2.586
35

Platform Duurzame en Solidaire Economie

Lou Keune (1938) is (voormalig) universitair hoofddocent aan de Katholieke Universiteit Brabant (KUB), Faculteit Sociale Wetenschappen (FSW). Zijn onderzoeksgebied was ongelijke ontwikkeling (tussen 'noord' en ‘zuid’). In 1961 deed hij zijn doctoraal economie. In 1969 werd hij doctor in de Sociale Wetenschappen. Keune was betrokken bij veel politieke initiatieven, met name in de solidariteitsbeweging en de kritische economie, waarin hij nog steeds actief is. Hij is medeoprichter van het Platform Duurzame en Solidaire Economie.

Ontwikkelingshulp of sociale zekerheid?

Iedere keer weer die discussies over de inmiddels zestig jaar oude ontwikkelingshulp: hoeveel? waaraan te besteden? aan wie? hoe effectief?

En nu is het verkiezingstijd, wij moeten bezuinigen, dus waarom niet eens flink snoeien op het budget voor ontwikkelingshulp?

Tja, zo kunnen wij nog eens zestig jaar doorgaan, tenminste als de aarde ons dat toestaat. Ik ben geen voorstander van ontwikkelingshulp, wel van noodhulp en (vooral) van een fatsoenlijke regeling die bestaanszekerheid voor iedereen garandeert.

Allereerst wat cijfers: zo’n 40 procent van de wereldbevolking heeft een inkomen beneden de twee dollar per persoon per dag, dus minder dan 730 dollar per jaar. Het jaarinkomen van de gemiddelde Nederlander is zo’n 25.000 dollar. De 20 procent rijksten van de wereld beschikken over 75 procent van het wereldinkomen, de 40 procent armsten over 5 procent. Alle Nederlanders, ook zij die van een bijstandsinkomen moeten leven, behoren tot de 20 procent rijksten. En die mondiale ongelijkheid is de laatste decennia alleen maar groter geworden.

Als je in Nederland geboren bent heb je als het gaat om je inkomen “mazzel” zoals Pieter Hilhorst dat enige tijd geleden noemde in de Volkskrant. De anderen hebben dus pech. Reden genoeg om ons verantwoordelijk te weten voor het lot van de armsten in de wereld. Hilhorst ziet ontwikkelingshulp als een mazzelbelasting. Maar is het alleen mazzel of is er meer aan de hand?

Het is goed er nog eens op te wijzen dat onze betrokkenheid bij de armoede in de wereld alles te maken heeft met onze gezamenlijke geschiedenis. Tijdens de eerste golf van economische mondialisering, die van het mercantiele kapitalisme, heeft zich een wereldmarkt ontwikkeld waarbij veel van wat wij nu ontwikkelingslanden noemen een duidelijke functie kreeg in de ontwikkeling van de Europese economie. Die functie kan omschreven worden als leverancier van goedkope grondstoffen, voedingsmiddelen en edelmetalen, en van goedkope arbeidskrachten. Dat heeft veel vermogen opgeleverd, de eerste Nederlandse Gouden Eeuw is daar voor een groot deel aan te danken. Wat heeft dat met de armoede in die landen te maken, zult u misschien denken? Wat dikwijls vergeten wordt is dat dat kapitalisme gepaard ging met veel roof en vernietiging. De geschiedenis van bijvoorbeeld de Indonesische archipel staat daar bol van. Maar ook die van wat nu Latijns Amerika genoemd wordt, of Afrika, of India.

Onze betrokkenheid bij die samenlevingen verdiepte zich door het daarop volgende kolonialisme waardoor de economieën aldaar werden geherstructureerd. De oudste voorbeelden daarvan zijn de latifundia in Latijns-Amerika, maar ook het Nederlandse cultuurstelsel op Java is een bekend voorbeeld. Daarbij ging het niet alleen om goedkope leveranties, die gebieden werden ook welkome afzetgebieden. Dat alles was heel profijtelijk, bijvoorbeeld zijn de Twentse katoenindustrie en heel wat kanalen en andere verbindingswegen in Nederland daaraan te danken. Die relatie had verregaande en negatieve gevolgen voor de economieën en mensen in die gebieden. Lees er Nehru’s The Discovery of India maar eens op na, of Kenyatta’s Mount Kenya, of Galeano’s Aderlating van een Continent. Geen enkele “ethische politiek” heeft daar veel aan kunnen veranderen, het bleven voor de koloniale mogendheden profijtelijke verbanden. Zie bijvoorbeeld Tinbergens becijferingen van de opbrengsten van “ons Indië”. In die periode heeft, zoals André Gunder Frank dat al decennia geleden heeft laten zien, “de onderontwikkeling zich ontwikkeld”. En veel van de huidige onrust in Afrika heeft te maken met de vele willekeurige grenslijnen getrokken door de Europese mogendheden op de beruchte Conferentie van Berlijn in 1884.

Waarom die oude koeien uit de sloot halen? Om te verduidelijken dat onze hoge inkomens meer zijn dan mazzel. De nog steeds groeiende ongelijkheden in inkomens hebben veel zo niet alles te maken met de ontwikkeling van de oude vormen van mondialisering, namelijk die uit de mercantiele en koloniale periodes. Die mondialisering gaat voortdurend door. Ook nu vernieuwt zij zich continue, en dan niet alleen in economische zin maar ook politiek en cultureel. Wij, wereldburgers, zijn met hoofd, handen en voeten met elkaar verbonden. In feite hebben wij te maken met een steeds dominanter wereldeconomie, het begrip natie heeft in economische zin nauwelijks nog betekenis. En dat blijkt voor ons, rijken, zeer profijtelijk, ook omdat aan de samenlevingen van de zogenaamde ontwikkelingslanden nog steeds grote sommen geld en bestaansmiddelen worden onttrokken. Er is zoals ik in mijn column van 9 februari heb betoogd, sprake van omgekeerde ontwikkelingshulp, van de armen naar de rijken.

Dat maakt die discussie over bezuinigingen op ontwikkelingshulp zo onwezenlijk. Het is niet alleen mazzel als je als rijke wordt geboren, rijkdom en armoede zijn de resultanten van mondiale economische processen en verhoudingen. En waarom ben ik dan toch geen voorstander van ontwikkelingshulp? Ten eerste omdat het verdoezelt dat wij Nederlanders, in netto termen, niet geven maar nemen. Ten tweede omdat je je inderdaad moet afvragen wat daarvan de effectiviteit is geweest. Ongetwijfeld zijn er vele successtories te vertellen. Maar evenzeer mislukkingen en tegengestelde effecten. Bijvoorbeeld de ontwikkeling van de landbouw in veel ontwikkelingslanden. De ontwikkelingshulp heeft een duidelijke rol gespeeld in de modernisering daarvan. Maar is die modernisering wel zo gelukkig? Want zij heeft ook geleid tot het wegconcurreren van honderden miljoenen “kleine” boeren en boerinnen uit de agrarische productie. Het moderne en kapitaalintensieve grootbedrijf is ook daar gaan domineren. Deze “ontwikkeling” stimuleerde enorme migratiestromen, zowel van de landelijke streken naar de stad als transnationaal. Daarbij is die agrarische productie steeds meer gericht op de export van gewassen naar Europa en andere gebieden. Ook omdat het daarbij maar voor een beperkt deel gaat om voedselgewassen, draagt deze modernisering niet bij aan de verdrijving van de honger uit de wereld, integendeel. Zo zijn vele andere voorbeelden te geven dat de door de ontwikkelingshulp bevorderde “modernisering” uit oogpunt van armoedebestrijding averechts gewerkt heeft. Zo is ontwikkelingshulp een van de vehikels geweest om de vrijhandel wereldwijd te bevorderen. Uit verschillende onderzoekingen blijkt dat die vrijhandel economische groei belemmerd heeft in plaats van bevorderd.

Wat dan wel? Uiteraard zou alle prioriteit gegeven moeten worden aan de ontwikkeling van betere structurele voorwaarden voor armoede bestrijding. Bijvoorbeeld moet er een einde gemaakt worden aan de dominantie van de vrijhandel in het internationale economische beleid zoals door de WTO bevorderd. Er zou veel meer ruimte moeten worden gemaakt voor regionalisering en lokalisering in plaats van mondialisering. En bedrijven zouden weer gewoon belasting moeten gaan betalen in plaats van steeds weer zoeken naar mogelijkheden van belastingontwijking: Tax Justice.

Voorlopig lijkt het er niet op dat dit er van komt. Ondanks de vele verschijnselen van de diepgaande crisis van de neoliberale economie gaat het beleid op de oude voet door, ook in Nederland. Dat betekent dat wereldwijd bestaansonzekerheid groeit en groeit. Bovendien is ontwikkelingshulp uit oogpunt van blijvende armoede bestrijding een dure zaak, je moet heel wat euro’s en dollars en yens investeren om enigszins kans te hebben dat die armoede ook maar enigszins daalt.

Beter is om rechtstreeks aan armoede bestrijding te doen. En dan bedoel ik niet allerlei vormen van charitas of van noodhulp, hoezeer die ook nodig mogen zijn. Waar ik voor pleit is om mondiale systemen van bestaanszekerheid te ontwikkelen die een bestaan vergelijkbaar met een inkomen van minimaal 2 dollar per persoon per dag verzekeren. Die systemen zouden dan de 

vorm kunnen krijgen van allerlei sociale voorzieningen, bijvoorbeeld voor materiële overdrachten als gratis gezondheidszorg en onderwijs, maar ook vormen van inkomenssteun. Is dat te doen?Ja, in VN-kringen en daarbuiten wordt volop gediscussieerd over dergelijke systemen en de toepasbaarheid daarvan. Natuurlijk zijn er vele valkuilen te bedenken. Maar ook daarover wordt deskundigheid ontwikkeld. Hoe dan ook, mondiale garantie van bestaanszekerheid doet meer recht aan de huidige gemondialiseerde wereldeconomie dan ontwikkelingshulp. En het geeft eindelijk invulling aan vele en belangrijke bepalingen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Dat zal natuurlijk een aardige cent kosten. Ik heb eens berekend dat als je iedereen een niveau van minimaal 2 dollar per persoon per dag zou willen garanderen dat ergens tussen de 3 en 4 procent van het nationaal inkomen zou kosten van de hoge inkomenslanden als Nederland. Indien het zou lukken om voor deze voorzieningen ook de rijken in ontwikkelingslanden aan te slaan, dan zou het ons iets van tussen de 2 en 3 procent van ons nationaal inkomen kosten. Dat blijft een groot bedrag. Maar ja, als ik zie hoe in één weekeinde 720 miljard euro’s beschikbaar gemaakt kunnen worden om de eurocrisis te bestrijden, dan moet die nog urgentere bestrijding van de mondiale armoede ook kunnen.

Geef een reactie

Laatste reacties (35)