3.100
65

Oud-minister van Volkshuisvesting

Marcel van Dam was in 1969 voor het eerst te zien op de VARA-televisie met het programma 'De Ombudsman', dat werd uitgezonden tot hij in 1973 de politiek inging. Tot 1977 was hij staatssecretaris, vervolgens werd hij lid van de Tweede Kamer, in 1981 werd hij minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van 1982 tot 1985 was hij weer lid van de Tweede Kamer voor de PvdA. Van Dam was van 1986 tot in 1995 voorzitter van de VARA. Na ‘De Ombudsman’ was Marcel van Dam ook nog te zien als presentator van 'De Achterkant van het Gelijk' –waarvoor hij de Nipkowschijf won- en als medepresentator van het debatprogramma 'Het Lagerhuis'. In 2009 volgt de VARA-documentaire ‘De Onrendabelen’, die op initiatief van Marcel van Dam is gemaakt door filmmaker Hans Heijnen.

Ook links helpt de rijken rijker te maken

Waarom willen de partijen een tekort van 29 miljard dekken dat is ontstaan door een maatregel die nooit genomen is?

Hoe één zin in dat vreselijke jargon van economen zoveel opwinding kan veroorzaken! Het gebeurde mij bij het lezen van een artikel van de Groningse hoogleraar openbare financiën, Flip de Kam, in het nummer van “Economische Statistische Berichten”, het vakblad voor economen, dat afgelopen vrijdag verscheen. Het was de volgende regel die het deed: “ . . . maar het houdbaarheidsprobleem is bij consistente toepassing van de uitgangspunten die voor de middellange termijn zijn gehanteerd wel in één keer de wereld uit”.

Pas een paar zinnen verder ging er in mijn brein een belletje rinkelen. Het houdbaarheidsprobleem de wereld uit? Een tekort van 29 miljard dat de verkiezingscampagne domineert, de wereld uit?  Dat kon niet waar zijn. Gemaild met Flip de Kam: “Begrijp ik uit je ESB artikel goed dat als gevolg van het  handhaven van het huidige beleid om de tariefschijven en de heffingskortingen van de inkomstenbelasting alleen te  corrigeren voor de inflatie en niet voor de welvaartstijging, het hele  houdbaarheidstekort van tafel is?”
Antwoord: “Ja, dat is het geval. (volgens mijn inschatting)” 
Op mijn leeftijd gebeurt het niet zo vaak dat ik getroffen wordt door een grote stoot adrenaline. Als het gebeurt denk ik altijd aan het belangrijkste advies dat mijn vader me ooit gaf: “als iets je heel erg opwindt, bedenk dan of het  over drie maanden nog zo zal zijn”. 
In dit geval twijfel ik daar niet aan. De verkiezingscampagne gaat over enorme bezuinigingen die  meer kapot maken dan ons lief is, vooral als ze armoede, achterstand  en uitsluiting vergroten. De negatieve gevolgen daarvan voor  opvoeding, schooluitval, verslaving, overlast en criminaliteit, gezondheid en werkloosheid zijn erg groot.  Die problemen zullen op lange termijn de samenleving misschien wel meer geld kosten dan de bezuinigingen opbrengen.  Zie ook het artikel “Groeiende armoede is niet terug te vinden bij CPB” van Agnes Jongerius in de Volkskrant van afgelopen dinsdag. 
Bij de berekening van het houdbaarheidstekort van 29 miljard euro is het CPB uitgegaan van ongewijzigd beleid. Met een paar uitzonderingen. Een van die uitzonderingen lijkt subtiel, maar heeft, zo is mij door het artikel van Flip de Kam nu pas duidelijk geworden, op lange termijn zo’n geweldige impact dat de hele verkiezingscampagne in de lucht is komen te hangen. jaarlijks worden de belastingschijven en het bedrag van de heffingskortingen in de inkomstenbelasting aangepast om te voorkomen dat we louter door de geldontwaarding in een hoger tarief terechtkomen en daardoor extra belasting gaan betalen. Omdat  de lonen meestal sneller stijgen dan de prijzen, neemt de koopkracht toe. Ook daardoor schuiven mensen naar een hoger belastingtarief. Er zijn nu vier tariefschijven. Over het inkomen in de hoogste schijf is nu 52% verschuldigd. De meeste mensen vinden die progressiviteit in de belasting rechtvaardig. Maar het CPB redeneert als volgt: bij een koopkrachtstijging van gemiddeld 1.5% per jaar is de koopkracht van iemand die nu 30000 euro verdient over 50 jaar verdubbeld.  Als hij dan nog leeft, valt hij  waarschijnlijk in het hoogste tarief van 52%. Dat vinden de rekenmeesters van het CPB ongewenst en dus hanteren ze twee rekenmodellen naast elkaar.
In het ene model, gepubliceerd op 16 maart jongstleden als Economische Verkenningen 2011 – 2015, worden de belastingschijven, zoals de wet voorschrijft, jaarlijks alleen aangepast aan de inflatie. Omdat de inkomens sneller groeien dan de inflatie, schuift een deel van de inkomenstrekkers als het ware geruisloos door naar een zwaarder belaste schijf en stijgt de opbrengst van de inkomstenbelasting “vanzelf” met 4 miljard euro extra. Al twintig, dertig jaar incasseert ieder kabinet die extra opbrengst als vanzelfsprekend. Bij ongewijzigd beleid zal die extra opbrengst blijven groeien, ook omdat het aantal mensen met hogere inkomens naar verwachting sneller toeneemt vanwege de kenniseconomie. Vooral met het oog op de vergrijzing hanteert het CPB ook een ander model waarmee ontwikkelingen op heel lange termijn, zelfs voor een periode van 100 jaar, worden berekend.  
In dat model worden de belastingschijven niet alleen opgerekt voor de inflatie, maar ook voor  de koopkrachtstijging. Het gevolg is dat de grens waarboven meer belasting moet worden betaald, stijgt met de koopkracht. Als gevolg daarvan betalen mensen ondanks hun gestegen  koopkracht toch dezelfde belasting.
Ten opzichte van het huidige beleid is er in dit CPB model dus sprake van lastenverlaging en de meeropbrengst aan belastingen valt daardoor weg. Dat scheelt in 2040 een bedrag van ongeveer dezelfde omvang als het houdbaarheidstekort van 29 miljard euro. Dit tekort ontstaat dus doordat de rekenmeesters van het CPB er vanuit gaan dat het belastingregiem zal worden herzien, hoewel daar in de politiek nooit toe is besloten. Ik heb zo’n voorstel ook in geen enkel verkiezingsprogramma aangetroffen.
Het CPB verdedigt deze keuze op theoretische gronden, maar het hoort een politieke keuze te zijn. Mensen met een laag inkomen die nu leven zullen het waarschijnlijk niet meemaken dat hun koopkracht zo sterk stijgt dat ze in de hoogste tariefgroep terechtkomen. De koopkracht van de minima is nu nauwelijks hoger dan in 1980. Als het aan de VVD ligt blijft dat voorlopig zo. Een ander theoretisch bezwaar is dat de collectieve lastendruk zou stijgen omdat steeds meer mensen door koopkrachtstijging in een hogere belastingschijf terechtkomen. Het is waar: als van een werkend echtpaar één van de partners in het hoogste belastingtarief terecht komt, is de collectieve lastendruk van dat echtpaar gestegen. Toch blijven alle belastingtarieven gelijk. Niemand ondervindt nadeel. Niet alleen de partner die meer verdient is blij, ook de echtgeno(o)t(e). Het is  een typische redenering van technocraten dat toekomstige generaties minder profijt van de overheid hebben omdat er meer rijke mensen zijn die meer belasting betalen. Bovendien: in de komende 50  jaar bestaat er voldoende gelegenheid om desgewenst het belastingsstelsel te herzien, zoals dat ook eerder is gebeurd. In alle rust kan dan een politieke afweging worden gemaakt tussen de voor- en  nadelen van een herziening.
Politici van links hameren er altijd op dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Als ze zich al hadden  gerealiseerd dat  het CPB stilzwijgend een belastingherziening in het model voor de lange termijn had opgenomen, (wat een politieke beslissing hoort te zijn) hebben ze bij het maken van hun verkiezingsprogramma’s zeker niet geweten dat het tekort van 29 miljard vrijwel helemaal het gevolg is van deze “technische” aanpassing. Het is absurd 29 miljard te bezuinigen om mensen die steeds meer gaan verdienen minder belasting te laten betalen. Flip de Kam, er zijn in Nederland weinig mensen die meer van overheidsfinanciën weten dan hij, adviseerde het CPB samen met zijn collega B. Jacobs van de Erasmus universiteit vorig najaar in het Tijdschrift voor Openbare Financiën zich te houden aan de huidige belastingwetgeving. Zou dit advies zijn opgevolgd, dan werd er nu veel zonniger tegen de toekomst van de overheidsfinanciën aangekeken.
Er valt  te twisten over de termijn waarop het huidige begrotingstekort moet worden teruggebracht. Er zijn belangrijke negatieve gevolgen voor de economie van grote bezuinigingen. Zo rekende Flip de Kam mij met cijfers van het CPB voor dat het VVD programma tot gevolg heeft dat het bruto binnenlands product in 2015 cumulatief 2,1% (13 miljard euro) lager uitvalt door zogenaamde uitverdien effecten en dat het leidt tot  honderdduizend extra werklozen op de middellange termijn. 
Het wegvallen van het houdbaarheidstekort schept mogelijkheden die negatieve effecten zo veel mogelijk te beperken en vergroot de mogelijkheden te bezuinigen om extra te kunnen investeren. Daarom zouden alle lijsttrekkers voor de verkiezingen opheldering moeten geven over het volgende: Nergens in uw verkiezingsprogramma’s ben ik het voorstel tegengekomen om de belastingschijven voor jaarlijkse koopkrachtstijging te corrigeren. Omdat het CPB dat wel heeft gedaan ontstond een tekort van 29 miljard en hebt u in uw verkiezingsprogramma’s maatregelen aangekondigd om in 2040 dat bedrag jaarlijks op te hoesten om mensen die naar hogere belastingschijven migreren minder belasting te laten betalen. Was dat uw bedoeling? Zo ja, had u dat dan niet in uw verkiezingsprogramma moeten opnemen?
Zo nee, waarom wilt u  een  tekort van 29 miljard dekken dat is ontstaan door een maatregel die nooit genomen is en waar u het niet mee eens bent? Ik ga er van uit dat de progressieve partijen de huidige belastingtarieven rechtvaardig vinden. Sommige willen het toptarief zelfs verhogen. Als iedereen over twintig jaar veel meer koopkracht heeft, zijn die tarieven dan minder rechtvaardig geworden?  Waarom wil links bezuinigen om de rijken rijker te maken Wie het beste antwoord heeft krijgt mijn stem.
Dit stuk staat ook in de Volkskrant

Geef een reactie

Laatste reacties (65)