…’
Een minuut laten kiepte de berenklauw om als een boom in het tropisch oerwoud. Mijn moeder stond te springen. ‘Ja! Goedzo! We hebben hem!!!’
Met het gevaarte in mijn handen liep ik naar de sloot. Mama stak haar beide armen uit. Als een speer wierp ik de berenklauw naar de overkant. Ze ving hem uit de lucht. ‘YES!’ Dolgelukkig keek ze op naar haar plant. ‘Deze is móói zeg! Maar die wil ik ook nog hebben, die daar…’

Vijf berenklauwen later stond ik weer klaar op de plek waar ik was overgesprongen. De overkant leek nu wel iets verder dan eerst. Ik keek naar mijn moeder. De berenklauwen stonden achter haar tegen de fietsen.
‘Zeg eens tegen me dat ik het kan.’
‘Je kan het,’ zei mijn moeder vastberaden. ‘Je hebt genoeg ruimte, gewoon een aanloopje nemen. Je kunt het!’
Mijn hart klopte in mijn keel. Moeder telde af: ‘een, twee… drie!
Ik sprong. ‘NAAR VOREN VALLEN!!!’ Met de hakken over de sloot bereikte ik de overkant. Mijn moeder trok me overeind. ‘Is je broek nat?’
‘Nee.’
‘Gelukkig.’
We keken elkaar aan. ‘Vind je mij een lieve zoon?’
‘Een hele lieve zoon,’ zei mijn moeder. Ze gaf me een zoen. ‘Dankjewel. Ik ben er heel blij mee.’

Die avond vertrok mijn moeder met zes berenklauwen in de trein terug naar Brabant. De conducteur die haar kaartje controleerde vond ze ook heel mooi.
Ze staan nu thuis in een vaas naast de tv.


Laatste publicatie van Ties Teurlings

  • Krentenkoppen

    2017


Geef een reactie

Laatste reacties (10)