7.750
70

Promovendus/schrijver

Dennis Schep (1985) woont sinds 2007 in Berlijn, waar hij als promovendus onderzoek doet naar autobiografische structuren. In 2005 richtte hij het theaterfestival Morgensterren op, en in 2006 publiceerde hij het literaire tijdschrift Paperwaste. Hij is de auteur van meerdere wetenschappelijke artikelen en het boek "Drugs; Rhetoric of Fantasy, Addiction to Truth." Daarnaast organiseert hij cursussen bij The Public School Berlin.

Nooit meer werken

Is het niet mogelijk een samenleving te creëren waarin werkloosheid juist een teken van welvaart is?

Een week of twee geleden sprak Lodewijk Asscher op een congres in Den Haag over automatisering. Hij schetste een verontrustend beeld: het zou wel eens zo kunnen zijn dat er in de toekomst voor veel mensen geen betaald werk meer is.

Vooral de lagere inkomens worden bedreigd door robots en machines. Asscher’s uitspraken sluiten aan op een artikel uit The Economist van begin 2014, waarin gesteld wordt dat bijna de helft van de huidige banen binnen twee decennia geautomatiseerd zou kunnen worden. Veel secretaresses zijn reeds vervangen door computers, e-mail maakt de postbode overbodig, het werk van 145.000 Kodak-werknemers wordt nu gedaan door 13 man bij Instagram, en er wordt al gewerkt aan zelfbesturende auto’s en geautomatiseerde persberichten.

Bedreigende machines
Natuurlijk is de angst voor automatisering niet nieuw. Asscher citeerde Keynes, die reeds in 1930 een verband legde tussen afnemende werkgelegenheid en technologische vooruitgang. En aan het begin van de 19e eeuw waren er de luddieten die zich verzetten tegen de Industriële Revolutie door weefmachines en ander materieel te saboteren en te vernielen. Erg bedreigend, al die machines. Maar waarom eigenlijk? Is het geen goede zaak dat machines het werk overnemen dat we zelf liever niet doen? Zijn zelfbesturende auto’s een bedreiging voor chauffeurs, of hun bevrijding? Welke ideologische en economische condities zorgen ervoor dat we innovatie als dreiging waarnemen? Met wat voor waardesysteem leven we als robotisering door vakbonden en ministers als probleem wordt gezien?

Marxisme
Ik ben geen marxist, maar op deze vraag moeten we volgens mij een klassiek marxistische analyse loslaten. In een kapitalistische samenleving zijn de productiemiddelen in de handen van de bourgeoisie. De arbeiders hebben niets anders dan hun lichaam, dat ze aan fabriekseigenaren verhuren om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Maar omdat loon meer kost dan machines zijn fabriekseigenaren geneigd zo veel mogelijk werk te automatiseren. Technologische vooruitgang wordt in een kapitalistisch systeem gemotiveerd door het verlangen loonkosten terug te dringen; machines zijn goedkoper en makkelijker te handhaven dan werknemers, en vooral lager opgeleide arbeiders – wiens werk makkelijk te automatiseren is – zien hun banen verdwijnen. Naarmate meer en meer arbeiders vervangen worden door machines daalt het welvaartsniveau van de arbeidersklasse, terwijl de eigenaren steeds rijker worden.

Deze analyse heeft weinig van haar actualiteit verloren, ook al heeft een groot deel van de industrie Europa voor Azië ingeruild. De drijfveer van automatisering is nog steeds het terugdringen van loonkosten, en ook het economisch voordeel van de digitale revolutie verdwijnt in de zakken van werkgevers en aandeelhouders, terwijl de situatie van werknemers steeds precairder wordt. Volgens Marx zou deze ontwikkeling op den duur tot een revolutie leiden (al zat hij er met die voorspelling nogal naast). Vandaag de dag is een revolutie in de westerse wereld moeilijk voor te stellen; er is niet langer sprake van een proletariaat dat tegenover de bourgeoisie staat. Met de verschuiving van een industriële samenleving naar een diensten-economie waarin flexibele contracten de dienst uitmaken zijn we verworden tot elkaars concurrenten, nauwelijks in staat samen een vuist te maken tegen uitbuiting en onzekerheid.

Niet alleen voor de rijken
We zijn allemaal concurrenten van elkaar, en als we Asscher mogen geloven wordt de robot een concurrent van ons allen. Maar de uitdaging voor Asscher en zijn collega’s is ervoor te zorgen dat de voordelen van technologische innovatie niet slechts ten goede komen aan een kleine groep rijke ondernemers. Een nieuwe technologie is geen concurrent, maar een instrument; of hij ons leven moeilijker of makkelijker maakt hangt af van de manier waarop hij wordt geïmplementeerd en hoe het financiële voordeel wordt verdeeld.

Juist niet werken
Ik persoonlijk heb een grondige hekel aan werken, en nog meer aan een baas die me vertelt wat ik moet doen. Ik geloof niet dat ik de enige ben die er zo over denkt. Voor de meeste mensen is werken niet leuk; je kunt een leuke baan hebben en voldoening uit je werk halen, maar als het écht leuk was zou je er waarschijnlijk niet voor betaald worden (wat met meer en meer banen overigens ook zo is: in diverse sectoren worden betaalde werknemers vervangen door vrijwilligers). Ik geloof dan ook dat de meeste mensen het niet erg zouden vinden als robots ze van hun werk verlossen, en ze in staat zouden stellen hun eigen artistieke, intellectuele of andere vaardigheden te ontwikkelen. Dat wil niet zeggen dat we allemaal lui zijn: we houden ons simpelweg liever met iets anders bezig. Werk is niet vervelend omdat je er moe van wordt, maar omdat je je tijd verpacht aan een onderneming waar je vaak weinig affiniteit mee hebt.

Recht op luiheid
De politici spreken van een voorzichtig herstel van de arbeidsmarkt; maar automatisering, de verhoogde AOW-leeftijd en tijdelijk verborgen werkloosheid in de vorm van stages en tweede studies zullen de werkloosheid op de middellange termijn verder doen stijgen. Ondanks het feit dat een fractie van de beroepsbevolking zou volstaan om de samenleving draaiende te houden wordt dit als een probleem gezien. Maar wellicht is het tijd om de termen van dit debat eens grondig te overdenken. Reeds in 1880 pleitte Paul Lafargue in zijn satirische pamflet ‘Het recht op luiheid’ – na het communistisch manifest wellicht de meest gelezen tekst uit de marxistische traditie – voor een drie-urige werkweek, en beschreef hij de machine als een God die de mensheid van de slavernij der loonarbeid zou verlossen. Tegen de werkethiek waarmee de arbeidersklasse zich identificeerde verdedigde Lafargue het recht op luiheid.

Werkloosheid als teken van welvaart
Ook nu probeert de Partij van de Arbeid iedereen aan het werk te houden. Maar is werkloosheid een probleem, of simpelweg een indicatie van het feit dat we als samenleving een ontwikkelingsstadium hebben bereikt waarin de werkweek verkort kan worden, of een deel van de bevolking het rustig aan kan doen? In haar huidige vorm kan het kapitalisme mensen met een overschot aan vrije tijd niet tolereren, en wringen de politici zich in bochten om iedereen bezig te houden met werk waar niemand zin in heeft. Maar is het niet mogelijk een samenleving te creëren waarin een hoge werkloosheid een teken van welvaart is? Het streven van de overheid zou niet moeten zijn economische macro-ontwikkelingen tegen te werken, maar een raamwerk te ontwikkelen waarin werk een keuze wordt; waarin zij die liever niets doen niets hoeven te doen; en waarin de werkethiek eindelijk als anachronisme wordt herkend.

Geef een reactie

Laatste reacties (70)