902
19

Hoogleraar kunst en economie (UVU/ HKU)

Giep Hagoort (1948) is hoogleraar kunst en economie aan de Universiteit Utrecht/HKU. Hij introduceerde in 1992 het begrip Cultureel ondernemerschap. Het is oprichter-dean van de private Amsterdam School of Amsterdam. Zijn nieuwste boek gaat over samenwerkingsverbanden in de culturele sector (Cooperate. The Creative Normal, Eburon 2016). Vanaf 2014 leidt hij ERTNAM, European Research and Training Network on Art Management dat in 2017 lezingen en workshops verzorgde in Cagliari (Italië), Exeter (UK) en Moskou.

Pleidooi voor een Autoriteit Boer & Burger (AB&B)

De neergaande trends in biodiversiteit van de afgelopen decennia zijn te urgent om aan de mondiale vrije markt over te laten

Door: John Huige & Giep Hagoort

landbouw
cc-foto: pixabay

Minister Carola Schouten (LNV) heeft terecht waardering gekregen voor het uitbrengen van haar nota Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden (september 2018). Nederland als koploper in kringlooplandbouw. In het op 17 juni gepubliceerde realisatieplan worden als uitwerking een aantal maatregelen en experimenten aangekondigd. Onze waarneming: het is te weinig en geeft onvoldoende blijk van urgentie. Een echte stap vooruit wordt ons inziens gezet als de boer gebonden wordt aan een publieke licentie tot produceren. Zo’n licentie maakt het mogelijk om ook de burger actief bij het agrarisch voedselbeleid te betrekken.  De burger wordt wel in de nota genoemd maar niet als actor om als stedelijke voedselconsument een betekenisvolle invloed uit te oefenen. In 2006, nu ruim 13 jaar geleden, brachten we ons rapport Stad zoekt Boer uit mede met het doel de communicatie tussen stedeling en boer te versterken. De toen geldende kloof tussen burger en boer is weliswaar afgenomen maar van een wederzijds optrekken richting een eerlijke landbouw is nog niet sprake.

In de nota Schouten wordt de kringloop tot uitgangspunt gekozen want In de nota wordt geconstateerd: “Kenmerkend in deze sectoren is ook de nadruk op kostenverlaging en productieverhoging, die leidt tot schaalvergroting.” Uiteindelijk betekent dat het ontstaan van boerenbedrijven met 20.000 varkens, of 1.000 koeien, of een kassencomplex van 100 hectare (dat zijn 200 voetbalvelden aan elkaar).

De richting die Schouten voorstelt is te prijzen. Zij komt tot een plan voor een efficiëntere benutting in kringlopen: “Ons huidige systeem van landbouw is een keten waarvan de schakels bestaan uit actoren die ieder zo handelen dat zij er economisch het beste uit komen. Elke partij benut de grondstoffen die haar ter beschikking staan, verwerkt die tegen de laagste kosten en  met de hoogste opbrengst. Maar de afzonderlijke partijen kijken nog onvoldoende naar het systeem als geheel. Ook de regelgeving is vooral gericht op delen van het systeem. Dat is ernstig, want in het systeem zitten veel lekken, verkwistingen, inefficiënties en andere ongewenste effecten”. Die ongewenste effecten zijn voor iedereen duidelijk: uitputting van grondstoffen, aantasting van de biodiversiteit en verontreiniging van bodem, lucht en water. De nota Schouten noemt daarom ook een aantal randvoorwaarden waaronder verbinding tussen landbouw en natuur, meer waardering voor voedsel en producenten en een hoog innovatief vermogen en stimulerende wet- en regelgeving.

Andere regels voor veevoer en mestverwerking vormen naast bevordering van regionale initiatieven het hart van het realisatieplan van de minister. Voor het realiseren van kringlooplandbouw nuttige en noodzakelijke plannen maar het sluit naar onze waarneming onvoldoende aan bij de grote schade die dagelijks aan natuur en milieu wordt toegebracht en bij het veranderende landschap wat steeds vaker de naam treurlandschap verdient.

Het agrarische bedrijf is nauw verbonden met ons voedsel, met het landschap en met de biodiversiteit. De neergaande trends in biodiversiteit van de afgelopen decennia zijn te urgent om aan de mondiale vrije markt over te laten. Vraag is niet: kan het zonder markt? Dat werkt niet. De vraag is veeleer welke markt? Als de ‘vrije’ markt leidt tot steeds grootschaliger lineair stijgende productie-eenheden dan kunnen we als samenleving de omvang van die eenheden begrenzen. Als ingrijpen in de markt kan om de marktmacht van de boeren te verbeteren zoals in het realisatieplan voorgesteld, dan kan de marktvrijheid ook beperkt worden om de natuur niet langer het kind van de rekening te laten zijn.

De kosten voor voedselproductie (economisch, ecologisch en sociaal) moeten ook langs de meetlat van de Monitor Brede Welvaart gelegd worden. De Monitor is immers het toetsingskader waarbinnen het overheidsbeleid verantwoord wordt. Hij houdt rekening met de effecten ‘hier en nu’, ‘later’ en ‘elders’. Hoewel er in het realisatieplan veel gemonitord wordt, wordt geen expliciete aandacht besteed aan de Monitor Brede Welvaart. Een gemiste kans.

De uitgangspunten van de minister leveren helaas geen oplossing voor de systeemkrachten die de wereldmarkt uitoefent op het agrarische bedrijf. Steeds maar groeien, meer winst, maar ook steeds meer schulden  is moeilijk te verenigen met  natuur-inclusieve landbouw of met de uitgangspunten van de minister. Ons voorstel: het invoeren van een charter-, vergunning- of licentiesysteem voor agrarische ondernemingen.

In het boek de Macht van de Megaonderneming wordt gepleit voor charters voor ondernemingen. Een charter of licentie is een document van een rechthebbende overheid voor de vestiging van een onderneming waarin doelen, privileges, functies en organisatie is vastgelegd. In een licentie kunnen de voorwaarden, waaronder als agrarische ondernemer gewerkt wordt, vastgelegd worden. Dat kan onder meer inhouden dat ondernemingsplannen de grens van de groei aangeven, sociale en ecologische vertaald moeten worden naar een duurzame bedrijfsvoering en het tegengaan van afwenteling van maatschappelijke schade.

Heel praktisch kan dat inhouden dat grenzen gesteld worden aan de perceelgrootte om ruimte te scheppen voor meer slootjes en houtwallen  en dus meer natuurdiversiteit en minder eentonig treurlandschap. Voor de boer betekent dat mogelijk extra inkomsten voor de levering van ecosysteemdiensten.

Het idee van een licentie (zoals deze ook bestaan voor b.v. banken en postdiensten) sluit ook aan bij het recente rapport (eind mei 2019) van de Raad voor de Leefomgeving en infrastructuur. Deze bepleit een geleidelijke vermindering van de  inkomenssteun en een vervanging hiervan door beloning voor prestaties op het vlak van klimaat en milieu. Op deze wijze kan een geleidelijke inpassing in de kringloopeconomie plaatsvinden.

De licentie kan worden verstrekt door een overheidsinstantie, maar beter is een onafhankelijke instantie zijn waarin consumenten, natuurbeschermers en agrariërs  zijn vertegenwoordigd. We geven het de naam: Autoriteit Boer & Burger ofwel AB&B. Het interessante van zo een licentiesysteem is dat hierdoor wellicht ook de regeldruk voor agrarisch ondernemen omlaag kan omdat de belangrijkste gedragsregels in de licentie geregeld worden.

Met een AB&B zet de minister naar onze mening een grote stap vooruit. Gold eerder: Stad zoekt Boer. Nu geldt: boer en burger werken samen verder aan een duurzame voedselvoorziening, dichtbij en veraf. En wat ook geldt: Nederland kan met een breed gedragen AB&B gidsland zijn in een sterk veranderend Europa waar alle lidstaten oplossingen moeten vinden voor de agrarische sector.

John Huige Politiek econoom, onderzoeker en publicist duurzame economie
Giep Hagoort Creativiteitsprofessor, em. hoogleraar kunst en economie UU/HKU

Geef een reactie

Laatste reacties (19)