6.034
74

Onderzoeker fac. Rechtsgeleerdheid EUR

Wouter de Been is sinds 2008 postdoctoraal onderzoeker aan de Faculteit der rechtsgeleerdheid van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Sinds 2009 werkt hij hier aan een onderzoeksproject over conflicten in de multireligieuze samenleving. In dit project wordt geprobeerd tot een meer dynamische en open interpretatie te komen van klassieke idealen als neutraliteit, scheiding van de kerk en staat, godsdienstvrijheid, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting.

Moreel narcisme

Ons zelfbeeld als ultieme goeierds verdraagt zich slecht met externe kritiek

Nederlanders zien zichzelf als ‘goed’ en kunnen amper accepteren dat er kritiek op ze wordt geuit. Dat is het gevolg van een narcistisch moreel zelfbeeld waar hoognodig iets aan gedaan moet worden, betoogt Wouter de Been.

Er was de laatste maanden veel gedoe over de omgang met vreemdelingen en minderheden in Nederland. Het afroepen van ‘Code Oranje’ door Lodewijk Asscher over de verwachte stortvloed aan Bulgaren en Roemenen — die zich vanaf 1 januari vrij zullen kunnen bewegen in Europa  — leidde tot ijzige reacties in Brussel. (Reacties die Asscher binnenlands-politiek overigens niet slecht zullen zijn uitgekomen.)

Het jaarlijks terugkerende fenomeen van de Zwarte-Pieten discussie trok deze keer ook de aandacht van de buitenlandse media en zelfs van een panel van de Verenigde Naties die het gaat onderzoeken. De interventie van Anouk in deze Pietendiscussie maakte van haar vervolgens een mikpunt van racistische reacties. De rel over de tenenkrommende grappen van Gordon ten koste van de Chinese deelnemer aan Holland’s Got Talent werd internationaal een item. Er was verder opschudding over een Nederlandse werkgever die een kandidaat afserveerde “ten eerste” omdat hij “een donker gekleurde neger” was.

De Raad van Europa uitte in een rapport kritiek op vormen van racisme in Nederland. Kritiek die vervolgens goeddeels werd weggewuifd. Tot slot werd vorige maand door het kabinet besloten om wederom geen verder onderzoek in te stellen naar misdaden van het Nederlandse leger in voormalig Nederlands Indië, ook al zijn daarover recentelijk weer nieuwe feiten aan het licht gekomen. We moeten vooruit kijken was de boodschap van het kabinet.

Patroon
Deze kwesties zijn uiteraard heel verschillend, maar er is wel een algemeen patroon in te ontdekken. Steeds wordt een overschrijding van internationale norm, een achterhaalde culturele praktijk, een pijnlijke misstap, een slecht gekozen frase, of een problematische uitspraak aangekaart en de Nederlandse publieke opinie reageert als door een wesp gestoken. Zo zijn wij niet. Dit is een grotesk misverstand. De Nederlanders zijn de ‘good guys’. Zelfs de gedachte dat er een zweem van racisme of discriminatie zou kunnen bestaan in onze omgangsvormen, onze tradities, ons dagelijks taalgebruik, of onze werkwijzen wordt opgevat als een vileine verdachtmaking.

De reacties zijn voorspelbaar.
“Die buitenlanders begrijpen niets van onze gebruiken.” 
“Het is overdreven politieke correctheid.”
“Er zijn toch wel serieuzere kwesties. Hebben deze instanties niets beters te doen, dan Nederland te onderzoeken.”
We lijken daarmee wel een natie van morele narcisten. Ons zelfbeeld als ultieme goeierds, als moreel ijkpunt van de wereld, als mensen zonder vezel van kwaadaardigheid verdraagt zich kennelijk slecht met externe kritiek. De critici hebben duidelijk niet begrepen wat de verhoudingen zijn. Wij zijn degenen die anderen met de vinger terechtwijzen, niet degenen die terechtgewezen worden.

Attitude
Deze onverdraagzaamheid voor kritiek is meer dan alleen een culturele eigenaardigheid, het heeft een aanzienlijke invloed op onze omgang met vreemdelingen en minderheden. Attitude doet ertoe. De meeste landen hebben formeel plechtig beloofd in hun constituties en in internationale verdragen dat ze de rechten van kwetsbare groepen zullen beschermen. Dat is in Nederland ook helemaal voor elkaar. Het maakt echter een enorm verschil wat de lokale cultuur en tradities zijn, wat de heersende houding is ten aanzien van deze waarborgen.

Waar het gaat om tolerantie en de bescherming van burgerrechten zijn er volgens de Amerikaanse filosoof Michael Walzer drie soorten landen. Ten eerste zijn er landen die in hun geschiedenis verschrikkelijk in de fout zijn gegaan en die door schade en schande hebben geleerd dat ze tot onvergeeflijke wandaden in staat zijn. Deze landen zijn tot het inzicht gekomen dat ze zichzelf niet kunnen vertrouwen en zien de rechtsstatelijke normen om dergelijke misstanden in de toekomst te voorkomen in tamelijk absolute termen. Ze hebben de les geleerd van Odysseus die zich aan de mast van zijn schip liet vastbinden om de zang van de Sirenen te kunnen weerstaan en die aan zijn bemanning opdracht gaf om hem nog steviger vast te binden als hij zou schreeuwen om te worden bevrijd. Voorbeelden van deze eerste categorie zijn de Bondsrepubliek Duitsland met zijn Nazi verleden en de Verenigde Staten met zijn geschiedenis van slavernij en segregatie. In deze landen heeft de rechterlijke macht de opdracht gekregen om de rechten van minderheden te bewaken, zonodig tegen het meerderheidssentiment in. Net als Odysseus dragen de bevolkingen van deze landen hun magistraten eigenlijk op om ze te stoppen als ze wederom hun goede oordeel verliezen en minderheden dreigen te vernederen.

Goede wil
Naast deze moreel besmette landen zijn er natuurlijk ook naties die géén besmet verleden met zich meedragen, in ieder geval niet op het eerste gezicht. Deze groep landen zien constitutionele waarborgen vaak in veel minder absolute termen. Hun tradities en houding ten opzichte van burgerrechten en mensenrechten steunen veel meer op de gedachte dat ze mensen van goede wil zijn, dat ze van nature geneigd zijn tot het goede. Zij vatten de rechtsstatelijke en mensenrechtelijke normen veeleer op als een soort mission statement, als een uitdrukking van hun drang naar rechtschapenheid.

Deze landen vallen volgens Walzer uiteen in twee groepen: Landen die werkelijk nog nooit een ernstige misstap hebben begaan — Luxemburg, Noorwegen, of Finland zijn wellicht voorbeelden — en landen die weliswaar menen dat ze nooit over de schreef zijn gegaan, maar die bij nadere beschouwing misschien toch wat lijken in de kast blijken te hebben. Australië is daarvoor een goed voorbeeld. Australiërs hebben zich losgemaakt uit het Britse Imperium en zien zichzelf als een open, moderne, rechtvaardige natie waar immigranten uit de hele wereld volledig tot hun recht kunnen komen. In deze opgewekte idylle is echter nauwelijks plaats ingeruimd voor de Aboriginals en het historische onrecht dat hen is aangedaan. Omdat de Australiërs zichzelf niet collectief willen zien als mogelijke voortbrengers van fundamenteel onrecht is de omgang met Aboriginals tamelijk verkrampt. De claims van de Aboriginals verstoren het zelfbeeld van Australiërs als ruwe bolsters met een blanke pit, als vertrapten die zelf ooit slachtoffer waren van het Britse juk.

Nederland heeft ook kenmerken van deze laatste categorie landen. We lijken grote historische misstappen zoals ons aandeel aan de slavernij, onze koloniale onderdrukking van het Indonesische streven naar vrijheid, of onze tekortkomingen in Srebrenica maar het liefst zo snel mogelijk te willen vergeten. Het past niet in ons zelfbeeld van voorbeeldland dat andere landen voorleeft hoe mensen met elkaar dienen om te gaan.

Moreel
We zien Nederland liefst als moreel kompas van de wereld, als thuis van het internationale recht. Als er al iets fout gaat dan zetten we dat het liefst in de sleutel van de burgermeester-in-oorlogstijd — goede mensen die in moeilijke omstandigheden verschrikkelijke keuzes moeten maken.

Dit narcistische morele zelfbeeld speelt ons parten als legitieme vragen rijzen over Zwarte Piet. Een grote meerderheid van allochtone Nederlanders ervaart Sinterklaas als een tamelijk achterlijk en racistisch gebruik. En ze hebben een punt. Heeft u al eens goed gekeken naar de afbeeldingen van Zwarte Piet met zijn dikke rode lippen en onnozele blik op verpakkingen en illustraties, of geluisterd naar de teksten die we zingen: ‘Ook al ben ik zwart als roet, meen het toch goed.’ In plaats van enige introspectie en reflectie op de manier waarop de Sinterklaastraditie in de 21ste eeuw opnieuw kan worden vormgegeven, leiden deze bezwaren slechts tot een verkrampte afwijzing van iedere kritiek.

Dit moreel narcisme brengt ons op het verkeerde pad als de Raad van Europa legitieme problemen aankaart over hardnekkige vormen van racisme en discriminatie in de Nederlandse samenleving, of als een volkszanger op stereotypen van Chinezen teruggrijpt die de rest van de wereld allang vaarwel heeft gezegd. En het haalt niet het beste in ons naar boven als het gaat om de erkenning van onze transgressies in voormalig Nederlands Indië.

We laten ons vooral kennen als nazaten van Droogstoppel, niet van Sjaalman. (Als we onze fouten toegeven, dan komen er vast schadeclaims.) We zouden er goed aan doen te accepteren dat niets menselijks ons vreemd is, dat we even feilbaar zijn als de landen die we graag kritiseren. Moreel narcisme is moreel infantilisme. Het wordt tijd dat we volwassen worden.          

Geef een reactie

Laatste reacties (74)