1.847
35

Publicist

Jan Krikke is voormalig correspondent voor de GPD en het FD in Tokio, managing editor voor uitgeverij Asia 2000 in Hong Kong en Azië-correspondent voor de Automatisering Gids en de IEEE. Hij is de auteur van 'A Corridor of Space' (Olive Press, Amsterdam) en thans semi-gepensioneerd in Thailand.

Neoliberalisme, de dollar en China

De dollar heeft de kenmerken van een casinofiche aangenomen, het is te hopen dat China haar groeiende macht verstandiger gebruikt dan de VS 

Het groeiende verschil tussen arm en rijk wordt meestal toegeschreven aan het economische beleid, gericht op marktwerking en deregulering. Deze “neoliberale” trend lijkt haast niet te keren. Het neoliberalisme dateert uit de jaren 1970 maar talloze verkiezingen in de VS en Europa hebben geen ommekeer teweeg gebracht. Als we dieper graven in de evolutie, de neoliberale golf die over de wereld spoelt, dan zien we waarom het zo moeilijk is om het tij te keren, maar ook dat een omslag is begonnen.

De neoliberale trend werd ingezet door President Jimmy Carter eind jaren 1970. Carter dereguleerde de markt voor energie, banken en de transportsector, die beschermd werden door verschillende belangengroepen. In eerste instantie leek de consument te profiteren van de liberalisering. “Prijsvechters” verschenen op het toneel. Vliegen werd 40% goedkoper. Carters opvolger Ronald Reagan accelereerde de trend en gaf deregulering en marktwerking een populistisch kader: de trickle-down economie. Als het bedrijfsleven vrij baan kreeg, zo was de redenering, dan zou de werkgelegenheid en welvaart voor iedereen toenemen.

De neoliberale economische theorie, samen met zijn politieke broertje, het neoconservatisme, was deels een reactie op de progressieve Sixties, maar het was niet democratisch. Men stelde onomwonden dat democratische controle over de economie niet nodig was omdat marktwerking efficiënter was. In andere woorden, de markt wist het beter dan de kiezer. Dit verbluffende antidemocratische principe wordt vandaag, na 40 jaar van toenemende concentratie van rijkdom, financiële zeepbellen en een groeiend aantal voedselbanken, nog altijd openlijk verdedigd door een belangrijk deel van de politieke klasse. De grote vraag is waarom, maar het antwoord wordt duidelijk als we een oud gezegde hanteren: Follow the money.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de Amerikaanse dollar de internationale “reserve currency” (reservemunt), een soort ijkpunt voor de valuta van andere landen. Deze zogenaamde Bretton Woods-overeenkomst zorgde voor financiële stabiliteit in de naoorlogse jaren, maar had een opvallende bepaling. In Wikipedia lezen we het volgende: “Het systeem van Bretton Woods voorzag in de invoering van een stelsel van vaste wisselkoersen. Bijzonder was dat alleen de dollar tegen een vaste hoeveelheid goud kon worden ingewisseld bij de Amerikaanse Centrale Bank. Voor alle andere valuta werd wel een vaste wisselkoers met de dollar bepaald, maar zij waren echter niet direct inwisselbaar tegen goud.”

De VS werd feitelijk de bankier van de wereld. Bretton Woods hield stand tot 1971, toen president Richard Nixon de overeenkomst eenzijdig opzegde door de dollar los te koppelen van goud. Dollars konden niet meer worden ingeruild tegen goud. Mede oorzaak was de oorlog in Vietnam en groeiende Amerikaanse tekorten op de handels- en betalingsbalansen. De dollarvoorraad groeide sneller dan de goudvoorraad. In 1970 was de gouddekking van Amerikaanse bankbiljetten nog maar 22%. Een belangrijk detail: kort voordat Nixon besloot Bretton Woods op te zeggen had zijn minister van Buitenlandse Zaken, Henry Kissenger, met Saudi-Arabië bedongen dat het land uitsluitend de dollar zou gebruiken voor de verkoop van olie.

Het einde van Bretton Woods had niet direct invloed op de status van de dollars als reservemunt en de dollar bleef een van de belangrijkste economische wapens van de VS.

Het leeuwendeel van de internationale handel en grondstoffen worden in dollars gefactureerd, wat betekent dat de meeste landen dollars nodig hebben. De buitenlandse reserves van veel landen bestaan voor het grootste deel uit dollars. Een dollarbiljet in een buitenlandse kluis is feitelijk een rentevrije lening aan de VS. Bovendien kan de VS alles kopen wat in haar eigen munteenheid wordt verhandeld en kan het land in theorie niet failliet gaan. Cruciaal is wel dat de wereld het geloof in de dollar behoudt.

Het grootste component van de in dollars geprijsde internationale handel is energie. Zonder de “petrodollars” zou het dollarsysteem niet lang standhouden. Controle over de wereldwijde energiemarkt valt in de VS onder de noemer van “national security” en de stok achter de deur is het Amerikaanse leger. Het leeuwendeel van de Amerikaanse militaire aanwezigheid in de wereld (ruim 300 militaire bases) concentreert zich op oliebronnen en transportroutes. Een voormalig onderminister in de Bush-regering, Catherine Austin Fitts, verklaarde met opvallende openhartigheid: “Mijn beoordeling is dat 90% van de waarde van de Amerikaanse dollar afkomstig is van het Amerikaanse leger.”

Het belang van de VS om de petrodollar in stand te houden is de afgelopen decennia herhaaldelijk gedemonstreerd. In de jaren 1990 besloten diverse landen, waaronder Iran, Irak, Libië en Venezuela, hun olie tegen andere valuta te verkopen. Ze hebben daar een hoge prijs voor betaald. Maar de VS heeft nu te maken met rebellen die zich niet lenen voor “regime change“, waaronder Rusland en China. Beide landen vormen een bedreiging voor de petrodollar – China als koper en Rusland als verkoper van energie. China is sinds kort ’s werelds grootste importeur van olie en betaalt steeds vaker in de Chinese munt. 

Kort na het uitbreken van de financiële crisis in 2008 kwamen zowel China als Rusland met voorstellen om het bestaande internationale monetaire stelsel te hervormen op basis van een nieuwe internationale reservemunt, bestaande uit verschillende valuta. De Amerikaanse president Barack Obama verwierp het voorstel, niet verwonderlijk want de “dollarhandel” levert Wall Street miljarden op. Het Amerikaanse aandeel in de wereldhandel is ongeveer 20%, maar de dollar was vorig jaar betrokken bij 90% van de mondiale valutahandel. Vorig jaar bereikte de internationale valutahandel ruim $5 triljoen per dag. Ter vergelijking: de waarde van de Amerikaanse economie is ongeveer $16 triljoen per jaar. 

Kortom, de dollar heeft de kenmerken van een casinofiche aangenomen. De grote vraag is hoe lang dat nog kan duren. Dat het Amerikaanse leger verantwoordelijk is voor 90% van de waarde van de dollar kan overdreven zijn, het lijdt geen twijfel dat de dollar zonder haar status als reservemunt dramatisch zou kelderen, met catastrofale gevolgen voor de wereldeconomie. De ironie wil dat democratische krachten niet in staat zijn dit casinokapitalisme een halt toe te roepen, maar dat het nominaal communistische China het dollarsysteem op termijn zal afbreken.

China beschikt over $3,8 triljoen in buitenlandse reserves, waarvan ongeveer de helft uit dollars bestaat. Het ligt niet voor de hand dat China haar dollars massaal verkoopt. Dit zou de waarde van de dollar sterk verminderen. Maar de veranderende machtsverhouding tekent zich af. Sommige economen stellen dat China al de grootste economie ter wereld zou zijn als de waarde van de dollar en de Chinese munt op reële economisch fundamenten werd gebaseerd. China werd vorig jaar de grootste handelsnatie ter wereld en het is onvermijdelijk dat de Chinese munt op termijn aan een internationale opmars gaat beginnen. Daar kunnen zelfs de schimmige neoliberalen niets aan veranderen. Het is te hopen dat China haar groeiende macht verstandiger gebruikt dan de VS.

Geef een reactie

Laatste reacties (35)