448
2

Eerste Kamerlid PvdD

Sinds juni 2007 lid van de fractie van de Partij voor de Dieren in de Eerste Kamer. Eerder werkzaam op het gebied van reclame en voorlichting, onder meer als adviseur bij campagnes van de SP. Verder betrokken geweest bij de omroepen Nutopia en Llink.

Nieuwe politiek: de motie van vertrouwen

Staatssecretaris Teeven vroeg het vertrouwen van de Kamer. Hij was niet de eerste en zal waarschijnlijk ook niet de laatste zijn

Minister Teeven was duidelijk tijdens het debat over de dood van Dolmatov. Hij kon en wilde niet verder met het ‘voordeel van de twijfel’. Daarmee was hij de derde bewindspersoon die expliciet om een vertrouwensvotum van de Kamer vroeg.

In het ongeschreven Nederlandse staatsrecht geldt een negatief geformuleerde vertrouwensregel: een regering mag uitgaan van het vertrouwen van het parlement zolang niet nadrukkelijk sprake is van ontbrekend vertrouwen bij een meerderheid. Elders in het steeds inniger samenwerkende Europa ligt de vertrouwensregel heel anders. Frankrijk is een voorbeeld, evenals de Bondsrepubliek Duitsland, waar de bondskanselier de vertrouwensvraag kan stellen in het kader van de mogelijkheid van parlementsontbinding.

Ontbreken van vertrouwen kan op verschillende manieren blijken. In de Nederlandse politieke cultuur laat men het liever niet zover komen dat de noodrem gehanteerd moet worden van een met Kamermeerderheid aangenomen motie van wantrouwen. Als zo’n motie in de lucht hangt ontstaat er al snel onrust en opwinding die niet bevorderlijk is voor de werking van de politieke en staatsrechtelijke antenne van de bewindspersoon en betrokken Kamerleden.

In 1995 eiste Winnie Sorgdrager tijdens het van Randwijck debat het vertrouwen van de Kamer en kreeg dat ternauwernood, waardoor ze kon aanblijven. In 1996 eiste Robin Linschoten het vertrouwen van de kamer tijdens het debat over de commissie van Zeijl in de CTSV affaire, kreeg geen motie van vertrouwen en stapte op. Minister Teeven voegde zich in de rij van vertrouwen vragende bewindslieden toen hij tijdens het Dolmatov debat luid en duidelijk stelde niet verder te willen op basis van het ‘voordeel van de twijfel’.

Opportunisme
Wat in deze situatie wringt, is dat opportunisme een belangrijker rol lijkt te spelen in de keuzes van de Kamer dan dualisme. Had het Dolmatov debat een jaar eerder plaatsgevonden, dan was het onwaarschijnlijk geweest dat het CDA een motie van wantrouwen onder gelijke omstandigheden gesteund zou hebben. Even onwaarschijnlijk als dat in gelijke omstandigheden de PvdA als oppositiepartij de motie van wantrouwen niet gesteund zou hebben.

Ook nu hadden diverse leden van de Partij van de Arbeid-fractie moeite om hun vertrouwen niet te onthouden aan Fred Teeven, maar hield fractiediscipline en regeringsverantwoordelijkheid ze in het gareel. Toen Marianne Thieme, fractievoorzitter van de Partij voor de Dieren, insprong op dat ongemak door voor het eerst in de parlementaire historie een motie van vertrouwen in te dienen met de aankondiging die zelf niet te zullen steunen, leverde dat irritatie op bij verschillende partijen. Verwijten als zou er sprake zijn van een ‘staatsrechtelijk monstrum’ of van ‘politieke spelletjes’, kwamen zelfs van partijen die erom bekend staan het staatsrecht te beheersen en te bewaken.

Vernieuwing
Het staatsrechtelijke ongemak begint echter bij de bewindspersoon die vraagt om vertrouwen en daarmee handelt in afwijking van de negatieve vertrouwensregel. Dat een parlementslid via een motie van vertrouwen vervolgens een regeringscoalitie dwingt in een hoofdelijke stemming kleur te bekennen is niet te duiden als een monstrum of een spelletje, maar hooguit als politieke vernieuwing.

De vertrouwensregel zoals die nu geldt is bewust ongeschreven gelaten zodat die mee kan groeien met de omstandigheden en verhoudingen op enig moment. Het zou heel goed kunnen dat dat moment nu is aangebroken. Toetsing daarvan kan al snel plaatsvinden via het debat over Bulgaarse bendes die de belastingdienst oplichten, terwijl de belastingdienst daar wel kennis van heeft en de staatssecretaris niet.

Staatsrechtelijke irritatie
In elk geval moet minister Teeven leven met een motie waarin de Kamer het door hem gevraagde vertrouwen ten volle uitspreekt. Die motie kreeg 0 stemmen voor en 144 tegen. Even domineerde oneigenlijke staatsrechtelijke irritatie de wezenlijke vragen over recht en rechtvaardigheid die de aanleiding voor het debat vormden. Het overleven van een minister werd belangrijker geacht dan een inhoudelijk oordeel over de dood van een politiek vluchteling en de politieke consequenties daarvan. Dat is niet alleen frustrerend voor de familie van Dolmatov, maar ook voor iedereen die zich sterk maakt voor verbetering van het vreemdelingenbeleid in het algemeen en de vreemdelingedetentie in het bijzonder.

Fracties die zeggen dat ze niet tegen de inhoud maar wel tegen de aard van de motie van vertrouwen gestemd hebben, proberen het staatsrecht in ijzer en beton te gieten, waar juist het ongeschreven staatsrecht in tijden van politieke verandering ruimte laat voor vernieuwend denken. Daar lijken veel traditioneel denkende politici helaas nog niet voor open te staan.

Geef een reactie

Laatste reacties (2)