976
24

Universitair hoofddocent, UvA

Joost van Spanje is universitair hoofddocent politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is gespecialiseerd in onderzoek naar de reacties van de gevestigde orde op nieuwe politieke partijen. Dit omvat juridische reacties (bijv. strafvervolging), politieke reacties (bijv. cordons sanitaires) en media-reacties (bijv. doodzwijgen). Joost is winnaar van de Jaarprijs Politicologie 2010, van een NWO Veni-onderzoeksbeurs in 2012 en van een NWO Vidi-onderzoeksbeurs in 2015.

Opkomstplicht is symptoombestrijding

Wat betekent een lagere opkomst bij verkiezingen?

Bij de Provinciale Statenverkiezingen bleven de meeste kiesgerechtigden thuis. Dit lokte veel reacties uit, inclusief een pleidooi voor herinvoering van de opkomstplicht. Maar onderzoek suggereert dat zo’n plicht louter symptoombestrijding is – die ons bovendien het zicht op oplossingen ontneemt.

Herinvoering van de opkomstplicht. Daar wil hoogleraar Nederlandse geschiedenis James Kennedy wel voor pleiten, schreef hij in Trouw. Tot 1970 bestond er in ons land een opkomstplicht. Afschaffing ervan had volgens Kennedy een ernstig gevolg, namelijk een “erosie van het besef dat we allemaal verantwoordelijkheid dragen voor wat er in de politiek gebeurt.” Interessante stelling.

Een onderbouwing met cijfers zou nog interessanter zijn. En dan meteen ook maar empirisch bewijs voor onverminderd groot verantwoordelijkheidsbesef in Cyprus en Luxemburg, waar de opkomstplicht niet is afgeschaft. Zelfs indien bewijs voor deze stelling wordt geleverd is het overigens nog steeds de vraag of herinvoering zulke erosie zou stuiten – laat staan ongedaan maken.

Stemlokaal provinciale verkiezingen 2015Uiteraard zou een opkomstplicht de opkomst verhogen. Zeker in geval van grote pakkans plus zware sanctie. Maar hoge opkomst moet niet worden verward met groot verantwoordelijkheidsbesef. Niettemin lijkt Kennedy lage opkomst voornamelijk te wijten aan vermeend gebrek aan zulk besef: “Wordt de burger voldoende op zijn verantwoordelijkheden gewezen?”

Kennedy legt hiermee de nadruk op een eigenschap van kiezers: hun mate van verantwoordelijkheidsbesef. Maar de rol van kiezerseigenschappen is beperkt. Die verklaren verschillen in opkomst over tijd, tussen landen en tussen soorten verkiezingen niet.

Toen bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2002 ruim 900.000 meer kiezers stemden dan in 1998, kwam dat doordat ‘de kiezer’ opeens verantwoordelijker was geworden? En betekent de structureel lagere Britse opkomst dan bij ons dat de Britten onverantwoordelijker zijn dan wij? En waarom nemen velen dan voor de Tweede Kamer hun verantwoordelijkheid maar niet voor waterschappen?

Deze drie voorbeelden suggereren dat een ander soort factoren een grotere rol speelt. Een lage opkomst ligt niet zozeer aan kiezers als wel aan de context waarin een verkiezing plaatsvindt. 

Wetenschappelijk onderzoek wijst op een combinatie van drie contextfactoren. Ten eerste is van belang dat de verkiezing gaat over een belangrijk onderwerp –in de ogen van kiezers. Ten tweede moet het te kiezen orgaan zeggenschap hebben over dat onderwerp –opnieuw, volgens kiezers. Ten derde is cruciaal dat heldere keuzes worden geboden op dat onderwerp –inderdaad, volgens kiezers.

Waar alle drie deze factoren ontbreken kan recordlaagte worden behaald. Een voorbeeld is de Nederlandse verkiezing voor het Europese Parlement (EP) in 1999. Destijds konden kiezers geen belangrijk onderwerp ontwaren, leek het EP machteloos, en waren alle partijen mild pro-EU – van de meest linkse (GroenLinks) tot de meest rechtse (VVD) in het EP. De opkomst bleef steken op 30%.

Waar alle drie deze factoren aanwezig zijn is de opkomst gemiddeld juist hoger. En de opkomst daalt vaak zodra de context zo verandert dat verkiezingen er minder toe doen, of verkiezingen minder competitief zijn. Kortom, zodra problemen ontstaan met de werking van democratie. Herinvoering van de opkomstplicht zou die problemen niet oplossen. Dat zou louter symptoombestrijding zijn.

En door die symptoombestrijding zou een signaalfunctie verloren gaan. Dalende opkomst kan een sein zijn dat hervorming nodig is. Kiezers hebben dan minder het idee dat ze via die verkiezingen invloed kunnen uitoefenen. Moeten we die signaalmogelijkheid afpakken? Bijvoorbeeld, veel kiezers vinden waterschapsverkiezingen nutteloos. Is dat probleem weg als we hen dwingen op te dagen?

Tot slot kunnen opkomstcijfers ons vertellen of een hervorming effectief is geweest, aldus professor Mark Franklin (MIT). Indien, na correctie voor andere factoren, de opkomst stijgt na invoering van de hervorming is dat een goed teken. Verplichte opkomst zou ons die evaluatiemogelijkheid ontnemen. In plaats van kiezers te vertellen wat ze moeten doen, is het wellicht beter om naar hen te luisteren.

Juist omdat “we allemaal verantwoordelijkheid dragen voor wat er in de politiek gebeurt.”

cc-foto: Sebastiaan ter Burg

Geef een reactie

Laatste reacties (24)