2.700
11

Blogger

Kauthar is. In plaats van proberen het 'wat' in dit hokje te stoppen, stapt ze liever daarbuiten om kennis te maken met degene die dat 'wat' überhaupt wil leren kennen. Koffie?

Mooi weer

'Ik moet een beetje lachen om zijn vriendelijke en nieuwsgierige onbeholpenheid, maar het gesprek is wat mij betreft voorbij'

cc-foto: Hans Splinter
cc-foto: Hans Splinter

Utrecht. Ik maak een wandeling naar het station.
‘Hey, lach eens even. Niet zo chagrijnig, ’t is mooi weer.’
Het is inderdaad mooi weer. Met een kleine moeite had ie me aan het lachen kunnen krijgen, maar zo’n afgezaagde opmerking werkt niet.

Even later vraagt een jongeman om geld. Iets met eten en daklozenopvang. In zijn woorden kan ik niet precies vinden wat ik zoek, in zijn ogen ook niet. Een Koranvers schiet door mijn hoofd, ik geef hem het voordeel van de twijfel.

‘Ontzeg de vragende niet.’

Halverwege onze conversatie komt een derde meneer erbij staan. Hij stelt zich beschermend naar me op. Als de jongeman weg is, raken we aan de praat.
Hij: ‘Waarom deed je dat?’
Ik mis even de woorden om het uit te leggen.
Ik: ‘Gewoon. Weet niet. Ik hoop dat ie verantwoordelijkheid neemt.’ Hij: ‘Wat denk je zelf?’ Moi: ‘Tja.’ Hij: ‘Wel goed van je.’

Ik haal mijn schouders op. Op een ervan krijg ik een klopje. Tja, denk ik dan weer, inwendig gniffelend. Principes kennen soms zo hun eigen ironie.
Hij: ‘Mooi. Dat.’
Ondertussen maakt hij gebarend een cirkel om zijn eigen hoofd. Dan:
‘Waar kom je vandaan?’

Ik weet, net als net bij de letterlijke verwijzing naar mijn hoofddoek, wat ie bedoelt. Ik denk in een flits onder andere aan mijn grootouders, zilt zeewater, droge woestijnen, groene olijfbomen en zoete muntthee die ook door mijn bloed stroomt. Ik krijg daar een warm gevoel van, maar iets in deze specifieke vraag maakt dat ik niet de behoefte voel daarover te vertellen. Het is niet voor het eerst.

Ik kijk hem dan ook stoïcijns aan en heb bijna medelijden met hem omdat ik weet wat nu gaat gebeuren.
‘Amsterdam.’
De punt die ik nadrukkelijk achter mijn antwoord zet blijft hangen. Meneer lacht, een beetje ongemakkelijk.
‘Haha, ja, ik eigenlijk ook, mijn ouders. Echt waar. Met de oorlog enzo. Ja. Tja. Je bent moslims hè. Heb je mooi haar?’
Weer een gebaar rond zijn eigen hoofd. Ik moet een beetje lachen om zijn vriendelijke en nieuwsgierige onbeholpenheid, maar het gesprek is wat mij betreft voorbij en ik maak aanstalten om weer verder te lopen.
‘Dag meneer.’
Hij lacht ook. Ik ben blij dat te zien.
‘Dag!’

Even later hoor ik hem roepen. Ik draai me om.
‘Hey, fijne dag hè!’
Weer een gebaar. Dit keer een duimpje omhoog.
Ik zwaai en wens hem hetzelfde toe.

Gniffelend loop ik verder. Mooi weer. Toch gelachen.

Oprecht onbeholpen wint nog steeds van afgezaagd.

Geef een reactie

Laatste reacties (11)