2.703
199

live bij De Gids FM op Radio 1

Popmuziek is passé

Geef het gewoon toe: het is allemaal meer van hetzelfde

Popmuziek heeft haar beste tijd gehad, meent muziekredacteur Arjan Terpstra. Retro-hits, de podia worden bevolkt door herintreders uit vervlogen tijden en er is een eigthies-revival die al twee keer zo lang duurt als de eighties zelf. Terpstra gaat over de brandende kwestie in debat met niemand minder dan Giel Beelen, dinsdag 12 april om circa 11:45 uur op Radio 1.

Het debat is live te zien en te horen bij DeGids.FM

Hoe lang duurt het voor een muziekjournalist cynisch wordt, vroeg een aanstormend journalistiek talent mij. Vijftien jaar, antwoordde ik zonder blikken of blozen. Vijftien jaar om den brode concerten bezoeken, cd’s beluisteren, met muzikanten praten, en je voelt de verandering in je botten sluipen. Van jonge hond met een gretige honger naar nieuwe plaatjes verander je gestaag in een jonge hond die met tegenzin het volgende cd’tje in de lade schuift, een biografietje leest en zich inleest voor het volgende interview met een brave borst met een gitaar op schoot.

Als nuance gaf ik aan het aanstormende talent nog mee dat het wel uitmaakt in welke vijftien jaar je over popmuziek schrijft. In het recent uitgekomen boek over veertig jaar muziekblad OOR, Keihard en Swingend van Barend Toet, staan smeuïge verhalen over popmuziek vanaf 1971. In Toets eerste vijftien jaar gebeurde er op popgebied nogal wat. Had je net over Frank Zappa’s genie geschreven, was de punk al begonnen. Dook er op Jamaica ineens een derdewereldster op (Bob Marley) of werd soulkoning Marvin Gaye plotsklaps door zijn vader vermoord. Ging Michael Jackson als ZZP’er verder en gaf Led Zeppelin nieuwe invulling aan het begrip ‘seksuele excessen’, om een paar dwarsstraten te noemen.

‘Mijn’ vijftien jaar (voor het gemak 1995 tot nu) begonnen met het massasucces van Radiohead, de heiligverklaring van Jeff Buckley, de stadion-successen van U2, de popularisering van het begrip singer-songwriter en de hype rond grunge. En eerlijk gezegd: sindsdien zijn er op muzikaal vlak weinig dingen gebeurd die van dezelfde orde zijn. In plaats van Zappa’s en Zeppelins was rock-‘n-roll voortaan de Foo Fighters en Linkin Park. Hiphop ging lokaal (Nederhop) en stagneerde abrupt in vorm en betekenis. Reggae werd dancehall werd dubstep – lekker dansen zonder boodschap. Marvins emotionele kracht werd de gespeelde emotie van Usher. In plaats van punk met zijn boertige anti-ethiek kwam er een lo-fi hype-je en Marilyn Manson. Wat we ook kregen, vijftien lange jaren: duizenden, dui-zen-den cd’s van indiegitaarbandjes die allemaal heel integer, heel serieus, héél hard bezig waren met een album dat net zo klinkt als dat van andere indie-gitaarbandjes.

Cynisch dus, jawohl. Ook omdat de trends aan het einde van ‘mijn’ vijftien jaar erop wijzen dat het niet snel beter wordt. Radiohead, Jeff Buckley en U2 zijn nog steeds vaste waarden in de discussie over ‘kwaliteitspop’ – heb je vijftien jaar in een grot gewoond, dan heb je weinig gemist. Op de grote podia reizen nog steeds dezelfde gezelschappen rond, of ze nu ooit gestopt zijn (The Police) of niet (Rolling Stones). Nieuwe genres? Eigenlijk niet: termen als nu-soul, post-grunge, alt-folk zijn dappere pogingen er nog iets van te maken; echt vernieuwend zijn de genres niet.

Herhaling is troef, zeker in de hitparades, waar de jaren-vijftigswing van de Duitse band The Baseballs nog niet is verstomd of de retro-sound van de Duffy’s en Adele’s weerklinkt. R&B? Een lange, inwisselbare stroom zangeressen, duo’s en trio’s houdt even de aandacht vast en verdwijnt dan weer achter de horizon. Rockmuziek die mainstream wordt omarmd, zoals Bowie en Queen dat werden? Metallica misschien, maar ook dat is oud nieuws. De rest is meer van hetzelfde: garage bleef, new wave beleeft een new wave, en de eighties blijven maar terugkomen, gespiegeld worden, geparodieerd en vereerd, tot op het niveau waarop filosofen van de ‘postmoderne fase in de popmuziek’ spreken: een fase waarin recyclen van oude ideeën de norm is.

Nu is post-modernisme voor muziekbeschouwing een aardige stoplap, maar geen blijvertje. Ik ben na vijftien jaar muziekjournalistiek bang dat de term bedoeld is om er nog iets van te maken, dat de hoop leeft dat de term ‘post-modern’ voldoende is om de sleetse plekken in de popmuziek te bedekken. Toen de Renaissance-schilders het niet meer wisten, begon een fase die kunsthistorici Maniërisme noemen: een tijdperk van dwepen met de vorm (de ‘manier’) en het loslaten van de Renaissance-idealen. Het leverde leuke schilderijen op, maar geen Rafaëls en Titiaans meer.

Ik heb het idee dat de pop, ondanks duizenden bands en miljoenen dj’s, in een maniëristische fase is beland. Dat hoeft u niet met mij eens te zijn. Is popmuziek dood? Rock on!

Dit artikel verscheen eerder in De Pers

Geef een reactie

Laatste reacties (199)