1.034
13

Columnist

Brechtje Paardekooper (1964) is onder meer politiek blogger en columnist. Ze promoveerde op hulpverlening aan Sudanese vluchtelingenkinderen. Ze is lid van de links-liberale denktank Waterland en mede-oprichter van AmbtoNetwerk, het ambtenarennetwerk van GroenLinks. Ze publiceerde onder meer “Verhalen uit het vooronder, ambtenaren over de overheid” (met Thomas Schillemans) en “Slow Sex, naar een erotisch beschavingsoffensief” (met Dylan van Rijsbergen).

Oxfam-Novib directeur Farah Karimi moet ten aanval

In haar stuk “Waarom in Haïti 200 duizend doden vielen en in Californië 67”, eerder op Joop.nl, stelt Marcia Luyten dat OxfamNovib-directeur Farah Karimi het falen van de eerdere hulp aan Haïti moet erkennen.

Immers, door de welig tierende corruptie zijn in Haïti veel te weinig aardbevings-bestendige huizen gebouwd. Daardoor zijn meer doden gevallen dan noodzakelijk. Even afgezien van het feit dat het niet alleen NGO’s zijn geweest die de miljarden hulpgeld hebben besteed in Haïti -wat te denken van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank, en wat te denken van de bilaterale bijdragen?-, en even los van het gegeven dat NGO’s niet bepaald de grootste huizenbouwers zijn, is het een verkeerd gericht verwijt.

Laten we eerst een ding vaststellen: het is de regering van Haïti die verantwoordelijk is voor haar onderdanen. Het is te makkelijk om de hulporganisaties nu maar de schuld te geven: het is de regering die met kracht moet worden aangesproken op haar verantwoordelijkheid. Zij moet desnoods met dwang onder druk worden gezet om het beter te doen. En het is ook de Haïtiaanse regering die een dergelijk onderzoek moet laten uitvoeren, liefst door een onafhankelijke buitenlandse onderzoekscommissie. En tenslotte is het ook de regering van Haïti die de verantwoordelijkheid heeft voor het tegengaan van corruptie en patronage. Ook daarop moet ze worden aangesproken. En de tijd dringt: want het is diezelfde Haïtiaanse regering die nu persé de wederopbouw zelf ter hand wil nemen, mét alle miljarden die daarmee gemoeid zijn.

Het is voor mij daarom onbegrijpelijk dat NGO’s de Haïtiaanse regering niet al luidkeels hebben opgeroepen op precies dat onderzoek dat Luyten voorstaat: wat is de reden dat er zoveel doden zijn gevallen? En los daarvan is er een ander belangrijk issue waar maatschappelijke organisaties zich per direct over moeten buigen: terwijl de Haïtianse regering hopelijk begeleid wordt in het ter hand nemen van de wederopbouw, moeten NGO’s, samen met de Haïtianen een onafhankelijk en kritisch panel opzetten dat de wederopbouw en de uitgaven die daarmee gepaard gaan, controleert.

Regeringen regeren – en maatschappelijke organisaties hebben de taak om een countervailing power, een tegenmacht te zijn tegenover de regering. Macht en tegenmacht is onontbeerlijk voor het functioneren van een democratie. De belangrijkste reden dat maatschappelijke organisaties actief zijn in ontwikkelingssamenwerking -de verzuiling even daargelaten- is het gegeven dat zij maatschappelijke organisaties in OS-landen kunnen steunen om die rol te vervullen. De praktijk is weerbarstig. Veel NGO’s in ontwikkelingslanden zijn nauwelijks echte maatschappelijke organisaties te noemen. Ze hebben zelden echte grassroots, het zijn zelden bewegingen die een roep om transparantie en democratie kunnen mobiliseren. Het kost ook jaren en jaren hard werk om dergelijke bewegingen op te bouwen; het is trekken en sleuren, duwen en wringen. Medefinancieringsorganisaties hebben het bouwen van een dergelijke countervailing power dan ook nauwelijks meer als uitgangspunt. Onderzoeker Dirk Jan Koch toonde aan dat medefinancieringsorganisaties vaak weinig kritisch zijn over met welke organisaties ze in zee gaan: ze spelen kluitjesvoetbal en financieren niet zelden met zijn allen dezelfde NGO’s. Ze nemen liever geen (financiële) risico en gaan zelden met nieuwe organisaties in zee. Daar komt bij, dat NGO’s in ontwikkelingslanden vaak evenzeer opgericht worden vanwege de  werkgelegenheid -NGOmedewerker is en relatief gode baan- als uit idealisme. Pragmatische uitgangspunten gaan dan al gauw overheersen en in opstand komen tegen onrecht is een ondankbare taak.

Maar de Haïtiaanse regering zal nooit een stap richting transparantie willen zetten, als daar niet stevige politieke druk op staat.  Nu er een kans ligt om het eens helemaal anders te doen en de situatie ten goede te keren, moet de internationale politiek Haïti dwingen tot democratisering en hervormingen. In een wereld waarin grondstoffen-politiek en geopolitieke overwegingen een toenemend belangrijke rol spelen in buitenlandse betrekkingen is dat steeds minder vanzelfsprekend. Druk van de NGO’s om de aandacht op Haïti’s noodzakelijke hervormingen te blijven vestigen is dus nodig. Zelfs het vermaledijde IMF en de Wereldbank kan daarbij een nuttige bondgenoot zijn.

Maatschappelijke organisaties moeten zich weer meer bezig houden met hun kerntaak: onrecht aankaarten, machtsverhoudingen beïnvloeden, actie voeren. We hebben ze meer dan ooit nodig. En juist Haïti kan niet zonder. Farah Karimi moet dus niet zozer één of andere imaginaire schuld bekennen. Farah Karimi moet ten aanval.

Lees hier het stuk van Marcia Luyten.

Geef een reactie

Laatste reacties (13)