1.637
18

Promovendus/schrijver

Dennis Schep (1985) woont sinds 2007 in Berlijn. In 2005 richtte hij het theaterfestival Morgensterren op, en in 2006 publiceerde hij het literaire tijdschrift Paperwaste. Hij is de auteur van de boeken "Drugs; Rhetoric of Fantasy, Addiction to Truth" (2011) en "The Autobiography Effect" (2019).

Ressentiment als politieke factor

Gevoelens van schaamte over het eigen falen of jaloezie op mensen die het beter hebben zijn persoonlijk. Maar ressentiment vormt uit dit individuele lijden een collectief “wij”.

Of we het nu willen of niet, langzaam wordt duidelijk dat het rechtspopulisme geen kortstondige opwelling was, maar dat figuren als Wilders, Johnson, Trump en Höcke aan de spits staan van een fundamentele politieke verschuiving in de westerse wereld. Niet langer wordt de politiek gedomineerd door een strijd tussen de grote volkspartijen onderling, maar door die tussen de grote volkspartijen (of het zogenaamd rationele centrum van die partijen) en het rechtspopulisme – een strijd waarbij het rechtspopulisme de agenda zet. De hoeders van het midden doen verwoede pogingen om de opkomst van nieuw rechts te begrijpen: de financiële crisis, globalisering, migratiestromen en de digitale revolutie (met haar zogenaamde echo chambers) worden allemaal aangedragen om de recente explosie van rechts gedachtegoed te verklaren. Maar in dit stuk wil ik me richten op een vaak genoemd, maar slecht begrepen element van deze constellatie: het ressentiment.

cc-foto: Peter Ziegler

Ressentiment is een van oorsprong Frans begrip, dat door Nietzsche als een centrale eigenschap van de Joods-Christelijke mens wordt gezien. Het is een reactieve kracht, die niets vanuit zichzelf ontwikkelt: waar de nobele mens naar het goede streeft, stelt de door ressentiment geleide mens zich tegenover het kwade. Zijn waarden komen voort uit onderdrukte wraakgevoelens, die zijn ziel vergiftigen en zijn moreel kompas verdraaien: hij ziet het nobele dat buiten zijn bereik ligt als verachtelijk, zodat hij er niets mee verliest dat hij het niet bereiken kan. Hij voelt zich goed over zichzelf wanneer hij iets heeft om op te kankeren. Negatieve waardeoordelen over de ander staan centraal in het zelfbeeld van de rancuneuze mens.

Uitgaand van het werk van Nietzsche brengt Max Scheler ressentiment met de liberale democratie in verbinding. In een liberale democratie geldt dat iedereen formeel gelijk is: we zijn allemaal burgers met dezelfde rechten. Maar in de praktijk is ongelijkheid de norm, niet in de laatste plaats vanwege economische verschillen die juist in liberale democratiën neigen toe te nemen. In een slavenmaatschappij heeft niemand de neiging zijn of haar plaats te bevragen; je wordt geboren als slaaf of als slavenhouder, en zo sterf je ook. Het is juist de combinatie van formele gelijkheid en economische ongelijkheid die liberale democratiën tot een broedplaats van ressentiment maakt: als iedereen op papier gelijk is, leidt ongelijkheid tot afgunst, wat zich politiek manifesteert als ressentiment. Menno ter Braak geeft in zijn essay Het Nationaalsocialisme als Rancuneleer een vergelijkbare analyse voor een ander tijdperk.

Ongelijkheid is van alle tijden, maar de macht van de organisaties die de onvrede daarover politiek kanaliseerden (vakbonden, socialistische partijen) is onder het neoliberalisme geërodeerd. De volkspartijen zijn naar elkaar toe gegroeid, en het sociale systeem is sinds de jaren ‘70 langzaam maar zeker afgebouwd. Het vocabulaire dat een economische verklaring gaf voor onze existentiële angsten is grotendeels verdwenen; zelfs op links is er meer aandacht voor sociale uitsluiting dan voor economische uitbuiting (voor een indrukwekkend boek over de vergeten arbeiderklasse, zie Didier Eribon’s Terug naar Reims).

Toch lijkt economische onzekerheid de vruchtbaarste bodem voor een op ressentiment gebaseerde politiek te zijn, en sinds 1870 wordt elke financiële crisis steevast gevolgd door een opleving van radicaal rechts (zie het proefschrift van Manuel Funke). In tijden van crisis zien grote groepen mensen – in bijna alle sociale klassen – hun socio-economische positie bedreigd worden door neerwaartse mobiliteit. De gevestigde partijen zijn zo verweven met het systeem dat ze niet in staat zijn de onzekerheid die daaruit ontstaat met een systematische kritiek te beantwoorden. En dus blijven veel mensen steken in het verlangen hun bedreigde positie te beschermen door nieuwkomers buiten te sluiten, een gevoel van nostalgie naar een verleden dat in die vorm nooit heeft bestaan, en een krampachtig vasthouden aan symbolen van dat verleden. Ironisch genoeg voeden zowel nieuw rechts als het moslimfundamentalisme zich uit deze zelfde bodem.

En hiermee komen we bij een tweede aspect dat ressentiment haar politieke effectiviteit verleent: het brengt mensen samen. Gevoelens van schaamte over het eigen falen of jaloezie op mensen die het beter hebben zijn persoonlijk. Maar ressentiment vormt uit dit individuele lijden een collectief “wij”. De leiders van populistische partijen, door Peter Sloterdijk treffend beschreven als Zornunternehmer (wrokondernemers), verkopen een verhaal dat individuele wrokgevoelens tot een bondgenootschap der bedrogenen samensmeedt. Dit is het ware volk, bedrogen door een alliantie tussen de stedelijke elite en de niet-westerse migrant.

De uitdaging voor links is te laten zien dat onze onzekerheid niet wordt veroorzaakt door vluchtelingen, maar door de verweving van grootkapitaal en politiek beleid, en dat het terugvallen op nationale instituties en mythologiën niet in staat is globale problemen op te lossen (geld en CO2 kennen geen grenzen). Maar als we een ding van de geschiedenis kunnen leren, dan is het wel dat een rationele argumentatie nog geen overwinning garandeert, en dat kritische vermogens zelden zijn opgewassen tegen de macht van de onderbuik.

Geef een reactie

Laatste reacties (18)