950
11

Hoogleraar Sociologie UvA

Herman van de Werfhorst is hoogleraar Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en directeur Amsterdam Centre for Inequality Studies, een samenwerking van de UvA en de VU. Na zijn promotie aan de Radboud Universiteit werkte hij aan de universiteit van Oxford. Hij houdt zich vooral bezig met de sociologie van het onderwijs, sociale stratificatie en mobiliteit, de arbeidsmarkt en methodologie & statistiek.

Red het MBO, begin bij het VMBO

Een leeglopend MBO is een groot maatschappelijk probleem

Er bestaan twee verschillende beelden van het vmbo. Allereerst is er het beeld waarin het vmbo wordt omgeven door negatieve geluiden. Afvoerputje van het Nederlandse onderwijsstelsel, omgeven door tal van sociale problemen. Stigmatiserend, leerproblemen, voortijdig schoolverlaten, geweld, spijbelen, bedreiging van leraren. Typisch een schooltype waarvan je hoopt dat je kinderen er niet naar toe gaan.

Maar er bestaat ook een ander beeld. Het vmbo wordt ook wel als het voorportaal van een vakopleiding gezien; positieve sentimenten over de oude ambachtsschool worden vaak in één adem genoemd. Het beroepsonderwijs stelt kinderen in staat om, ook als ze niet geweldig kunnen leren in de algemene cognitieve vakken, waardevolle kwalificaties te behalen voor de arbeidsmarkt. Dat vmbo incorporeert kinderen in de samenleving, en helpt hen om voortijdig schoolverlaten te voorkómen door de aandacht te richten op beroepsrelevante vaardigheden.

Goede prestaties
Deze diverse geluiden overziend, is de vraag welk van deze beelden correct is. Ik vrees dat de waarheid er ergens tussenin ligt. Allereerst is het belangrijk om te beseffen dat onze ‘onderkant’ het in vergelijking met de onderkant in ons omringende landen helemaal niet slecht doet. In de landenvergelijkende studies van TIMSS en PISA scoren onze vmbo’ers relatief gezien uitstekend.

Als we kijken naar de leerprestaties van het 25e percentiel per land, waar dus 75 procent van de leerlingen boven zitten, scoren Nederlandse leerlingen na Finland, Hong Kong en Zuid-Korea het hoogst op de PISA wiskundetoets van 2006. België, een land waar ook vroeg wordt geselecteerd, staat 11e, Oostenrijk 17e, Duitland 23e. Een belangrijke daarvoor is dat de plaatsing van leerlingen in het vmbo, havo of vwo in Nederland op basis van objectieve criteria gebeurt, en dat scholen bij de les worden gehouden door inspectie en de centrale examinering. Dit is volstrekt anders in andere landen waar vroeg wordt geselecteerd.

Lagere jeugdwerkeloosheid
Daarnaast is het zo dat het beroepsonderwijs in Nederland internationaal gezien sterk is ontwikkeld. Het mbo en hbo zijn relatief populair vergeleken met het buitenland en onderzoek toont aan dat de jeugdwerkloosheid lager is in landen waar een meer uitgebreid beroepsonderwijs systeem bestaat.

Ons onderwijssysteem blijkt in staat om leerlingen en studenten goed voor te bereiden op de arbeidsmarkt, zodat onze schoolverlaters spoedig werk vinden. Als we de grote problemen in Zuid-Europa zien, waar het beroepsonderwijs veel minder sterk is ontwikkeld, mogen we hiermee in onze handen knijpen. De Zuid-Europese werkloosheidscijfers zijn niet alleen te wijten aan de economische crisis, maar ook aan een gebrekkig beroepsonderwijs.En niet alleen functioneert het beroepsonderwijs hier goed als voorportaal van werk. Tevens stelt het onze leerlingen en studenten in staat om passend werk te vinden.

Het beroepsonderwijs, zoals in deze internationale vergelijking omschreven, betreft vooral het onderwijs op mbo-niveau. Het mbo, dat een parel zou kunnen zijn van ons onderwijsbestel, waar vaklieden gemakkelijk een baan vinden, moet worden gekoesterd. Het onderwijssysteem moet zo worden ingericht dat voldoende mensen voor het mbo opteren. En de eerste jaren van het voortgezet onderwijs zouden daar een grote rol in moeten spelen. Zo kan het vmbo een uitstekende periode van oriëntatie zijn, zodanig dat het leren van algemene en specifieke vaardigheden hand in hand gaan.

Vroege selectie
Het vmbo is essentieel onderdeel van het Nederlandse systeem van vroege selectie. En in landen waar relatief vroeg wordt geselecteerd, komen vooral kinderen uit lagere milieus en etnische minderheidsgroeperingen terecht op de lagere leerwegen. De reden is heel simpel: als er vroeger wordt geselecteerd hebben kinderen minder tijd gehad om te tonen wat ze waard zijn. Adviezen van de basisschool zijn aantoonbaar sociaal bevooroordeeld, zeker als het objectieve toetsen zou worden verminderd.

Hoewel afvoerputje wel erg negatief is geformuleerd, is het helder dat ook in Nederland vooral kinderen uit minder kansrijke milieus op het vmbo terecht komen. En dat is niet uitsluitend te verklaren door sociale verschillen in leerprestaties. Ongeveer een derde van de totale sociale ongelijkheid in de toegang tot vmbo, havo of vwo heeft niets te maken met verschillen in leerprestaties, maar uitsluitend met de keuzes die men maakt gegeven de leerprestaties die men heeft. Dat is nogal wat. Het betekent dat zelfs onder kinderen met dezelfde citotoetsscore, kinderen uit de middenklasse vaker naar het havo/vwo gaan dan leerlingen uit arbeidersmilieus. En een systeem dat vroeg selecteert werkt deze sociale ongelijkheid in de hand.

avo-isering
De recente leegloop van het vmbo belooft hiervoor niet veel goeds. De recente ontwikkeling naar avo-isering, of veralgemenisering van het beroepsonderwijs maakt dit probleem alleen maar erger. Het betekent dat het beroepsonderwijs zich nog maar op één manier onderscheidt van het havo/vwo-onderwijs: minder. Het vmbo verwordt zo tot havo-min. We zien dan ook een toename in de werkloosheidscijfers onder mbo’ers en vmbo’ers, terwijl deze tendens niet te zien is onder mensen met een havo/vwo of hogere opleiding. Er lijkt sprake van verdringing van lager opgeleiden door hoger opgeleiden, en verdringing wordt gemakkelijker naarmate het beroepsonderscheidende karakter van het onderwijs minder wordt.

Vanuit het oogpunt van sociale ongelijkheid zouden we het systeem van vroege selectie kritisch moeten beschouwen, zeker op de rigide manier waarop dit gebeurt in Nederland. We scheiden leerlingen niet alleen voor cognitieve vakken zoals wiskunde en taal, maar voor het gehele curriculum, gedurende minstens vier jaar, en ook nog eens in aparte schoolgebouwen en schoolorganisaties. Deze extreem rigide vorm van selectie belemmert de continue evaluatie van leerlingen, en het belemmert de sociale omgang tussen leerlingen met verschillende leercapaciteiten.

Niet in aparte schoolgebouwen
Een betere oplossing is wellicht om leerlingen wel degelijk vanaf een jaar of 15 naar beroeps- of algemeen vormend onderwijs te laten doorstromen, zonder dat rare diploma op zestienjarige leeftijd, en tot die tijd leerlingen continu monitoren en in de juiste onderwijsvorm plaatsen. Die onderwijsvormen mogen nog best vmbo, havo en vwo heten, maar ze moeten niet zo rigide zijn gescheiden. Niet in aparte schoolgebouwen, niet voor alle vakken, zodat de leerlingen met verschillende cognitieve vermogens meer met elkaar te maken krijgen.

Als ik schoolleider was, zou ik proberen om de banden met andere schooltypen aan te halen. Op die manier is het hopelijk mogelijk om de doorstroom naar mbo te bevorderen, zodat het incorporeren van de jeugd in de samenleving gestaag door kan gaan, met een vermindering van de stigmatisering en onderscheiding die aparte omgevingen nu eenmaal met zich meebrengen.

Dit is een aangepaste versie van de lezing die Herman van de Werfhorst hield op de conferentie “De toekomst van het vmbo”. Lees hier een uitgebreidere versie.
Volg Herman van de Werfhorst op twitter

Geef een reactie

Laatste reacties (11)