933
52

Initiatiefnemer [campus]OrléoN

Floor Basten (1970) groeide op in Venlo en verhuisde in 1988 naar Nijmegen. Daar studeerde zij in 1994 af in Franse Taal- en Letterkunde en in Sociale Wetenschappen. In 1996 startte ze als buitenpromovendus met een promotieonderzoek dat zij in 2000 met succes verdedigde. Daarna deed ze als postdoc in het kader van een internationaal EU gefinancierd project onderzoek naar actief burgerschap. In 2003 richtte Floor haar onderzoeksbureau OrléoN op (organisaties leren onderzoeken). Van 2006 tot 2008 was Floor programmaleider "Beelden in vele culturen" bij het Huis voor de Democratie. In 2008 nam ze het initiatief tot de oprichting van [campus]OrléoN, een netwerk dat staat voor onderzoek in de samenleving. Inmiddels heb zich zo'n 550 mensen bij dit netwerk aangesloten. Terugkerende thema’s in Floors werk zijn kennisdemocratie en open samenleving.

Plaats wetenschap midden in de samenleving

Universiteiten hebben bijna een monopolie op wetenschap, terwijl ze lang niet alle denkkracht van onze samenleving in huis hebben

De drempel naar ons wetenschappelijk onderwijs is laag. Nog nooit hebben zo veel mensen hun entree gemaakt op de universiteit en velen ook verlaten de universiteit met een titel op zak. Een klein, maar groeiend aantal gaat als promovendus verder met onderzoek. Van hen hoopt 95% op de universiteit een baan te vinden, terwijl er is slechts plek is voor 20%.

Dat er schaarste heerst op universiteiten, moge duidelijk zijn. Het wordt alleen iets anders verwoord: we willen tegenwoordig alleen nog “excellentie” en mensen die op een Caroline Tensen-achtige manier “top” voor hun beroep mogen zetten. Niemand legt uit wat “excellentie” of “top” inhoudt, maar het is in elk geval niet voor iedereen weggelegd. Schaarste noodt tot overleven en dat doen onderzoekers op verschillende manieren. Dan wordt het des te interessanter om “excellentie” nader te onderzoeken.

Geld
Het blijkt in veel gevallen te gaan om “je eigen geld meebrengen”. Hoe kom je daaraan? Je dient een voorstel in bij NWO of de EU of zoiets. Daarin schrijf je over onderzoek dat je al gedaan hebt – natuurlijk zonder dat te zeggen – en beschrijf je nauwkeurig zogenaamd te verwachten resultaten (die heb je immers bij de hand), zodat er een garantie op succes van je onderzoek is. Heb je het geld binnen, dan besteed je het aan nieuw onderzoek waar je in een volgende ronde je voorstel voor indient.

Resultaat
Maar subsidiegevers willen resultaten,  resultaten die iets opwindends hebben. Wat doe je  om aan sprekende resultaten te komen? Op de universiteit heb ik geleerd dat je bij statistisch onderzoek de extreme gevallen (uitbijters) moet elimineren. Doe je dat te rigoureus, dan heet het datamassage; maar ja, wanneer kneed je nou te wild en doe je je data geweld aan? De gedooggrens blijkt cultureel bepaald. Komt jouw geknoei uit, dan zegt je voormalige subsidieverstrekker dat er met het systeem niks aan de hand kan zijn, want dat geeft alleen geld aan excellente onderzoekers en die zijn per definitie integer.

Ben je van een ander slag, dan probeer je je profilering onder te brengen bij het merk “fundamenteel”. Je schrijft in je voorstellen dat je onderzoek geen enkele maatschappelijke relevantie heeft, maar wel hoogst belangrijk is. Je voelt je gesteund door de Europese gedragscode, die de integriteit van de onderzoeker gelijkstelt aan het ontbreken van maatschappelijke betrokkenheid. Je beoogde subsidieverstrekker vraagt zich niet af “belangrijk voor wie dan?”, maar ziet het als een investering in de toekomst van de mensheid. Als ooit die levenselixer gevonden wordt, dan kan de BV Nederland dat mooi op de markt zetten. Een beetje meer die VOC mentaliteit.

Activisme
Lukt het je niet om geld binnen te halen, dan kun je ook de media opzoeken en hopen op een gedeelde verontwaardiging over de omstandigheden waaronder je het moet beoefenen.

Excellentie?
Al met al is onze “excellentie” bezig met fraude, met onderzoek dat niet over ons gaat en met pr-campagnes. Gelukkig bent u een belezen publiek en herkent u de overdrijving zodra die u in het gezicht springt. Toch, al zou maar een fractie waar zijn van de karikatuur die ik hier schets, bent u het wellicht met me eens dat een monopoly op kennis bij universiteiten leggen niet per se een goed idee is, hoe slim en betrokken iedereen ook is die daar rondloopt.

De carrière van onderzoekers hangt nu eenmaal niet af van hoe ze bijdragen aan de oplossing van maatschappelijke problemen, maar van het succes waarmee ze erover schrijven aan hun collega’s. Die geloven het verhaal alleen als de onderzoekers niet al te nauw betrokken waren bij het object van hun onderzoek. Dat is voor de beleidsmakers en beslissers wel zo fijn, want ook zij willen alle schijn van partijdigheid voorkomen. En zo maken we een samenleving waarin ons weten is ondergebracht in een instituut. Dat is een smalle basis voor een democratie.

De samenleving
We kunnen anders met onze kennis omgaan wanneer we de samenleving als gemeenplaats van wetenschap zien. Kennis uit een instituut als de universiteit blijft belangrijk, maar als één van de mogelijke bronnen om uit te putten als we een maatschappelijk vraagstuk aan te pakken hebben. Als een meerderheid van de gepromoveerden vertrekt, dan zit er immers meer academisch vermogen buiten dan binnen de universiteiten.

Tellen we daar de duizenden buitenpromovendi bij en de professionals die onderzoekenderwijs hun werk verbeteren, dan is het onderzoekend vermogen van onze samenleving al een flink stuk groter dan we dachten. Het enige probleem is wellicht dat dit vermogen niet zichtbaar is, omdat het een lage organisatiegraad heeft. Het blijft daardoor voor beleidsmakers en beslissers het karakter houden van de gelukkige uitzondering: “Burgers zijn dom, maar mijn buurvrouw is toevallig gepromoveerd.”

Nee vriend, dat is niet toevallig; we hebben ons er als samenleving voor ingespannen dat ons hoger onderwijs toegankelijk is voor velen en dat velen daar gebruik van maken om zich te ontwikkelen, is een groot goed. Het enige wat we nu nog te doen hebben is een relatie leggen tussen die hoogopgeleide samenleving en de manier waarop we kennis daaruit mobiliseren ten behoeve van slimmere besluitvorming.

Om volop te profiteren van al die denkkracht in onze samenleving, moet er iets georganiseerd worden. Dat hoeft niet het zoveelste (top)instituut te zijn, dat kan ook in de vorm van een netwerk, geheel in lijn met de aard van onze huidige samenleving. [campus]OrléoN is zo’n netwerk, dat staat voor onderzoek midden in de samenleving. Inmiddels hebben ruim 550 academici, managers, bestuurders, beleidsmakers, kunstenaars, professionals, adviseurs en vele anderen met zin in onderzoek zich aangesloten. We vinden dat er nog veel gedaan kan worden aan de Nederlandse kennisdemocratie. En dat doen we dus ook.

Floor Basten is onderzoeker en initiatiefnemer van [campus]OrléoN

Geef een reactie

Laatste reacties (52)