616
16

Lobbyist en Politiek Filosoof

Robbert Baruch is Manager Public Affairs bij Buma/Stemra. Hij is op 12 oktober 1967 in Amsterdam geboren. Hij studeerde Politicologie (Politieke Filosofie) en Bestuurskunde in Leiden en Theologie in Amsterdam en Jeruzalem. Zijn studie politicologie rondde hij af met een scriptie over Vondel's Palamedes en de 17e-eeuwse Nederlandse politieke filosofie. Na zijn studie werkte hij achtereenvolgens als communicatiestrateeg bij een internationaal reclamebureau, communicatiemanager bij de ING Groep, bestuursadviseur, wethouder van de Rotterdamse deelgemeente Feijenoord en lobbyist voor het Verbond van Verzekeraars in Den Haag.

Over jezelf

Menig hoogleraar, Kamerlid en andere VIP laat zich voorstaan op zijn of haar nederige afkomst

Mijn ene grootvader was diamantair. Op zijn zestiende kreeg hij een eigen fabriek van zijn vader. Hij bouwde gestaag een imperium uit en bezat op zijn veertigste kloverijen in Amsterdam, Antwerpen en Kaapstad. Na zijn pensioen onderhield hij vanuit zijn huis aan de Gironde een groot aantal kunstenaars, maar hij gaf ook geld aan rebellen in Zuid-Amerika, terwijl hij tegelijkertijd een aantal Ministers van Buitenlandse Zaken adviseerde over het bestrijden van deze opstandelingen.

Mijn andere grootvader was een nazaat van bootleggers die vanuit Canada geld hadden verdiend aan de drooglegging in de Verenigde Staten. Hij was Hoogleraar Indisch Recht aan de Universiteit van Leiden. Tegen zijn emeritaat trouwde hij een mooie maar rijke en jonge adelijke weduwe en kocht een aantal bakkerijen. Vlak voor de oorlog verplaatste hij de industrie naar Noord-Afrika, Zwitserland en Oezbekistan (!) en vergaarde verder kapitaal door onder zeer moeilijke omstandigheden maar tegen een schappelijke prijs verpakt brood te verkopen aan de geallieerden. Hij heeft er later de Four Freedoms Award voor gekregen en als enige niet-soldaat ooit, de Militaire Willemsorde.

Het bovenstaande is allemaal onwaar, maar het zijn wel mooie verhalen. Als ik het zo teruglees, ziet het er allemaal opschepperig uit. Immers: als het al waar zou zijn, zou het vergaarde kapitaal en bijdragen aan de maatschappij niet mijn verdienste zijn, maar van hen. Niets op me voor te laten staan, dus. Gelukkig wordt ook niet zo heel veel opgeschept in Nederland, althans, niet over voorouders met geld, macht en status. En zeker niet op iets wat op “elite” lijkt, want daar zijn we tegen.

Het omgekeerde gebeurt vaker. Menig hoogleraar, Kamerlid en andere VIP laat zich voorstaan op zijn of haar nederige afkomst. Ouders en grootouders zijn ziek, vluchteling, anaflabeet of timmerman.  Maar eerlijk, proper en hardwerkend. Als ze al in de grote stad woonden, dan in een wijk die vroeger een gezellige arbeidersbuurt was, en nu volstrekt verpauperd is.

Ik vind het vaak lachwekkende en soms beschamende vertoningen die me nog het meest doet denken aan de 4 Yorkshiremen die beroemd zijn gemaakt door Monty Python en opscheppen over de armoe die ze in hun jeugd gekend hebben:

I had to get up in the morning at ten o’clock at night, half an hour before I went to bed, eat a lump of cold poison, work twenty-nine hours a day down mill, and pay mill owner for permission to come to work, and when we got home, our Dad would kill us, and dance about on our graves singing “Hallelujah.

De originele uitvoering is trouwens niet van Monty Python maar van Tim Brooke-Taylor, John Cleese, Graham Chapman en Marty Feldman.

Neem een gemiddelde groep doctorandussen en vraag ze naar hun grootouders. De kans is groot dat de meesten van hen een ambachtelijk beroep hadden of in de industrie werkten, op het platteland woonden of in een kleine stad, of in  een arbeidersbuurt in de grote stad. Ze hadden alleen lagere school en eventueel een vervolgopleiding op een ambachtsschool, hadden het niet breed thuis, moesten hard werken, en hadden geen toegang tot politieke macht, maar waren wel sociaal betrokken.

Niet heel moeilijk, want rond de Tweede Wereldoorlog hadden de meeste Nederlanders een ambachtelijk beroep of werkten in de industrie woonden op het platteland of in een kleine stad, of in een arbeidersbuurt in de grote stad, hadden alleen lagere school en eventueel een vervolgopleiding op een ambachtsschool en het niet breed, en moesten hard werken en hadden geen toegang tot politieke macht, maar waren wel sociaal betrokken.

Vanaf de jaren ´60 kwam de trek naar de stad op gang, verdween de industrie en de ambacht, en was er voor veel meer mensen de mogelijkheid om Hoger Onderwijs te volgen.

Het is dan ook niet een verworvenheid van de mensen die zich erop laten voorstaan, maar vooral een gevolg van de ideeën van de PvdA die door bijna iedereen zijn overgenomen, en nog steeds actueel zijn: namelijk dat toegang tot kennis, geld en macht voor iedereen evenredig beschikbaar moet zijn. Aan het begin van deze eeuw nog een absurde gedachte.

Van mij mogen mensen best de achtergrond van hun ouders en grootouders vermelden. Maar het is eerlijker en relevanter om dat in breder perspectief te plaatsen: dat van de veranderde ideeën over de mogelijkheden die mensen moeten hebben, en de mogelijkheden die mensen moeten hebben. Kortom: persoonlijke geschiedenis is vaak politieke geschiedenis.

Geef een reactie

Laatste reacties (16)