15.073
11

Journalist

Ramadan: schransen, zuipen en neuken

Ongelovige herinneringen aan een heel ander soort vastenmaand in Marokko

Ik heb onderschat hoe saai Ramadan hier is. De bars zijn dicht, de restaurants zijn dicht, de Marokkanen om mij heen slapen een gat in de dag en zijn daarna tot de ftir chagrijnig. Een religieus vreugdefeest mijn reet, iedereen telt de dagen af.

Zelfs de pornozenders van mijn Hotbirdsatelliet doen het niet. Ik begrijp nu waarom ex-vriendin Fatima vorig jaar coûte que coûte weg wilde uit Casablanca. Het was mijn eerste ramadan in Marokko en ik heb er praktisch geen dag van in het land doorgebracht. Bij vrienden in Marbella waren wij de hele dag dronken, stopten ons vol jamón ibérico en neukten op de momenten dat we geen ruzie hadden (is er een overtreffende trap van haram?)

Nu zit ik alleen in mijn appartement in de Rue Taha Houcine – voorheen Rue Galilée – en verveel me. Gelukkig is het vrijdag, dus straks is er redactievergadering bij TelQuel. Een halve dag heb ik het sawm volgehouden, op aandringen van mijn vriend Najib. (“Probeer het gewoon eens, het doet je goed!”) Toen kreeg ik verschrikkelijk dorst en dacht sodemieter maar op met je vroegmiddeleeuwse onzin. Water smaakte nog nooit zo goed, het bier erna nog beter.

Foutje
Je merkt dat de vastendagen langer zijn dan vorig jaar en het is nog maar herfst. Over een paar jaar valt ramadan in de zomer, veel plezier, bessaha! Als ik in de taxi op weg naar het centrum zit, word ik overvallen door medelijden voor de moslimmigranten in Tromsø. De Profeet (vrede zij met hem) heeft er blijkbaar nooit rekening mee gehouden dat de islam zo ver noordelijk zou oprukken. Een maand niet eten en drinken in de zomer: foutje, choukran.

Op de redactie doet iedereen alsof hij vast, maar ik geloof alleen de secretaressen want hoofddoek. Hoofdredacteur Ahmed doet niet eens alsof. Een half uur voor de vergadering loopt er een jonge knul met een verdacht platte doos de redactie op. “Monsieur B.?” vraagt hij. “Hier,” roept Ahmed en en plein publique neemt hij de doos in ontvangst, betaalt en gaat zijn kantoor binnen. De redacteuren doen alsof zij het niet zien, hij is de baas.

Ahmed roept mij naar binnen, de pizza staat op zijn schrijftafel. Hij draait de luxaflex dicht, zo onaantastbaar voelt hij zich dus ook weer niet. Ahmed wil dat ik een artikel doe over de miljardenschade aan de Marokkaanse economie door het enorme productieverlies tijdens de heilige maand. Dat had hij ook tijdens de vergadering kunnen doen. Hij ziet mijn wantrouwen en komt ter zake. “Kun jij na de vergadering wat alcohol voor mij kopen, ik betaal je terug. Een fles whisky. En wodka. En een paar flessen wijn natuurlijk.”

Dealer
Ik knik, nog geen anderhalf jaar in Marokko en ik ben dealer. Tijdens de vergadering wordt er druk gefluisterd en in mijn richting geknikt. Na afloop krijg ik van collega Driss (telg uit een leidend makhzengeslacht) een envelop in mijn handen gedrukt. Inhoud: een flinke stapel dirhams en een boodschappenlijstje. Johnny Walker, Absolut, Heineken. Als ik vraag of er een redactiefeest wordt georganiseerd na afloop van de ramadan, lacht Driss schaapachtig en zegt: “Het is voor ons allemaal, gewoon voor nu.”

Mijn Telquelcollega’s zijn de bloem der natie, de kinderen van de makhzen die hun familielijn vaak tot aan de Profeet kunnen herleiden. Opgeleid aan het Lyautey-lyceum en gestudeerd in Frankrijk, kortom de elite. En de elite gaat nooit naar de moskee, bidt nauwelijks en vast zeker niet.

Driss en Ahmed blijven achter in de auto als ik mijn buurtkruidenier binnenga. Het deel met de alcoholschappen is afgescheiden met een zwart gordijn, maar als ongelovige mag ik erachter. Supermarktmedewerker Ali volgt met een winkelmandje. Een beetje beschaamd vul ik het tot aan de rand. Ali knipoogt en haalt een tweede. Als ik afreken kijkt de eigenaar mij afkeurend aan, maar neemt schijnbaar zonder wroeging mijn honderden dirhams aan. Ali zet de tassen vol alcohol in de achterbak, ik geef teveel fooi, Driss en Ahmed kijken de andere kant op.

Geil
Laat in de middag staat Ibtissam opeens voor de deur. “Heb jij wat te drinken in huis?”

Even later zitten wij op de bank aan flesjes Casablanca te lurken. Daar blijft het niet bij, wanneer het bier op is laat zij mij alle hoeken van de slaapkamer zien. Als het er echt stevig aan toegaat, neemt Ibtissam mijn hand en legt hem over haar mond. “Les voisins,” fluistert zij. Al-hamdulillah, wat houd ik van Marokko, land waar niets mag en alles kan. Zolang de buren het maar niet weten. Na afloop rookt zij een sigaret en zegt: “Ik ben altijd zo geil tijdens ramadan.” Als ik haar vragend aankijk, haalt zij haar schouders op: “Ik ga morgen naar de hammam, dan ben ik weer schoon.”

In wiens ogen, die van God? Ik moet denken aan die avond dat wij heel haram whisky zaten te drinken en over geloof praatten, ook na drie keer uitleggen begreep zij het concept atheïsme niet. (“Maar in welke God geloof je dan wel?”) Toen ik de koran pakte om een of ander punt te maken, was zij geschokt. Hoe waagde ik dat te doen met een hand waarmee ik net alcohol had gedronken? Ik waste mijn handen en Allah zag dat het goed was.

Zo hangt de hypocrisie als een mist tussen ons in, maar ik zeg niets. Ramadan duurt nog lang, ik ben maar een man en zoveel Ibtissams zijn er vast niet in Marokko.

Maar ik ben natuurlijk zelf ook deel van die hypocrisie. Als alcoholdealer help ik de ramadanbrekers de schone schijn op te houden. Als minnaar van een moslima doe ik precies dat wat wij in Nederland onze immigranten verwijten, ik weiger mij aan te passen aan de hier heersende normen en waarden. En dat nog wel in de heiligste maand van het jaar. Of wel, Ramadan mubarak! Ik heb overschat hoe saai de ramadan hier is.

Dit artikel verscheen eerder in aangepaste vorm online en betreft een herinnering van Bart Schut aan de tijd die hij doorbracht in Marokko

Volg Bart Schut ook op Twitter

Geef een reactie

Laatste reacties (11)