6.117
101

dichter en directeur van Bureau Wijland, partner in Duurzaamheid en Diversiteit

Ghulam Qader Shafiq (1968) is een Nederlander met Afghaanse achtergrond, 
geboren in Kabul. Hij woont sinds 1994 in Nijmegen, is getrouwd en heeft twee 
kinderen. 
In 2005 ontving hij de Burgemeester Dalesprijs.

Nederland, Wij-land

In deze dagen van angst en terreur, die één doel hebben; ons uit elkaar drijven, denk ik aan alles wat we hier hebben: een keurig georganiseerde beschaving die wij met elkaar delen

cc-foto: Sebastiaan ter Burg

Mijn jeugdvriend Mirwais was de zoon van een onderwijsminister van het Afghaanse regime, dat na de invasie van de Russen werd afgezet. Zijn vader werd gearresteerd. Niet de marionetten van de vreemde agressor, maar iedereen die bij dat verdreven regime hoorde, werd als landverrader gezien. De familie van Mirwais werd geëxcommuniceerd. Ze werd uitgesloten van banen en een kans op beter onderwijs. De bittere armoede trof moeder, zusters, broertje en Mirwais zelf. Een groot onrecht jegens de familie van een geleerde, die als minister het analfabetisme in Afghanistan bestreed. Gelukkig kon Mirwais met een andere geboorteakte als zoon van zijn oom zijn leven voortzetten. Als tienjarig kind kende ik dit geheim van mijn leeftijdsgenoot. Pas twintig jaar later, toen ik met hem op de toen nog Oekraïense Krim op vakantie was, vertelde hij mij in tranen over die moeilijke jaren.

De afgelopen weken heb ik veel aan het fenomeen volksverrader moeten denken. Als student in de voormalige Sovjet-Unie kreeg ik een keer te horen dat ik een ‘anti-sovjetist’ was. Dat was je als je de sovjet-oorlogshandelingen in je moederland afkeurde. Met de komst van perestrojka werden vele ‘vragi naroda’, vijanden van het volk, gerehabiliteerd. De ‘glasnost’ maakte mogelijk dat zij met hun verhalen op de televisie kwamen. De meesten van deze volksverraders waren vreedzame wetenschappers, kunstenaars en mensenrechtenverdedigers. Eén van hen, de Nobelprijswinnaar Andrej Sacharov, werd mijn held.

Toen ik voor het eerst de grote Nederlandse dissident Willem Oltmans op tv zag praten, was ik er meteen van overtuigd dat ik als vluchteling voor het juiste land had gekozen. De man die tegen de Staat der Nederlanden procedeerde en verklaarde dat prins Bernhard, de vader van het staatshoofd, in het geheim met de Nederlandse vijand Soekarno over Nieuw-Guinea onderhandelde, kreeg podium in alle media. Hij zou uiteindelijk miljoenen aan smartengeld ontvangen.

Ik reflecteerde op mijn leven in Nederland. De vrijheden die ik hier heb. Een grondwet met daarin mijn rechten en mijn plichten. Ik kan hier in alle vrijheid vertellen dat ik tegen het beleid van de regering ben. Sterker nog, ik zat in een televisieprogramma de oud-minister en NAVO-baas Jaap de Hoop Scheffer te bekritiseren. Terwijl we het met elkaar absoluut oneens waren, konden we na afloop van het programma gezellig met elkaar lunchen en praten over dingen die ons bonden: passie voor andere culturen, het Nederlands, hardlopen… Tot op de dag van vandaag ben ik niet gearresteerd.

In deze dagen van angst en terreur, die één doel hebben; ons uit elkaar drijven, denk ik aan alles wat we hier hebben. Een keurig georganiseerde beschaving die wij met elkaar delen, ongeacht welke religie, cultuur of politieke overtuiging wij hebben. Een ‘Wijland’ waarvan wij verdiend een beetje dankbaarheid en loyaliteit nemen. Dat kunnen wij tonen door minstens elkaar in elkaars waarden te laten. En voorkomen dat er menselijke zielen, zoals toen die van Mirwais, vertrapt worden.

Geef een reactie

Laatste reacties (101)