2.513
31

Hoogleraar Toegepaste Filosofie

Michiel Korthals is hoogleraar Toegepaste Filosofie aan de Wageningen Universiteit. Hij studeerde Filosofie, Sociologie en Duits aan de Universiteit van Amsterdam en de Karl Ruprecht Universität in Heidelberg (BRD). Zijn academische belangstelling richt zich op bioethiek (met name voeding, dieren en milieu), deliberatieve en democratische theorieën en Amerikaans pragmatisme. Hij heeft een verscheidenheid aan publicaties op zijn naam staan.
Korthals is tevens voorzitter van de Stichting FREE (Foundation for the Restoration of European Ecosystems), die ongeveer 1500 Hooglanders, Konikspaarden, Wisenten en Rode Geuzen beheert. De laatste jaren treedt hij veelvuldig op met gedichten over eten, landbouw en natuur.

Redenering over nertsen fokken deugt niet

Voorzitter Raad van Bestuur Wageningen University past zijn argumenten aan de gewenste uitkomst aan

Ik maak mij grote zorgen over de manier van redeneren van dr. ir. Aalt Dijkhuizen, voorzitter Raad van Bestuur van de Wageningen University (WUR), onlangs in een filmpje van nertsenfokkers en in zijn tekst in: Zorgvuldige veehouderij, Wageningen, 2010.

Hier de tekst van Dijkhuizen: 

Het meest vergaande besluit tot nu toe betreft de nertsenfokkerij, die als bedrijfstak eerder dit jaar door de Tweede Kamer is verboden. Een krachtdadig besluit ten faveure van dierenwelzijn, maar leidt dit ook tot het gewenste resultaat? Natuurlijk, het veegt het straatje in Nederland schoon, maar wat schiet de nerts ermee op? Niets zou ik zeggen, integendeel. De vraag naar bont gaat gewoon door, en neemt met name onder jongeren zelfs weer toe. Om daarin te voorzien, moet het product van elders komen. Van Polen en China om maar eens twee belangrijke productielanden te noemen. Maar wie daar de intensieve veehouderij wel eens bekeken heeft, weet één ding zeker: het dierenwelzijn ligt er ver beneden ‘Amsterdams peil’, heel ver. Het besluit van de Tweede Kamer, hoe zorgvuldig ook genomen, leidt dus niet tot een zorgvuldige(r) veehouderij.

Een besluit ook met veel verliezers: de Nederlandse nertsenfokker, de Nederlandse economie en niet in de laatste plaats de nerts. Hoe goed ook bedoeld, die kant moeten we dus niet op voor een betere toekomst. Maar wat dan wel? De meest voor de hand liggende manier is ons te laten leiden door de markt.

Niemand zal waarschijnlijk het feit ontkennen dat nertsen in ‘verweg’- landen waarschijnlijk slechter worden behandeld dan in Nederland. Mijn zorg ligt hier niet bij dat feit en bij Dijkhuizens conclusie, maar bij de redenering die Dijkhuizen baseert op dat feit.

In zijn redenering over hoe de nertsenfokkerij moet worden behandeld, benoemt Dijkhuizen de gevolgen van afschaffing. Hij maakt een berekening van goede en slechte uitkomsten. Dit type redenering heet in de academische ethiek een gevolgen of utilistische redenering.

Om duidelijk te maken dat dit een soort redenering is die mensen alleen in bepaalde gevallen toepassen, hier een verandering van het onderwerp. Verander ‘nertsenfokkerij’ in ‘vrouwenbesnijdenis’, en ‘nertsen’ in ‘vrouwen’, en nog een paar kleine dingen en dan hebben we opnieuw een gevolgen redenering, alleen de meeste mensen, en misschien Dijkhuizen ook, zouden zeggen dat dit in dit geval een verkeerde redenering is toegepast:

Het meest vergaande besluit tot nu toe betreft de vrouwenbesnijdenis, die als praktijk eerder dit jaar door de Tweede Kamer is verboden. Een krachtdadig besluit ten faveure van mensenrechten, maar leidt dit ook tot het gewenste resultaat? Natuurlijk, het veegt het straatje in Nederland schoon, maar wat schiet de vrouw ermee op? Niets zou ik zeggen, integendeel. De vraag naar vrouwenbesnijdenis gaat gewoon door, en neemt met name onder jongeren zelfs weer toe. Om daarin te voorzien, moet de praktijk elders gedaan worden. In … en … om maar eens twee belangrijke landen te noemen. Maar wie daar de vrouwenbesnijdenis wel eens bekeken heeft, weet één ding zeker: het vrouwenwelzijn ligt er ver beneden ‘Amsterdams peil’, heel ver. Het besluit van de Tweede Kamer, hoe zorgvuldig ook genomen, leidt dus niet tot betere mensrechten. Een besluit ook met veel verliezers: de Nederlandse vrouwenbesnijder, de Nederlandse economie en niet in de laatste plaats de vrouw. Hoe goed ook bedoeld, die kant moeten we dus niet op voor een betere toekomst. Maar wat dan wel? De meest voor de hand liggende manier is ons te laten leiden door de markt. 

Mijn vraag is, wie is ervan overtuigd dat op basis van deze redenering vrouwenbesnijdenis in Nederland moet plaatsvinden? Wie vindt dat we ook bij vrouwenbesnijdenis de gevolgen-redenering mogen toepassen? En hoe zit het dan met de nertsen?

Dijkhuizens’ en de analoge redenering kijken naar de gevolgen en maken een berekening van goede en slechte uitkomsten; de conclusie is dat moet worden gekozen voor de actie die de beste gevolgen (of het minste leed) heeft.

Een heel ander type redenering heet ‘deontologisch’, en kijkt naar belangrijke (heel belangrijk gevonden) waarden en de rechten, gebaseerd op menselijke (of dierlijke) waardigheid. Deze tweede redenering is het uitgangspunt van de (mensen)rechten en er zijn velen die deze doortrekken naar dieren. Deze mensen zien in de geschiedenis een ‘expanding circle’: eerst respect voor mannen, dan voor vrouwen, voor (zoog) dieren, tenslotte voor ecosystemen. Deze benadering kan óók naar uitkomsten kijken (zonder die echter morele waarde te geven!) en bijvoorbeeld voorschrijven dat overal waar vrouwenbesnijdenis plaats vindt, dit zoveel mogelijk moet worden tegengegaan. Er dus geen sprake van straatje schoonmaken.

Volgens mij maakt de voorzitter van de WUR maakt zich bij zijn uitspraken over de nertsenfokkerij schuldig aan een niet expliciet gemaakte, normatieve keuze voor een eenzijdige redenering (niet meteen een onjuiste). De feiten dicteren niet de gevolgen redenering; zij laten het open of niet ook een andere redenering (zoals de rechten en plichten redenering) toegepast kan worden. Dijkhuizen maakt zich dus schuldig aan de sprong van feit naar norm: aan de naturalistische drogreden. 

Er is nog een tweede punt: de voorzitter van WUR noemt niet eens het idee dat dieren een volwaardig respect verdienen, zoals de tegenstanders van de utilistische redenering menen. Hij sluit andere mogelijkheden uit en dat op basis van een niet-onderbouwde normatieve keuze voor een bepaald type redenering. Er zijn veel mensen, waaronder serieuze sociale wetenschappers en filosofen, die grote morele waarde hechten aan het respect voor dieren zoals nertsen (het gaat hen dus niet om dierenwelzijn). Je kunt de argumenten bestrijden, maar je kunt niet bij voorbaat er van uitgaan dat deze argumenten irrelevant zijn en niet genoemd hoeven te worden. Daarmee riskeert de voorzitter een verlies van geloofwaardigheid, omdat hij zijn tegenstanders niet serieus neemt. 

Concluderend: ten eerste, Dijkhuizen’s redenering berust niet op feiten maar op een normatieve keuze voor een bepaalde redenering, de utilistische, gevolgen of kosten-baten redenering. In deze redenering gaat het om de maximalisering van positieve uitkomsten. Ten tweede, Dijkhuizen noemt niet eens de argumenten van de tegenstanders. Daarmee riskeert hij een verlies van geloofwaardigheid.

Ik vind dat de voorzitter van WUR met deze eenzijdige redenering een groot aantal medewerkers en klanten van WUR schoffeert. Een voorzitter hoort dat niet te doen. Die hoort voor iedereen van WUR een voorzitter te zijn en niet zijn privé-mening door te zetten.

In zijn wetenschappelijk werk huldigt Dijkhuizen ook de utilistische benadering, bijv. in het artikel dat het economisch beter is niet te vaccinereen bij mond-en-klauwzeer. Maar dat deed hij als wetenschapper, voordat hij deze openbare functie bekleedde.

Geef een reactie

Laatste reacties (31)