520
11

publicist

Jaap Hamburger is voorzitter van Een Ander Joods Geluid. Een Ander Joods Geluid is een actiegroep, die zich - juist uit verbondenheid met het lot en het voortbestaan van Israël - het politieke debat en de kritische meningsvorming over Israël en de bezette gebieden ten doel stelt. Dit zonder te tornen aan het bestaansrecht van de staat Israël.

Nederland moet stelling nemen

Het zou wenselijk zijn als de minister ondubbelzinnig erkent dat de mensenrechten wereldwijd nog altijd zwaar onder druk staan, zoals Human Rights Watch nog recent betoogde

Uri Rosenthal, Minister van Buitenlandse Zaken, heeft sinds zijn aantreden duidelijk gemaakt dat er wat staat te veranderen in het buitenlands beleid. Het beleid moet primair opkomen voor Nederland en de Nederlanders, heeft hij nadrukkelijk aangegeven, in de Kamer en in de media. De vraag is wat dit nieuwe beleid betekent voor de traditionele rol van Nederland als ondersteuner van mensenrechten en mensenrechtenorganisaties wereldwijd. De invulling van het Nederlandse Mensenrechtenfonds in 2011 geeft alle reden tot zorg over antwoord.

Hoewel hij er geen absolute tegenstelling van wil maken heeft de minister gezegd zich politiek het meest verwant te voelen aan de ‘realistische school’, afgezet tegen degenen die vooral vanuit ‘moralistische afwegingen’ werken. Wetenschappelijk geschoold als hij is, vermijdt Rosenthal de populaire typering van een dergelijke voorkeur – ‘liever koopman dan dominee’ -, maar de strekking is overduidelijk: de minister kiest voor de rol van koopman, die idealisme wegzet als ‘moralisme’. Toch koestert ook Rosenthal idealen, zoals zal blijken als Israël ter sprake komt.

In de media heeft Rosenthal het belang van mensenrechtenbeleid, het paradepaardje van zijn voorganger Maxime Verhagen, gerelativeerd en dat in een wereld waar mensenrechtenschendingen aan de orde van de dag zijn. In een interview in de Volkskrant zei de minister mensenrechten wel als pijler te zien binnen zijn buitenlands beleid, maar daar selectief mee om te willen gaan; energie, tijd, aandacht en middelen moeten dus ook ‘selectief’ worden ingezet.’‘Selectief’ betekent hier: beperkt.
De relativering van het mensenrechtenbeleid lijkt voortvarend ter hand genomen te worden, getuige ook de plannen voor het Nederlandse Mensenrechtenfonds in 2011. Naast de onder Verhagen ingestelde mensenrechtenambassadeur is dit fonds sinds enkele jaren een van de middelen om vorm te geven aan het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Het fonds ‘richt zich op financiering van activiteiten op het gebied van mensenrechten ter ondersteuning van de doelstellingen van het Nederlands buitenlands beleid’. In 2010 bedroeg het budget van dit fonds € 27,5 miljoen. Voor 2011 is eenzelfde bedrag gereserveerd.
Vergeleken met vorig jaar zitten in de nieuwe bestedingsplannen voor het Mensenrechtenfonds echter cruciale verschillen. De nadruk wordt ook daar gelegd op ‘vrede en veiligheid’ en ‘mensenrechten en economische ontwikkeling’. Activiteiten van ambassades gericht tegen discriminatie worden echter niet meer ondersteund, net zo min als activiteiten ter versterking van de rechtsstaat, of ter ondersteuning van de implementatie van een scala aan EU-richtlijnen, onder meer op het gebied van doodstraf, marteling, en kinderen en gewapend conflict.
Daar komt bij, geheel in de geest van de koopman, dat het Mensenrechtenfonds in 2011 opengesteld wordt voor aanvragen door bedrijven of organisaties uit de private sector, terwijl het voorheen alleen openstond voor lokale organisaties, overheidsinstellingen en vertegenwoordigingen van internationale organisaties. Bij gelijkblijvend budget maakt dit de spoeling dunner, in een tijd van economische crisis waarbij vooral veel non-gouvernementele organisaties het al zwaar voor de kiezen krijgen. Afgaande op wat door het Ministerie naar buiten is gebracht kan het cumulatieve effect van deze beleidswijziging in de besteding van de beschikbare middelen drastische gevolgen hebben.
Als voorbeeld kan dienen het actieve beleid van de Nederlandse ambassade in Israël, die de afgelopen jaren via het Mensenrechtenfonds diverse Israëlische organisaties heeft ondersteund. Daaronder waren organisaties als B’Tselem en Breaking the Silence, die zich beide bezighouden met het handhaven van de mensenrechten in een situatie van bezetting, en met het overeind houden van de democratische rechtsorde in Israël.

De steun aan Breaking the Silence zorgde in 2009 nog voor diplomatieke wrijving tussen Nederland en Israël. Het nieuwe kabinet heeft in zijn regeerakkoord aangegeven een ‘intensivering van de relatie met Israël’ na te streven. De vraag is echter gewettigd of deze voorgestane ‘intensivering’ van de banden met Israël alleen de Israëlische regering geldt – die permanent de internationale rechtsorde tart – of tenminste ook de Nederlandse steun aan de Israëlische mensenrechtengemeenschap, die de eigen regering kritisch volgt.

Deze gemeenschap is namelijk de afgelopen jaren steeds meer onder druk komen te staan, door een scala aan ontwikkelingen. De medewerking van verschillende Israëlische mensenrechtenorganisaties aan het Goldstone-rapport over de Gaza-oorlog (december 2008 – januari 2009) leidde tot felle reacties vanuit de Knesset (het Israëlisch parlement), media en samenleving. Een campagne van de nationalistische organisatie Im Tirtzu probeerde het New Israel Fund – een groot Israëlisch-Amerikaans fonds dat een veelheid aan organisaties en projecten in Israël ondersteunt, waaronder veel mensenrechtenorganisaties – in diskrediet te brengen. De vicepremier, Moshe Ya’alon, zag in veel van deze organisaties ‘een vijand van binnenuit’, en de landelijke krant Maariv verweet hen een ‘vijfde colonne’ te zijn. Er zijn een kleine twintig wetsvoorstellen ingediend direct of indirect gericht tegen deze NGO’s.

ACRI, Israël’s meest vooraanstaande burgerrechtenorganisatie, waarschuwt voor het wegzetten van veel mensenrechtenactivisten en -organisaties als niet-loyaal, niet-patriottisch en onbetrouwbaar, en betitelt de sfeer in de Knesset en de samenleving jegens hen als een van ‘McCarthyisme’. Deze tendens doet afbreuk aan het democratisch gehalte van de staat, aldus ACRI.

Nederland heeft de afgelopen jaren van mensenrechten een speerpunt gemaakt in zijn buitenlands beleid, niet uit ‘moralisme’ maar uit een combinatie van idealisme en eigenbelang, vanuit het inzicht dat  naleving door overheden van burgerlijke en politieke rechten van burgers een noodzakelijke voorwaarde is voor elke vorm van ontwikkeling. Daarmee is op lange termijn een Nederlands belang gediend is, dat verder strekt dan de korte termijnwinsten van de koopman.

De prioriteiten van minister Rosenthal, en de manier waarop aan besteding uit het Mensenrechtenfonds in 2011 vorm zal worden gegeven, doen vermoeden dat de minister dat idealisme niet deelt, en van nederlands eigenbelang een veel benauwder opvatting koestert.

Het zou daartegenover wenselijk zijn als de minister ondubbelzinnig erkent dat de mensenrechten wereldwijd nog altijd zwaar onder druk staan, zoals recentelijk Human Rights Watch nog betoogde. Het is aan Nederland om hier als ontwikkelde natie, die de democratische rechtsstaatidealen heet te zijn toegedaan, verantwoordelijkheid in te tonen. Dat betekent aandacht geven en middelen verstrekken. Dat vraagt om een minister met een ambitie die verder reikt dan ambassades te degraderen tot handelsposten, en diplomaten tot afgezanten van het bedrijfsleven. Met zo’n opstelling brengt de Minister Nederlandse belangen op den duur schade toe, in plaats van die te bevorderen. Het vraagt ook om een minister wiens ‘brede kijk’ op de internationale verhoudingen verder reikt dan slechts steun uit te spreken voor intensivering van de banden met Israël.

Geef een reactie

Laatste reacties (11)