Laatste update 21:26
1.991
74

Universitair hoofddocent, UvA

Joost van Spanje is universitair hoofddocent politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is gespecialiseerd in onderzoek naar de reacties van de gevestigde orde op nieuwe politieke partijen. Dit omvat juridische reacties (bijv. strafvervolging), politieke reacties (bijv. cordons sanitaires) en media-reacties (bijv. doodzwijgen). Joost is winnaar van de Jaarprijs Politicologie 2010, van een NWO Veni-onderzoeksbeurs in 2012 en van een NWO Vidi-onderzoeksbeurs in 2015.

Nee tegen het kabinet?

Het referendum, de regering en de kiezers

“Dit is geen referendum dat gaat over het huidige kabinet.” Peter Kanne (I&O Research) en Martin Rosema (Universiteit Twente) schonken vorige week klare wijn op Joop. Dat is nodig ook, want bij het vorige nationale referendum was de mythe van een luid ‘nee tegen het kabinet’ hardnekkig.

cc-foto: hinke
cc-foto: hinke

“Van de weeromstuit stemmen mensen voor of tegen Europa, voor of tegen asielzoekers, voor of tegen het kabinet.” Oud-fractievoorzitter en Europees Parlementariër Bob van den Bos (D66) opperde op 20 januari in Trouw dat het referendum van 6 april over het kabinet zal gaan. Dat idee is vast gestoeld op een wijdverbreid misverstand over het vorige nationale referendum, op 1 juni 2005.

Dat misverstand is dat het overweldigende ‘nee’ destijds (62% van de uitgebrachte stemmen) vooral gericht was tegen het toenmalige kabinet. Afgelopen maand nog stond in NRC Handelsblad een terugblik op dat referendum onder de kop: “Heerlijk: nee zeggen tegen de regering.” Oud-minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot (CDA) bleek de uitslag van dat referendum op die wijze te verklaren.

Eerder hadden andere politici zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten. PvdA-kamerlid Diederik Samsom bijvoorbeeld zei op 28 mei 2005 tegen Trouw: “Al zijn ze voor de Grondwet, dit zien ze als de kans om tegen het kabinet te stemmen.” Diezelfde dag vertrouwde oud-premier Dries van Agt de Telegraaf toe bang te zijn dat de Grondwet zou worden “weggestemd uit protest tegen de regering.”

Over het Franse referendum beweerden politici hetzelfde. Dat vond plaats drie dagen voor het Nederlandse en ging over hetzelfde onderwerp: het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa. Journalist Hendrik Jan Schoo merkte in de Volkskrant op “dat Nederlandse politici het Franse ‘nee’ heel goed meenden te kunnen duiden: een ordinaire proteststem tegen de regering-Raffarin.”

Ook onder sommige journalisten leefde dit idee. Volgens onze nieuwsmedia was de proteststem tegen de regering niet alleen in Nederland, maar in het algemeen een belangrijke factor in een EU-referendum – of het nu Ierland, Estland of Spanje betrof. En over het Franse referendum meldde alleen Het Financieele Dagblad al viermaal dat kiezers het gebruikten als evaluatie van de regering.

NRC Handelsblad liet op 21 mei 2005 een klein aantal Rotterdamse kiezers aan het woord die ‘vooral eigenlijk tegen het kabinet’ stemden. De kop boven het artikel citeerde een van hen: “We laten ze weer eens goed zweten.” Het Parool meldde anderhalf jaar na dato “dat in het referendum over de Europese grondwet (…) tegen het kabinet werd gestemd.” Maar dit bleek niet uit onderzoek.

Kiezersonderzoek
Andrew Glencross (Universiteit van Stirling) en Alex Trechsel (Europees Universitair Instituut) analyseerden kiesgedrag bij de volksraadplegingen over de Europese Grondwet in 2005 in Spanje, Frankrijk, Nederland en Luxemburg. In geen van de landen vonden ze aanwijzingen voor dominantie van nationale politiek in kiezersoverwegingen – ook niet van stemmen tegen de nationale regering.

Meer in het algemeen baseren kiezers zich in een EU-referendum vooral op EU-gerelateerde zaken. Niet op iets specifieks als de Grondwet – die las vrijwel niemand – maar op algemenere EU-onderwerpen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit analyse van kiesgedrag in tientallen volksraadplegingen door Sara Hobolt (London School of Economics). Zuiver tegen een regering stemmen lijkt zeldzaam.   In Nederland bleek uit een onderzoek door TNS/NIPO in opdracht van de Europese Commissie dat maar 14% ‘nee’ zei te hebben gestemd als protest tegen de regering. In analyses van Andreas Schuck en Claes de Vreese (beiden Universiteit van Amsterdam) en van Marcel Lubbers (Radboud Universiteit Nijmegen) speelde de nationale politiek ook slechts een ondergeschikte rol.   Wellicht het uitgebreidste kiezersonderzoek over het referendum op 1 juni 2005 was dat van Henk van der Kolk en Kees Aarts (beiden Universiteit Twente). Hun enquête onder 1.227 kiezers bevatte onder andere een rechtstreekse open vraag naar redenen voor de nee-stem. Wat bleek? “Niet meer dan 2 procent van de nee-stemmers geeft aan vooral tegen de regering te hebben gestemd.”

Op dit punt bestond consensus. “Er zijn niet veel kiezers die woensdag primair tegen gaan stemmen omdat ze tegen het kabinet zijn,” zei opiniepeiler Maurice de Hond op 26 mei 2005 in de Volkskrant. En onderzoekers Willem Bosveld en Jeroen Slot (O+S) schreven op 2 juni in Het Parool dat de nee-stem “niet primair moet worden opgevat als een proteststem tegen het kabinet-Balkenende.”

Toegegeven, onderzoekers zijn niet onfeilbaar. En het is lastig meten, omdat afkeer van de regering-Balkenende vaak samenging met standpunten betreffende EU-zaken die een grote rol speelden in het referendum, zoals oppositie tegen Turks lidmaatschap en de euro. Maar in geen enkel wetenschappelijk onderzoek waren er aanwijzingen dat het ´Nee´ vooral tegen het kabinet was.

Toch was niet iedereen overtuigd. Uit Het Parool van 3 juni 2005: “Het ‘Nee’ woensdag was niet primair een protest tegen het kabinet (…) beweerden opiniepeilers gisteren. Parool-redacteur Liedewij Loorbach denkt daar heel anders over.” Volgens Loorbach was er gestemd “tegen de Nederlandse politici, tegen Balkenende.” En ze beet die politici toe: “Maar zelfreflectie, ho maar.”

Zo blijven sommigen koppig in mythes geloven. Maar zelfreflectie, ho maar.

Graag bedank ik Claes de Vreese (UvA) voor nuttig commentaar op een eerdere versie.

Geef een reactie

Laatste reacties (74)