3.040
81

Universitair hoofddocent, UvA

Joost van Spanje is universitair hoofddocent politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is gespecialiseerd in onderzoek naar de reacties van de gevestigde orde op nieuwe politieke partijen. Dit omvat juridische reacties (bijv. strafvervolging), politieke reacties (bijv. cordons sanitaires) en media-reacties (bijv. doodzwijgen). Joost is winnaar van de Jaarprijs Politicologie 2010, van een NWO Veni-onderzoeksbeurs in 2012 en van een NWO Vidi-onderzoeksbeurs in 2015.

Referendum en vertrouwen

Bangmakerij, dedain en achterdocht jegens kiezers

Komende tijd buigt de Eerste Kamer zich over het referendum. De regering wil afschaffing, omdat het verwachtingen over politiek vertrouwen niet zou hebben waargemaakt. Vreemde redenering, zeker gezien gedrag van gezagsdragers bij het referendum in 2005, 2016 en 2018.

Referendum
cc-foto: Roel Wijnants

“Nepnieuwslawine” kopte De Telegraaf op 14 november. Het ging om een brief van minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren (D66) aan de Tweede Kamer. Daarin legde ze een verband tussen onderzoek naar buitenlandse “digitale dreiging” en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv): voor “dit onderzoek is het wettelijke kader van de Wiv noodzakelijk.”

Ollongrens alarmerende taal leek onderdeel van de campagne voor het referendum over de Wiv. Die maand leek ook CU-leider Gert-Jan Segers al op campagne. Hij reageerde fel op het voornemen van PVV-collega Geert Wilders, die ook voor de Wiv is, om zich bij een eventueel ‘nee’ neer te leggen: “De heer Wilders heeft heel wat uit te leggen als er dan toch een grote aanslag plaatsvindt.”

Auschwitz
Bangmakerij in een referendumcampagne. Dat hebben we eerder gezien. Bijvoorbeeld bij het referendum over de goedkeuring van het associatieverdrag met Oekraïne in 2016. Europese Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker sprak de vrees uit dat afwijzing de “deur kan openen naar een grote continentale crisis” en koren op de molen was “van populisten die de EU willen opblazen.”

Bij het referendum over de Europese Grondwet in 2005 lieten ook Nederlandse gezagsdragers zich niet onbetuigd. Drie weken voor het referendum zei toenmalig premier Jan-Peter Balkenende (CDA): als het referendum in ‘nee’ eindigt, “dan moet je maar op de blaren zitten.” Zijn partijgenoot, minister van Justitie Piet-Hein Donner, waarschuwde voor oorlogen en Balkanisering van Europa na een ‘nee.’

Ook Donners collega op Economische Zaken, Laurens-Jan Brinkhorst (D66), voorzag een ramp in geval van afwijzing van de grondwet: “Op den duur gaat in Nederland dan het licht uit en dan zetten we ons land op slot.” De VVD maakte het zo mogelijk nog bonter door het produceren van een spotje met beelden van Auschwitz en Srebrenica ter waarschuwing voor de gevolgen van een nee-stem.

Heerlijk
Brinkhorst vond de Europese Grondwet eigenlijk te ingewikkeld om aan de kiezer voor te leggen. Zijn collega bij Buitenlandse Zaken, Ben Bot (CDA), had al even weinig fiducie in de capaciteiten van ordinair kiezersvolk. Hij adviseerde kiezers om bij twijfel vooral thuis te blijven. Partijgenoot en oud-premier Ruud Lubbers was het hier roerend mee eens en herhaalde dat advies aan de kiezers.

Waartoe achten ze kiezers dan wél in staat? Tot wraak op de regering. Of, in Bots woorden, “heerlijk: nee zeggen tegen de regering.” Ex-premier Dries van Agt, ook CDA, vreesde in 2005 dat de Europese Grondwet zou worden “weggestemd uit protest tegen de regering” en PvdA-Kamerlid Diederik Samsom zei: “Al zijn ze voor de Grondwet, dit zien ze als de kans om tegen het kabinet te stemmen.”

Dit terwijl er geen empirisch bewijs is dat kiezers in 2005 of 2016 of 2018 vooral tegen de regering stemden. Dit gebeurt ook nauwelijks in het buitenland. Integendeel, uit wetenschappelijk onderzoek blijkt geen aanwijzingen dat houdingen ten opzichte van de regering een grote rol spelen bij een referendum. Kiezers hebben allerlei overwegingen voor hun stem, maar zulke wraak is zeldzaam.

Schade
Wat besloot de regering na de ervaringen met het landelijke referendum? Om het referendum maar helemaal af te schaffen. Over de intrekkingswet buigt de Eerste Kamer zich nog. In dat kader hield die Kamer vorige week een expertmeeting met onder anderen mijn collega’s Frank Hendriks (Tilburg University), Philip van Praag (Universiteit van Amsterdam) en Martin Rosema (Universiteit Twente).

Hendriks vatte “de lijn van de regering” samen: “intrekkingswet aannemen, geen raadgevend referendum toestaan daarover, geen wetsevaluatie afwachten, niet wachten op advies van de Staatscommissie parlementair stelsel.” Volgens Hendriks druist de hele gang van zaken in tegen de ‘code van goed bestuur’ die het ministerie van Binnenlandse Zaken enkele jaren terug zelf opstelde.

Bovendien gaat intrekking in tegen de wens van veel Nederlanders. Van Praag: sinds de jaren ’60 “zie je altijd dat 60 tot 70% van de Nederlandse bevolking voorstander is van een referendum.” Hendriks: de intrekking kan “worden gezien als een wet die politieke spelregels wijzigt in het voordeel van de politiek en in het nadeel van de burgersamenleving.” Dat kan “een hypotheek leggen op de toekomst.”

Zeker als niet over intrekking mag worden meebeslist. Rosema denkt “dat bij het niet-referendabel verklaren van de intrekkingswet het risico bestaat dat het beeld ontstaat bij burgers: de overheid houdt zich niet aan de wet.” Rosema kan zich goed voorstellen dat “daar wel schade uit voort zou kunnen komen,” namelijk “dalend politiek vertrouwen” en “minder gezag toekennen aan de overheid.”

Kloof
Daar voegt Van Praag aan toe dat het “zeker niet uitgesloten” is dat de intrekking de kloof in politiek vertrouwen tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden vergroot. Dit omdat het referendum – in tegenstelling tot veel andere democratische instrumenten – door laagopgeleiden veel gebruikt en zeer gewaardeerd wordt. Een brief van 18 collega’s in NRC Next van 19 februari had dezelfde strekking.

Kortom: er is sprake van bangmakerij, dedain en achterdocht jegens kiezers, en van beperking van hun inspraak via deze afschaffing. Waarbij, middels een truc, hen ook nog eens inspraak bij die afschaffing wordt ontnomen. Moeilijk voor te stellen dat dit géén negatief effect zou hebben op steun voor ons democratische stelsel – vooral onder laagopgeleiden, waar die steun al relatief gering is.

Niet het referendum is hier het probleem, maar de regering.

Geef een reactie

Laatste reacties (81)