684
17

Promovendus/schrijver

Dennis Schep (1985) woont sinds 2007 in Berlijn, waar hij als promovendus onderzoek doet naar autobiografische structuren. In 2005 richtte hij het theaterfestival Morgensterren op, en in 2006 publiceerde hij het literaire tijdschrift Paperwaste. Hij is de auteur van meerdere wetenschappelijke artikelen en het boek "Drugs; Rhetoric of Fantasy, Addiction to Truth." Daarnaast organiseert hij cursussen bij The Public School Berlin.

P2P-communisme en de client-server staat

Wetgeving als ACTA is puur en alleen bedoeld om de economische belangen van uitgevers en platenmaatschappijen te beschermen en staat op geen enkele manier in dienst van auteurs en kunstenaars

Met de recente arrestatie van Kim Dotcom, de chef van Megaupload en Megavideo, en de ophef rondom nieuwe wetgeving tegen internetpiraterij (SOPA, PIPA, ACTA) is het debat over internetvrijheid opnieuw opgelaaid. Aan de ene kant zijn er de platenmaatschappijen, filmmaatschappijen en uitgeverijen, die de hulp van de staat inroepen om effectiever tegen het illegaal kopiëren van auteursrechtelijk beschermd materiaal op te kunnen treden. Aan de andere kant is er het leger van consumenten die hun favoriete series liever op Megavideo bekijken dan ervoor te betalen. Op het eerste gezicht lijkt dit een strijd van welwillende kunstenaars en de infrastructuur die hun belangen vertegenwoordigt tegen een schare opportunistische klaplopers. Maar een grondige analyse laat zien dat de verhoudingen anders liggen.

Ten eerste is er het copyright. Hoewel platenmaatschappijen erg hard hun best doen ons ervan te overtuigen dat het auteursrecht er is om de kunstenaar te beschermen, laat de geschiedenis van deze wetgeving een ander beeld zien. De eerste copyright-wetgeving dateert uit het absolutistische Engeland van de 16e eeuw, en was bedoeld om de monarchie in staat te stellen een effectieve censuur uit te oefenen. De auteur werd buiten deze wetgeving gehouden; het ging er enkel en alleen om de staatsdrukkerij van het monopolie op de circulatie van tekst te voorzien. In 1709 kwam hier verandering in met het “Statute of Anne”, dat bepaalde dat auteurs, en niet hun uitgeverijen, de rechtmatige eigenaren van hun eigen werk waren. Maar ook deze wetgeving werd niet ingevoerd om auteurs te beschermen, maar om het monopolie van de staatsdrukkerijen te bestrijden. Het waren dan ook de uitgeverijen, en niet de auteurs, die van deze wetgeving profiteerden. 

Zonder al te diep op de geschiedenis van het copyright in te gaan kan gesteld worden dat het altijd de uitgeverijen, en niet de auteurs zijn geweest die het meest bij deze wetgeving gebaat zijn. Hoewel auteurs sinds de vroege 18e eeuw technisch gezien zelf het copyright van hun teksten in handen hebben, hadden ze tot voor kort niet de beschikking over de infrastructuur om hun teksten te printen en te verspreiden. De auteur verkeert daarmee in een positie van afhankelijkheid die uitbuiting tot de regel maakt. Dit is momenteel vooral duidelijk in de wereld van de academische publicaties: het merendeel van de academische tijdschriften betaalt de auteur niet voor zijn artikelen, terwijl het vaak 30 of 40 euro kost om een artikel online te mogen lezen. Dit bedrag komt volledig ten goede aan de uitgeverij; en omdat auteurs die niet publiceren in de academische wereld snel vergeten worden is iedere onderzoeker maar wat blij zijn artikelen gratis voor deze tijdschriften te schrijven, terwijl hij ze net zo goed op zijn blog had kunnen plaatsen. Maar ook in de muziekwereld verdient de gemiddelde artiest met één concert meer dan hij of zij in een jaar aan royalties bij elkaar weet te sprokkelen. Het is dan ook niet verrassend dat veel artiesten hun werk gratis online aanbieden, en dat veel academici, voor wie het belangrijker is dat hun werk gelezen wordt dan dat derden er geld aan verdienen door de circulatie ervan te beperken, hun gepubliceerde teksten ook gratis online verspreiden.

Wetten worden niet gemaakt door auteurs en artiesten, maar door de staat, en de staat zoals wij die kennen is er om economische privileges te verdedigen. Copyright is een legale constructie ontworpen om de immateriële rijkdom van kunstwerken en ideeën in een economisch systeem ontworpen voor materiële producten te doen passen; om ervoor te zorgen dat men immateriële rijkdom kan bezitten, verhandelen, en de circulatie ervan kan beperken. Maar de immateriële rijkdom van bits en bytes volgt andere regels, en schept mogelijkheden voor een nieuw soort economie. 

De grove lijnen van deze nieuwe economie beginnen langzaam zichtbaar te worden, en zoals ook in de traditionele economie van materiële waren het geval is zijn er hier zakkenvullers en idealisten. In de eerste categorie vinden we Kim Dotcom, die net zoals platenmaatschappijen en uitgeverijen enorme bedragen verdiende met de producten van anderen, en Mark Zuckerberg, die bijna een miljard werknemers in dienst heeft zonder deze te betalen. De tweede categorie bestaat vooral uit digitale activisten die proberen producenten en consumenten dichter bij elkaar te brengen zonder tussenkomst
van een op uitbuiting gebaseerde infrastructuur: hier vinden we Aaron Schwartz, die bijna vijf miljoen JSTOR-artikelen downloadde om ze aan het publieke domein terug te geven, en de oprichters van aaaaarg.org, een non-profit website om boeken en artikelen te downloaden. Deze groep probeert een domein te creëren waarin kunst en kennis vrij kunnen circuleren zonder tussenkomst van kapitalisten die de internetvrijheid opofferen om hun eigen belangen veilig te stellen en politici die deze belangen maar wat graag behartigen, omdat de nieuwe wetgeving ook hen een heel arsenaal aan nieuwe mogelijkheden biedt om het internet te controleren.

Vrijwel ieder medium kent een utopische fase, waarin nieuwe technische mogelijkheden als voorbodes van een nieuwe en betere wereld bejubeld worden. Maar in de regel worden deze utopische verwachtingen bijgesteld wanneer economische of politieke belangen een beteugeling van de nieuw verworven vrijheden vereisen. Zo ging het met de boekdrukkunst (de indirecte oorsprong van het copyright) en met de radio (die de ether tot koopwaar maakte), en zo lijkt het nu met het internet te gaan. Hierbij mag men echter niet uit het oog verliezen dat de nieuwe wetgeving alleen mogelijk is door een proces van verticaliserig dat al jaren aan de gang is. De architectuur van het internet is in de jaren ’60 ontworpen met als doel een netwerk te creëren dat niet uit zou vallen wanneer een of meer centrale computers beschadigd werden. Het is een bij uitstek gedecentraliseerde architectuur, waarin computers zich zonder tussenkomst van een server met elkaar kunnen verbinden (P2P, of peer-to-peer, staat voor de directe verbinding tussen twee computers; torrents en file-sharing programma’s zoals Soulseek maken gebruik van P2P-communicatie). Maar tegenwoordig is dit slechts een klein deel van
het internet; wat de gemiddelde gebruiker onder internet verstaat is het World Wide Web, de verzameling pagina’s die je met je browser opent, en de architectuur van dit WWW is overwegend verticaal: een computer maakt verbinding met een server, die vervolgens informatie terug naar die computer stuurt (volgens het zogenaamde client-server model). De wetgeving die nu in verschillende landen wordt gedebatteerd kan alleen echt werkzaam zijn in dit laatste model, omdat online content zichtbaarder is dan gedeeld materiaal op een persoonlijke computer, en omdat alleen client-server communicatie effectief te controleren is; de controle over P2P-communicatie is niet alleen beperkt en
arbeidsintensief, maar ook eenvoudig te omzeilen. Het is dan ook te verwachten dat piraten allengs meer terug zullen keren naar de vergeten oorsprong van het internet, en een vorm van P2Pcommunisme zullen ontwikkelen, buiten de macht van de client-server staat.

De entiteiten die decennialang van de copyright-wetgeving hebben geprofiteerd is er alles aan gelegen de mogelijkheid van een nieuw soort economie in de kiem te smoren. En daarom presenteren ze zich nu als de beschermengelen die de artiest voor piraterij behoeden. Maar het feit dat deze wetgeving niet in dienst staat van auteurs en kunstenaars is met het recente corruptieschandaal bij Buma/Stemra eens te meer duidelijk geworden. Het is nu zaak de debatten rondom ACTA en andere wetgeving niet te zien als een juridische strijd tussen de entertainment-industrie en een leger opportunistische consumenten, maar als de strijd van een groep uitgeverijen en platenmaatschappijen die met de hulp van de staat lange tijd zowel auteurs en kunstenaars als hun publiek konden uitbuiten, en die hun positie nu bedreigd zien door recente technologische ontwikkelingen. Aan de ene kant de kunstenaars en hun publiek; aan de andere kant een groep exploitanten die solidariteit met artiesten veinzen, en de staat, die onpartijdigheid fingeert. Het is hoog tijd dat kunstenaars en hun publiek de handen ineen slaan, dat de staat kleur bekent, en de solidariteit van uitgeverijen en platenmaatschappijen als opportunisme ontmaskerd wordt.

Geef een reactie

Laatste reacties (17)