1.783
21

Directeur Stichting Vluchteling

Tineke Ceelen is sinds 2003 directeur van de Stichting Vluchteling. Ze werd opgeleid als cultureel antropoloog en heeft voor verschillende hulporganisaties gewerkt, zowel in de noodhulp, als in de ontwikkelingssamenwerking. Van 1993 tot 1997 was ze hoofd van de afdeling uitzendingen van Memisa. Daarna werkte ze tot in 2000 als programma coördinator voor het Rode Kruis in Tibet en van 2000 tot 2002 voor SNV in Kameroen. In 2009 schreef ze het boek ‘Hier en daar een crisis’ over haar ervaringen.

Reizen door Syrië

'Ik vrees dat ik inderdaad terug zal komen hier, de problemen van honderdduizenden mensen zijn nog lang niet voorbij'

Tineke Ceelen, directeur Stichting Vluchteling, bezocht de afgelopen dagen vluchtelingen in Syrië en vertelt in haar dagboek de verhalen van mensen die op de vlucht zijn voor het geweld in hun land.

Als Tamara Celim, geboren en getogen in Aleppo, verpleegkundige van beroep steek ik de Turks Syrische grens over. Pal over de grens, gemarkeerd met rollen prikkeldraad, tegen een heuvel, ligt een haveloos tentenkamp. Een half jaar geleden ontstond het, nu wachten hier 12.000 vluchtelingen in de barre winterkou, op de rode plakkerige modder, op betere tijden.

We worden rondgeleid door een Syrische Texaan, of Texaanse Syriër, hoe je het wilt. De jonge boom van een vent is teruggekomen uit Texas om zijn volk te helpen. Hij heeft weinig meer dan een zinnig netwerk en goede bedoelingen. Omdat er niemand anders bereid was het Olive Tree Camp te leiden, heeft hij het maar gedaan. Zijn gebrek aan ervaring is pijnlijk zichtbaar. Tenten staan boven op elkaar, lukraak, zonder plan, op de helling van een heuvel. Er is geen licht, geen water, geen afwatering, geen, vul maar in, er is vrijwel niks.

Als ik even in de schaduw terecht kom voel ik hoe koud het hier is, kou die dwars door mijn dikke jas heen gaat. Ik bibber, klappertand, terwijl de kinderen vrolijk buiten spelen op hun blote voeten, of slippertjes. Bergen vuil zijn achter de tenten gegooid. Een half verbrand matrasje is de stille getuige van een tent die vannacht afbrandde. Alleen kaarsen of open vuur zorgen ervoor dat het kamp niet helemaal aardedonker is na zonsondergang.

We rijden door, in onze krakkemikkige taxi, van het ene kamp naar het andere gebouw waar gevluchte Syriërs worden opgevangen. Het Vrije Syrische leger, in plaats van de gebruikelijke hulporganisaties, coördineert de hulp en de opvang van de vluchtelingen. Terwijl we rondlopen in Qah kamp wordt er geschoten, niet ver weg, aan de rand van het kamp misschien. ‘Ze testen hun geweren’, legt onze tolk uit. Mijn collega en ik kijken elkaar fronsend aan maar lopen verder, er het beste van hopend.

In de winkeltjes worden machinegeweren verkocht, en pistolen, en kogels, en misschien ook nog iets anders maar vooral geweren, pistolen en kogels. De prioriteiten zijn duidelijk anders komen te liggen deze oorlog.

Elke dag komen nieuwe vluchtelingen aan in de kampen. Uit Aleppo, Hama, en andere steden. De meesten hebben nauwelijks iets mee kunnen brengen. Een bejaarde vrouw huilt, haar huis is gebombardeerd, haar zoon gesneuveld. Even hou ik haar vast, en voel hoe koud het oude mensje is.

Bij de uitgang van Olive Tree Camp, na een lange rit langs vluchtelingenkampen, opvangplaatsen in scholen, fabrieken of gewone huizen, wachten we op ons konvooi terug naar Turkije. We hangen rond, naast de zwart geverfde ambulance, omdat als ziekenwagen herkenbare exemplaren vanuit de lucht onder vuur genomen werden. Ineens scheurt een landcruiser met wapperende zwarte vlag met Arabisch opschrift de kamppoorten binnen. Vier zwaar bewapende mannen rollen uit de auto en stevenen het kamp in. Veel betekenend knikt mijn reisgenoot, hoogstwaarschijnlijk de mannen van Al Qaida, zucht hij. Ook de vluchtelingenkampen zijn verre van veilig.

‘Ah dat is mooi, stelt onze tolk tevreden vast, het is bewolkt, dan kunnen ze niet goed bombarderen.’ Het is 7 uur in de ochtend, nevelig en bitter koud. We gaan naar Kilis, de Syrische grensovergang van waaruit je in een vloek en een zucht in Aleppo bent. Zover zullen wij niet gaan vandaag, wij willen de dorpen in het grensgebied bezoeken. Horen hoe de mensen zich redden, zien of onze hulp nodig is.

Al direct nadat we de grens passeren voel ik de beklemming. Iets is anders dan gisteren, en anders voelt erg onaangenaam, beklemmend, beangstigend. We zij nog maar nauwelijks weg bij de grens of we komen alweer aan in Azaz. Mijn collega ontsnapte hier eergisteren maar net aan een luchtbombardement op de markt waarbij volgens de media zeker 20 doden vielen. Het puin brandt nog altijd, een groepje mannen zoekt. Naar mensen, licht onze chauffeur toe. Ik ben de enige vrouw, ook hier veel wapens en een gespannen sfeer. We gaan gauw weg, rijden van dorp naar dorp. ‘Spooky’, spookachtig, is een goede omschrijving voor die dorpen. Er zijn nauwelijks mensen op straat, geen spelende kinderen, geen auto’s. Rolluiken zijn neer gelaten, winkeltjes gesloten. Het dagelijks leven is in veel dorpen vrijwel volledig tot stilstand gekomen.

We zoeken naar plaatselijke hulpcomités, vinden voormalige studenten, handelaren, onderwijzers die nu met de middelen die ze hebben gevluchte landgenoten helpen. Zij worden ondergebracht bij familie of bekenden, in scholen en zelfs in een politiebureau. Met 10 families zijn de voormalige kantoorruimtes en cellen overvol. Spullen zie ik nauwelijks, een paar dunne matrasjes, wat dekens en een enkel kledingstuk. De kinderen lopen op plastic slippertjes, op de vloer in de hal staat een grote modderige plas water.

Elektriciteit is nergens meer, de winkeltjes verkopen houtkacheltjes, zak- en olielampen, de handel afgestemd op de gevolgen van oorlog.

Na talloze dorpen en even zovele verhalen van kou, honger en ellende mijden we op de terugweg Azaz, en dat is maar goed ook. Later horen we dat ook vandaag bommen vielen op het al zo zwaar gehavende dorp. Een bevestiging van dat bombardement vind ik nergens, de vraag is of het alleen een verhaal is, ontstaan uit angst, spanning en de geruchten van de oorlogsmachine, of dat zo’n bombardement simpelweg in het niet valt bij aanslagen waarbij veel meer slachtoffers vielen en dus de media nooit haalt.

Voor we de grens met Turkije weer oversteken lopen we een rondje door het kamp aan de grens dat nu opvang biedt aan meer dan 6.000 mensen. De stank van de toiletten, veel te weinig voor zoveel mensen, is penetrant, ondraaglijk. Er is niet nagedacht over een beerput, urine en ontlasting stromen vanuit de toiletcabines het veld in. Zodra de lente zijn gezicht laat zien zullen ratten komen en kan een uitbraak van besmettelijke ziektes niet uitblijven.

De strijder van het Vrije Syrische Leger aan de grens knikt vriendelijk, ‘come again’, nodigt hij uit. Ik vrees dat ik inderdaad terug zal komen hier, de problemen van honderdduizenden mensen zijn nog lang niet voorbij.

Geef een reactie

Laatste reacties (21)