8.914
101

Historicus

Historicus

Over de feitelijke flauwekul van Martin Bosma

Nederland heeft er weer een groot denker bij. Tenminste, dat zou je denken als je de media volgt.

Aan Martin Bosma valt niet te ontsnappen. Hij heeft een boek gepubliceerd met niet minder dan drie spelfouten in de korte en toch niet al te ingewikkelde titel: De schijn-élite van de valse munters. Een eenvoudige zoekopdracht in Picarta leert al snel dat munters die kennelijk vals zijn – iets heel anders dan valsemunters -, vooral in de titels van jongensboeken figureren. We weten dus al in welke categorie het boek thuishoort. Vrijdagavond hoorde ik Bosma eerst in een nieuwsuitzending in de uren tussen middag en avond, die in mijn jeugd melkenstijd heetten. Daarna was hij in Nieuwsuur en in het Oog op Morgen, al moet ik zeggen dat ik die interviews pas de volgende ochtend bekeken en beluisterd heb. En dit weekend stond er een stuk in NRC Weekblad en in de Volkskrant.

Op twee foto’s bij het NRC-stuk zit hij te lezen in een boek van Jacques de Kadt, dat ironisch genoeg De politiek der gematigden heet. Maar het is een goede wenk: je kunt in ieder geval beter De Kadt lezen, al weet ik nooit helemaal zeker of je iemand die voortdurend in de contramine was, altijd de indruk wekte gelijk te hebben, maar wel steeds van mening veranderde, nou werkelijk een groot intellectueel leidsman moet achten.

Ik word nogal kribbig van al die aandacht voor Bosma. En vooral van de onkritische wijze waarop meneer her en der aan het woord gelaten wordt. Ik beperk me tot het stuk in de NRC, van de hand van twee goede journalisten, dat helaas ook niet al te diepgravend is. Kern van Bosma’s verhaal is volgens de samenvatting van de interviewers:

“Nederland is in oorlog met de islam die de Nederlandse cultuur en samenleving wil overnemen. Het is niet gezegd dat Nederland wint, meent Bosma, omdat de vaderlandse politieke elite na de klap van de ‘marxistische mallemolen’ in ’68 net zo blind is geraakt voor de gevaren van de islam, als ze in de jaren dertig was voor het nationaal-socialisme en, later, voor het communisme.”

Die weergave is vast en zeker accuraat. Zij lijkt in lijn met wat Bosma in het vraaggesprek vertelt en wat hij elders te berde brengt. De bewering is natuurlijk grotesk. Je zou op zijn minst toch enige empirische onderbouwing verwachten. Minder dan 5% van de Nederlandse bevolking is moslim en je zou wel eens willen weten hoe die, gesteld al dat ze het met zijn allen eensgezind en eendrachtig zouden willen, de ‘Nederlandse cultuur en samenleving’ zouden kunnen overnemen.

Zijn er aanwijsbare uitingen van een dergelijk streven? Is er een klein begin zichtbaar? Hier in Amsterdam wonen wat meer moslims, maar je kunt toch moeilijk zeggen dat samenleving en cultuur – laten wie die termen dan maar zo breed mogelijk nemen – veel islamitische invloeden te zien geven. Je kunt eerder vaststellen dat je van de islam veel minder merkt dan je op grond van de getalsverhoudingen zou mogen verwachten. En in de zogenaamde hogere cultuur, die van de grachtengordelelite zeg maar – men ziet, ik pas me terminologisch al aan het nieuwe discours aan -, merk je al helemaal niets.

Schrijven moslims de opiniepagina’s van de kranten vol met vlammende pleidooien over de ideologische superioriteit van de islam? Of doen ze dat misschien wat subtieler? Niet veel van te merken. Wat zeg ik? Niets, vrijwel niets. Zijn er krachtige islamitische politieke partijen? Ook al niet, zelfs niet in de gemeenteraad. Het enige wat je kunt zeggen is dat je in een beperkt aantal wijken van een beperkt aantal steden en dorpen mogelijk enige invloed van de islam kunt waarnemen. Als de moslims de boel al willen overnemen, dan laten ze daar tot nog toe verrassend weinig van merken.

Maar daar heeft Bosma natuurlijk wel een antwoord op. Hij is het type complotdenker dat vanuit zijn rotsvaste gelijk – ‘nee, ik twijfel niet’ – het zich kan permitteren om ineens genuanceerd uit de hoek te komen. Hij wijst op het verschijnsel taqqiya, het verdoezelen van je ware bedoelingen. Dat begrip bestaat inderdaad en bij de daders van de aanslagen van 9/11 hebben we dat fenomeen inderdaad gezien. Maar Bosma is dan wel weer zo redelijk om op te merken: ‘Ik zeg niet dat álle moslims hun ware intenties verhullen.’ En over taqqiya:

“Het is pure mazzel dat veel moslims dat helemaal niet weten. Daarom kun je nooit zeggen: álle moslims. Daar zou ik me ook niet senang bij voelen.”

En op de vraag: ‘Maar u vertrouwt ze niet, moslims?’

“Dat vind ik moeilijk zo te zeggen. De Turkse kapper door wie ik me onlangs heb laten knippen, die weet helemaal niet wat sharia is, laat staan taqiyya. Voor hem ben ik niet bang.”

Hier gebeurt dus iets heel raars. Onder het mom van redelijkheid zaait Bosma ondertussen wel degelijk angst. Ja, die Turkse kapper die deugt wel en veel andere moslims ook nog wel, maar ondertussen: je kunt maar nooit weten. De suggestie dat er toch wel heel veel radicale stiekemerds zouden kunnen zijn, van wie we dat niet door hebben, blijft hangen.

En wat is het centrale punt? Is die Turkse kapper zo gematigd, omdat hij nu eenmaal een doorsnee moslim is? Nee helemaal niet. Die man weet gewoon niet wat de islam inhoudt. Er bestaat namelijk helemaal geen gematigde islam, weet Bosma. Hij weet nu eenmaal meer van de islam dan die moslims. En als die over dezelfde superieure kennis als Bosma beschikten, zouden ze helemaal geen gematigde moslims meer zijn. Het is ons geluk dat Bosma ons alvast komt waarschuwen wat de islam eigenlijk is, voordat de moslims daar zelf achter komen, want dan zou het wel eens te laat kunnen zijn.

Bosma’s redeneertrant is volledig immuun tegen empirie. Feiten doen er niet toe. De normale aanpak zou toch zijn: we kijken eens hoe moslims van vlees en bloed hun religie beleven. Als die mensen zich gematigd opstellen en zichzelf als trouwe moslims beschouwen, dan zouden we tamelijk eenvoudig vast kunnen stellen dat er empirisch gesproken een gematigde islam bestaat, ook al zouden we mogelijk nergens het Handboek gematigde islam kunnen vinden en zou geen imam bereid zijn om toe te geven dat zo’n vorm van islam bestaat.

Bosma redeneert echter precies andersom:

“Maar de kern van de zaak is: een gematigde islam bestaat niet. De islam kan ook niet liberaliseren, omdat de uitgangspunten fundamentalistisch zijn. De woorden in de Koran zijn door God gegeven. Niets aan te doen.”

Hij is het volstrekt met fundamentalistische moslims eens: hun interpretatie en levenspraktijk is de enig juiste. En iedereen die er anders over denkt en anders handelt, die is buiten de orde. Al die empirisch gematigde moslims, die vervullen hun rol gewoon niet goed. Als ze over de kennis van Bosma beschikten, zouden ze zich wel anders opstellen. Maar omdat het gevaar nu eenmaal bestaat dat ze er ooit achter komen wat de islam van hen vraagt, moeten we nu alvast op onze hoede zijn voor hen. Daar komt het op neer.

Martin Bosma zou je een gnosticus kunnen noemen. Hij wéét. En zijn overtuiging is zo rotsvast dat geen enkel empirisch tegenbewijs die ooit zal kunnen ontkrachten. Ik kom daarop terug.

Martin Bosma is ook een antihermeneuticus. Het vervolg illustreert dat. Voor een goed begrip begin ik het volgende citaat met twee al aangehaalde zinnen:

“De woorden in de Koran zijn door God gegeven. Niets aan te doen. Je kunt niet met die tekst redetwisten, zoals christenen en joden doen met hun heilige teksten. Je kunt niet zeggen over soera 9:5 ‘dood de ongelovigen waar je ze vindt’: ja, dat staat er wel, maar dat moet je niet te letterlijk nemen. Als een moslim dat probeert te zeggen, krijgt hij direct terug: weet jij het beter dan Allah? Nou, dat is een kort gesprek.”

Wie kan daar tegenop? Je kunt op twee manieren reageren. Je kunt je eerst afvragen wat de aangehaalde woorden in hun verband in de Koran betekenen en je kunt je ten tweede afvragen wat gelovige moslims ermee doen.

De eerste vraag is natuurlijk niet zonder belang. Om welke ongelovigen gaat het? Alle, overal ter wereld en in alle tijden? Of gaat het om specifieke ongelovigen in bepaalde historische omstandigheden? Alleen de volledig aya citeren kan al een eindje op weg helpen. Ik neem de vertaling van Fred Leemhuis:

“Als de heilige maanden zijn verstreken, doodt dan de veelgodendienaars waar jullie hen vinden, grijpt hen, belegert hen en wacht hen op in elke mogelijke hinderlaag. Maar als zij berouw tonen, de salaat verrichten en de zakaat geven, legt hun dan niets in de weg. God is vergevend en barmhartig.”

Je hoeft het voorgaande en volgende nog niet eens te lezen, om te beseffen dat het hier om bepaalde historische – of desnoods ook niet-historische, verzonnen – omstandigheden gaat. Er wordt een tijdsaanduiding gegeven, er is sprake van een belegeringen en dus kennelijk van geordende troepen en er is ook nog een alternatief: als ze berouw tonen, die veelgodendienaars – genoten-gevers, zegt mijn moeizame oude vertaling van Kramers – dan moet hun niets in de weg gelegd worden, want Allah is vergevend en barmhartig.

Er valt hier nog veel meer over te zeggen, maar over die concrete historische uitleg wil ik het nu verder niet te veel hebben. Ik verwijs bijvoorbeeld graag naar het stukje Koran voor beginners dat Hassnae Bouazza al eens over dit soort dingen geschreven heeft.

Het gaat me nu vooral om de tweede vraag: wat doet een lezer met deze woorden, ook als die voor hem heilig en onwrikbaar zijn? Dat is trouwens een vraag die wel direct uit de voorgaande voortvloeit. Tot wie zijn die woorden eigenlijk gericht? Tot elke moslim die ze leest? Moet die direct maar aan het vermoorden van ongelovigen slaan? De tekst laat al zien dat dat niet het geval is. Het gaat om specifieke omstandigheden en die woorden zijn dus gericht tot bepaalde georganiseerde strijders die de ongelovigen moeten belegeren en dan ook nog een uitweg moeten aanbieden. Het gaat helemaal niet om een bevel dat zich rechtstreeks richt tot de gelovige lezer.

Stel je eens voor: een vrome moslim leest deze woorden. Hij denkt: zo is het dus. Hij pakt zijn kromzwaard van de muur, zoekt naar ongelovigen waar hij hen maar kan vinden – hier in Nederland en in Amsterdam een peulenschil – en doodt hen. Opdracht uitgevoerd.

Flauwekul natuurlijk. Belachelijk. Maar het is wel zo ongeveer wat Bosma suggereert, al zal hij redelijk genoeg zijn om toe te geven dat de maatschappelijke realiteit er anders uitziet, al was het maar omdat die moslims niet doorhebben wat hij wel beseft.

Iets eerder heeft hij namelijk al uitgelegd – die term gebruikt hij – hoe het moet:

“De islam kent een gebod aan gelovigen om op jihad te gaan: een gewelddadige, collectieve oorlog om ervoor te zorgen dat de islam de wereld onderwerpt. Dat staat letterlijk in de Koran.”

Tja. Dat soort ideeën bestaat wel ergens. Maar hier blijkt het dus niet om individuele acties te gaan, maar om een collectieve oorlog, enigszins een pleonasme, maar het geeft al aan waar het om gaat: er is een leger nodig. En zo’n leger staat natuurlijk onder een bepaald gezag. Er moet een aanvoerder zijn. Jihad in de zin van de ‘kleine’, fysieke jihad, is niet veel anders dan een theorie omtrent de rechtvaardige oorlog en net zoals dat in de augustijnse, door Michael Walzer weer tot leven gewekte variant in het westen gaat, bestaan er dan altijd enkele voorwaarden. Zo’n oorlog kan bijvoorbeeld alleen door een kalief of een emir of zo uitgeroepen worden. En van tevoren moeten er voorwaarden gesteld zijn. En nog veel meer. Men kan dat zo even nakijken – Wikipedia voldoet al – en dan zie je al gauw dat voor een offensieve jihad, om de islam uit te breiden, ook theoretisch alle voorwaarden ontbreken.

Defensief gaat het allemaal wat gemakkelijker, want in elke rechtvaardigeoorlogstheorie mag je jezelf natuurlijk wel proportioneel verdedigen als je aangevallen wordt. Vandaar dan ook dat Al-Kaida en andere organisaties die met dat vereiste bevoegde gezag nogal in hun maag zitten, al hun acties dan ook als vormen van defensieve jihad voorstellen: óók de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon, hoe ridicuul dat zakelijk gesproken ook is. Dáár, in die buitensporige interpretatie, zit een reëel gevaar, maar die staat dan ook ver buiten de mainstream.

Ik keer terug tot mijn punt. Wat doet de lezer met zo’n tekst? Het antwoord is in het algemeen: niets. De Koran is een heilig boek, een reciet. Je luistert ernaar en je zegt: wat mooi. Dat is het. Het ding fungeert binnen een bepaalde religieuze praxis en heeft daarbinnen zijn plaats. Er is geen normale lezer die opspringt en aan het moorden slaat. Anders zou die bijlage van de NRC van gisteren ook al gevaarlijk zijn. Stel eens dat een gelovige moslimabonnee denkt: ‘Tjonge, daar herinnert die Bosma met zijn geweldige kennis van mijn godsdienst me aan mijn plicht. Ik zal die vandaag eindelijk eens vervullen.’ Na gisterochtend heb ik niet gehoord van meldingen van toegenomen geweld.

Bosma beweert dat er met die tekst niet te redetwisten valt. Dat klopt in zekere zin. Die tekst staat er. Voor niet-moslims is het de vraag waarom je zo’n tekst en het hele boek waarin hij staat, 1400 jaar met je meesleept, maar daar gaat het nu niet om. Die tekst staat er en die is heilig. En wat doe je dan? Juist, je interpreteert.

Juist omdat teksten onwrikbaar zijn, wordt er volop geïnterpreteerd, ook door lieden die dat zullen ontkennen. Interpreteren is niet: de tekst tegenspreken of relativeren. Maar: je afvragen wat je er mee doet. Uitleggen dus: wat ie toen betekende. En eventueel: wat de consequenties voor nu zijn.

En je hoeft werkelijk vrijwel niets van de islam te weten om dan al te beseffen dat de interpretatie dat elke ongelovige in alle omstandigheden – waar je hem maar vindt – en in alle tijden dan onmiddellijk gedood zou moeten worden, alleen praktisch al nooit kan werken. Het zou een mooie boel worden als elke moslim zich altijd gerechtvaardigd zou achten om elke ongelovige te doden, ook al zouden de meesten in grenzeloze nalatigheid zo inconsequent zijn dat niet te doen. Handel met moslims zou zo in de voorbije veertien eeuwen schier onmogelijk zijn geweest. Minderheden zouden niet meer bestaan in islamitische landen. En zo verder. Kortom, onzin, alleen praktisch en historisch al.

De werkelijkheid is natuurlijk dat er volop geïnterpreteerd is. De Koran, hoe heilig ook, is maar een klein onderdeel van het moslimse geloof. Er zijn de Ahadith, de overleveringen. Het gaat altijd om Kitab waSoennah, om Schrift en Traditie, het zelfde tweetal dat we ook uit de katholieke traditie kennen. Er zijn vier rechtsscholen, toch drie te veel als er nooit eens iets op een andere manier uitgelegd werd. Juist omdat de Koran zo onaantastbaar is, is de islam een en al interpretatie. Het kan ondertussen best zo zijn dat het met aanpassing aan de moderne wereld daarbij niet altijd zo voorspoedig verloopt, maar zeg niet dat er geen discussie over de betekenis en de praktische gevolgen van teksten bestaat. Die bestaat volop. Het kan niet eens anders.

Wat wel gebeurt, is dat een schriftgeleerde zijn interpretatie voor de enig juiste en toelaatbare houdt. Dat noemen we vaak fundamentalisme. En in die hoek hoort ook Martin Bosma. Net als de fundamentalisten stelt hij dat zijn uitleg de enig juiste is en dat de overige zienswijzen er helemaal naast zitten. Zo is hij een antihermeneuticus: iemand die ontkent dat interpretatie mogelijk is en die niet doorheeft wat hij zelf doet.

Daar is de samenhang met het ‘gnosticisme’ van Bosma. Hij wéét, hij twijfelt niet. Zijn theorie is immuun tegen alle feitelijke weerlegging. Hij weet wat de kern van de islam is, zoals Osama bin Laden dat ook weet. Alleen probeert de laatste zich daaraan te onderwerpen – dat betekent islam ook – en bestrijdt Bosma die. Die essentie is onafhankelijk van empirische imput. Die ligt immers al kant en klaar voor ons in de vorm van een beperkt arsenaal ondubbelzinnig opgevatte teksten. En als die fout zijn, dan bestrijdt je die. De werkelijkheid kan dan wat tegenvallen en er kunnen wat weinig moslims zijn die die kern overnemen, dat kan altijd nog gebeuren. Ondertussen blijf je ‘de islam’ bevechten en kun je ook nog in alle onschuld zeggen dat je niets tegen moslims hebt. Het enige probleem is dat ze maar niet snappen wat hun godsdienst inhoudt.

Zo is het ook niet onbegrijpelijk dat Bosma niet weet of de Nederlandse cultuur en samenleving het wel van de islam kunnen winnen. De essentiële islam is immer onveranderbaar en kan in die zin als geestelijke werkelijkheid eigenlijk ook nooit verdwijnen. Daar kun je nooit van winnen, je kunt alleen maar hopen dat niet al te veel moslims daar meer van besef krijgen. Maar elke moslim blijft zo wel een potentieel gevaar.

De vijand is er altijd. Dat is de kern van Bosma’s wereldbeeld. En feiten helpen niet, want hij wéét. De grap is dat Bosma de islam voortdurend vergelijkt met totalitaire ideologieën als het nationaal-socialisme en communisme, maar dat zijn eigen gesloten wereldbeeld daar toch verrassend veel overeenkomsten mee vertoont. PVV’ers schreeuwen moord en brand als iemand zelfs maar op enige voorzichtige overeenkomsten met het (vooroorlogse) fascisme, dus nog van voor de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, wijst, maar dat ze zelf voortdurend de vergelijking van stal halen, dat vinden ze vanzelfsprekend: Koran en Mein Kampf en zo meer, we kijken er niet meer van op, zozeer zijn we er al aan gewend geraakt.

Maar vooral de vergelijking met het communisme en de bijbehorende marxistische of marxistisch-leninistische theorie is interessant. Het marxisme was als allesverklarende theorie ook immuun tegen feiten. Als je iets niet direct materialistisch tot de onderbouw kon herleiden, was er altijd wel een achterliggende redenering mogelijk die de zaken toch keurig in het juist kader wist te plaatsen. In laatste instantie was de onderbouw immers wel bepalend, zelfs als je de link zelf niet kon aanwijzen. Bosma vertelt uit een links milieu afkomstig te zijn. Hij denkt dat hij de premissen daarvan verworpen heeft, maar het ziet er meer naar uit dat hij een aantal stellingen alleen maar omgekeerd heeft: hij denkt alleen maar het tegendeel, maar van zelfstandig denken in de termen van empirische verificatie en vooral falsificatie is geen sprake.

Bosma verzet zicht tegen de revolutie van ‘68 – niet toevallig gaat dat boek van Jacques de Kadt waar hij zo opzichting in zit te lezen juist daarover -, maar hij beseft niet hoezeer hij in zijn ontkenning en verzet er een rechtstreeks kind van is. Die revolutionairen van ’68 zijn meestal allang tot bezinning gekomen, maar de bestrijders zijn nog volop onder ons: ze vormen in feite de echte erfgenamen, de enigen die nog in die sferen leven. Zijn onbegrip voor en afkeer van het idee van vaste transcendente normen, die werkelijk niet alleen in de islam voorkomt, maar wel degelijk tot de standaardargumentatie in veel christelijke beschouwingen behoorde en nog behoort – wel eens gehoord van de claim dat de Bijbel, het liefst in de Statenvertaling, het onfeilbare Woord Gods is? -, lijkt niets anders dan een bezinksel van de in de jaren zeventig gangbare, marxistische ‘religiekritiek’. Alleen de theoretische onderbouwing ontbreekt.

Het huidige nieuwrechts lijkt in de polarisatiedrift sterk op het Nieuw Links van vroeger, al is er een belangrijk verschil: de speelsheid, de poging tot bevrijding ontbreekt. Het is nu alleen maar verbetenheid. En bij Bosma is die des te gevaarlijker, omdat hij niet de allerdomste is. Hij gelooft oprecht in zijn gesloten wereldbeeld. Dat maakt hem ook gevaarlijker dan Geert Wilders, die nooit het niveau van een matig havoklantje (léés dat program en je ziet het) – excuus aan alle slimme en ontwikkelde havo’ers – zal ontstijgen. Bosma brengt zijn flauwekul zo redelijk dat allerlei mensen denken dat er toch wel eens iets in zou kunnen zitten. Ach ja, dat boek moet je toch maar eens lezen, want hoe kun je er anders nu over meepraten? Er zou best iets in kunnen zitten. En ér zit vast ook wel iets in. Maar de premissen zijn ideologische onzin, dat kun je op grond van vraaggesprekken zo ook wel zien.

Bosma vertelt hoe de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004 voor hem bepalend is geweest. Hij was op weg naar de bakker om een halfje bruin te halen, maar zover kwam hij niet. Hij zag het lichaam van Van Gogh op straat liggen. Ik heb die dag ook staan kijken vanuit vier windrichtingen. Voor mij was het letterlijk om de hoek, al moest ik dan eerst vier zijstraten overslaan. De ironie wil dat de moordenaar, Mohammed Bouyeri, ongeveer op dezelfde manier met teksten omgaat. Ook voor hem waren een paar citaten voldoende. De aan Ayaan Hirsi Ali gerichte brief op het lijk van Van Gogh was gestructureerd rond vijf uit hun verband gerukte Talmoedteksten die de ‘ideologie’ van de joden, in wier dienst het toenmalige Kamerlid zou staan, bloot probeerden te leggen. (Overigens is aan die anti-joodse, antisemitische structuur altijd relatief weinig aandacht besteed.) Het was een rijtje dat her en der zo op internet te vinden was en je ziet de Engelstalige herkomst er nog aan af. Neem deze tot Hirsi Ali gerichte vraag die trouwens niet van overmatige staatsrechtelijke scholing getuigt:

“Wat vindt u van het feit dat u deel uitmaakt van een regering die een Staat steunt met een ideologie dat genocide bepleit?” Soferim 15, regel 10 (Minor Tarctates): Dit is de uitspraak van Rabbijn Simon ben Yohai: Tob shebe goyyim harog (‘Zelfs de beste van de Gentiles zouden gedood moeten worden’)

Het is exact dezelfde manier van denken als je bij Martin Bosma en veel hedendaagse islambashers aantreft. Enkele teksten zijn voor Bouyeri voldoende om te laten zien dat het jodendom een moorddadige ideologie is. Op precies dezelfde manier weet Martin Bosma dat de islam een gewelddadige moordzuchtige ideologie is, al is zijn parlementaire strijdwijze vervolgens een stuk beschaafder.

Tegelijk geeft dat het gevaar aan. Een moslimfundamentalist behaalt niet gauw een zetel in ons parlement. Een grootscheeps onderzoek dat vrijdag ook gepresenteerd werd, toonde dat ten overvloede nog weer eens aan. Maar Martin Bosma heeft drieëntwintig collega’s, die kennelijk met dit soort gekte instemmen of er althans geen grote moeite mee hebben. En nog gekker, de fractieleider van twee op zich echt wel onverdachte partijen onderhandelen met de leider van zijn partij over de vorming van een kabinet en verklaren expliciet én actief dat dit soort opvattingen door die partij ook in de hoedanigheid van samenwerkingspartner uitgedragen moeten kunnen worden, ook al zijn ze het er zelf duidelijk niet mee eens.

Uiteraard, met de directe consequenties zal het vooreerst nog wel meevallen. Bosma strijdt ook meer tegen een hersenschim dan tegen mensen van vlees en bloed – dat is nu eenmaal de kern van zijn strijd. Maar ondertussen, de gekte, de feitelijk gekte, wordt ondertussen toch onderdeel van onze dagelijkse leefwereld. Een ideologie die immuun is tegen werkelijkheid, bepaalt sluipenderwijs wel onze maatschappelijke en mentale werkelijkheid en dat is zorgelijk. En dat vooral omdat het voor de oppervlakkige waarnemer ook allemaal weer niet zo gek lijkt. Er zijn toch moslimterroristen? Er worden toch aanslagen gepleegd op ongelovigen – en vooral op moslims die tafkir verklaard worden, dus als ongelovigen gezien worden? Ja, wis en waarachtig wel. Maar met de maatschappelijke realiteit van alledag heeft dat weinig tot niets te maken.

Op de foto’s bij het interview draagt Bosma een shirt met daarop het embleem van Tsahal, het Israëlische verdedigingsleger (ook bekend onder de Engelse afkorting IDF: Israel Defense Forces) en dat zegt veel. De Haganah kan dan ooit begonnen zijn om de Jisjoev, de Joodse koloniseringsgemeenschap in Palestina te verdedigen, het leger staat toch vooral bekend vanwege de vele aanvalsoorlogen. Over de oorlog van 1947-49, toen honderden Palestijnse dorpen werden verwoest, hoeven we het dan nog niet eens te hebben. Toen ging het ook om een oorlog van twee kanten. Maar bij alle oorlogen op die van 1973 na was het toch Tsahal dat aanviel, al waren er altijd wel aanleidingen en speelde een gevoel van bedreiging ongetwijfeld een rol. Maar dat iemand met een shirt van een notoir agressief leger pronkt, dat zegt al veel.

(Toevoeging: ik begrijp dat niet iedereen direct met deze passage zal instemmen. Ik zal proberen die nog eens beter uit te leggen. De constatering dat Israël schier alle oorlogen begonnen is, wil niet zeggen dat ik het bestaansrecht – een woord dat vrijwel nooit bij andere staten valt – zou ontkennen of dat ik het land waar ik mijn gelukkigste jaren beleefd heb, niet het beste zou toewensen. Wat we zien: zoals Israël ooit een icoon van links was – Drees ging in 1959 kijken en kwam laaiend enthousiast terug – is het nu een icoon van nieuwrechts. Maar dat kun je niet alle bewoners van dat land aanrekenen.)

Het is tekenend voor de ideologie van de omkering. Vallen moslims ons aan? Op een aantal terroristen na: nee. Valt de islamitische wereld ons, ons in het westen of Nederland dus, aan? Nou, nee. Roert het westen zich intensief in islamitische landen? Ja, al sinds de tijd van het imperialisme. We hoeven het niet eens over de straatsgreep in Iran in 1953 te hebben, de steun aan het regime van Moebarak, de inmenging in Algerije in 1992 en nog veel meer, verwijzen naar Irak en Afghanistan is genoeg.

Ligt het vaak niet genuanceerd? Waren er geen redenen, heeft de koloniale overheersing niet ook technologie, vooruitgang en moderne ideeën gebracht? O, ongetwijfeld. Je kunt niet simpel alles zwart en wit tekenen, maar als je toch grote lijnen wilt trekken, dan is het helder dat het westen – en dat is in moslimse ogen die religie alleen als sociale categorie kunnen zien, het christendom – de wereld van de islam – let wel: niet de islam als zodanig – de laatste eeuw of eeuwen voortdurend heeft aangevallen, terwijl het omgekeerde nauwelijks of veel minder het geval is (of je moet over een lokaal geval als de stammenstrijd tussen bijvoorbeeld herders en akkerbouwers in Nigeria beginnen). En hoe bedreigd Israël zich ook terecht kan voelen, het heeft toch vaker de buurlanden aangevallen dan dat die de Joodse staat iets aangedaan hebben. Waarbij dan overigens de identificatie tussen jodendom en het westen (het christendom) nog een bijkomend opvallend punt is. Niet met de christenen in Libanon identificeren we ons primair, maar met de joden in het zuidelijke buurland – wie had dat een eeuw geleden kunnen verzinnen?

En de moslims hier? Overheersen die ons? Als ze meer van uitkeringen gebruik maken dan de gemiddelde bevolking, waarom is dat dan? Ja, juist omdat ze vaker aan de onderkant van de maatschappij zitten. Dat mensen zich daaraan ergeren, dat kan ik begrijpen. Maar een gevaar? Juist die mensen met weinig invloed en macht een gevaar?

We leven nu in een wereld waarin de angstaanjagerij en vooral de feitelijke flauwekul van Martin Bosma ineens een serieus onderwerp van gesprek is. Je weet immers maar nooit of die jongen niet iets zinnigs opmerkt. Dat zal ook wel. Maar de kern blijft.

Martin Bosma is een antihermeneutische gnosticus die weet wie de vijand is en op wiens ideologie feiten geen vat hebben.

Geef een reactie

Laatste reacties (101)