1.924
17

Oud-Tweede Kamerlid

Harry van Bommel (1962) was van 1998 tot 2017 lid van de Tweede Kamer
voor de SP. Hij was daar woordvoerder Europese en Buitenlandse Zaken.
Hij was tevens lid van de parlementaire assemblee van de NAVO en de
OVSE. Voorafgaand aan zijn Kamerlidmaatschap was Van Bommel van
1994-1998 gemeenteraadslid in Amsterdam en lid van de stadsdeelraad
Amsterdam-Oost (1990-1994). In 2017 zei hij zijn lidmaatschap van de SP
op uit onvrede over het gebrek aan interne democratie in de partij.

Van Bommel studeerde politieke wetenschappen aan de Universiteit van
Amsterdam en behaalde eerder een lesbevoegdheid aan de Hogeschool
Windesheim. Hij doceerde enkele jaren Nederlands en Engels aan het
ROC-Amsterdam. Tegenwoordig werkt Van Bommel als strategisch
bestuursadviseur van het college van Burgemeester en Wethouders in
Zwolle. Naast deze functie treedt hij op als internationaal
verkiezingswaarnemer voor de OVSE en als politiek consultant en trainer.

Nucleaire top is vooral gemiste kans

Werkelijk belangrijke zaken worden buiten de deur gehouden

De regering is erin geslaagd een internationale conferentie over nucleaire veiligheid naar Den Haag te halen. Aan de vooravond ervan wordt veel aandacht besteed aan de veiligheidsmaatregelen en komst van handelsdelegaties terwijl de inhoud onderwerp van kritiek zou moeten zijn. De belangrijkste nucleaire onderwerpen worden namelijk niet op deze top besproken.

De bijeenkomst in Den Haag gaat over het veiligstellen van nucleair materiaal dat door de verspreiding van nucleaire technologie in steeds grotere kwantiteiten wordt geproduceerd. Voor die beveiliging zijn door allerlei instanties zoals het Internationaal Atoomenergie Agentschap allerhande maatregelen en richtlijnen vastgelegd, om te verhinderen dat nucleair materiaal in verkeerde handen belandt. Zulke stappen, hoewel noodzakelijk, dreigen achterhaald te worden dan wel omzeild, omdat dezelfde staten die zulke maatregelen nu enthousiast omarmen, tegelijkertijd grote belangen hebben bij de verdere verspreiding van nucleaire technologie. 

Het meest schrijnende recente voorbeeld daarvan was het nucleaire verdrag dat in 2008 tussen India en de VS werd afgesloten, dat de levering van hoogwaardig nucleair materieel aan India legaliseerde. India is, evenmin als Pakistan en Israël, aangesloten bij het non-proliferatie verdrag, dat tot doel heeft om de militaire toepassing van nucleaire technologie te beperken. De rest van de wereld, behalve Noord-Korea, heeft dit verdrag wel ondertekend. 

Door de levering van hoogwaardige nucleaire technologie aan India toe te staan werd een doos van Pandora geopend. Een niet-erkende kernwapenmogendheid werd in staat gesteld om haar nucleaire industrie, de basis van haar nucleaire militaire slagkracht, verder uit te breiden.

De Nuclear Suppliers Group, een samenwerkingsverband van 45 landen die “over nucleaire technologie beschikken en door middel van strenge regels willen bijdragen aan het tegengaan van kernwapens” (Minister van Buitenlandse Zaken, 9 sept 2008) , waartoe ook Nederland behoort, stemde destijds in met het VS-India verdrag.

Daarmee werd het belangrijkste doel van de Nuclear Security Summit al jaren geleden ernstig ondermijnd. Wat heeft het voor zin om strengere regels en beperkingen af te spreken over de beveiliging van nucleair materieel, als diezelfde regels door de nucleaire technologie leverende landen worden omzeild?

Ontwapening
Er is een tweede kwestie die niet op de agenda staat van de top en dat is nucleaire ontwapening. Dat is gek, omdat  het gaat om de beveiliging van nucleair materieel om de verspreiding van kernbewapening tegen te gaan. Volgens de Nederlandse regering heeft dit onderwerp, evenmin als de non-proliferatie van kernbewapening een plaats op de NSS. Dat is een rare redenering. Er is immers een symbiotische relatie tussen nucleaire technologie, nucleair materiaal en de mogelijkheid om een kernwapen et bouwen. Als het makkelijker wordt gemaakt om nucleaire technologie te verspreiden, vanwege de grote industrie belangen die er mee gemoeid zijn, dan wordt het vanzelfsprekend makkelijker voor veel landen om kernwapens te bouwen. 

Het is om die reden van groot belang om niet alleen de verspreiding van nucleaire technologie streng te controleren, maar ook om versneld werk te maken van nucleaire ontwapening. De kernwapenstaten belijden steun aan die nucleaire ontwapening, maar in de praktijk handhaven en moderniseren ze hun arsenalen.  

Door de agenda van de NSS te beperken tot het veiligstellen van splijtstoffen en de beveiliging van nucleair materieel, worden de werkelijk belangrijke zaken zoals proliferatie van nucleaire technologie aan bijvoorbeeld India en de voortgezette handhaving van de kernwapenarsenalen, buiten de deur gehouden. In werkelijkheid zijn deze kernkwesties niet van elkaar te scheiden. Deze top mag dan wel goed zijn voor het aanzien van Nederland in de rest van de wereld maar een bijdrage aan het oplossen van het nucleaire probleem levert hij niet of nauwelijks.

Geef een reactie

Laatste reacties (17)