Laatste update 14:57
7.678
55

Historicus, journalist

Maarten van den Heuvel begon zijn journalistieke loopbaan in de redactie van de talkshow I.S.C.H.A van Ischa Meijer. Na het abrupte einde aan dat programma werkte hij onder meer bij RUR en was hij als researcher in dienst van documentairemaakster Ireen van Ditshuyzen.

Zijn dienstverband bij de VARA begon bij het programma Barend & Witteman, eerst als redacteur, later als coördinator en kort als eindredacteur. Hij zette samen met Paul Witteman het populair wetenschappelijke programma Nieuwslicht op en werd er eindredacteur van. Vanaf het begin van Pauw & Witteman werkte Van den Heuvel er drie jaar als samensteller.

Daarna was hij betrokken bij de oprichting van Joop en een van de twee eindredacteuren van het documentaire-drieluik 'Vrijheid, gelijkheid, broederschap', waar hij ook het boek 'Vrijheid, gelijkheid, broederschap. Oude waarden in nieuwe tijden' over schreef. Dat boek werd geselecteerd voor de longlist van de Socratesbeker, de prijs voor het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek. Sindsdien is hij eindredacteur van diverse televisieprogramma’s bij BNNVARA zoals ‘Witteman ontdekt’ en ‘Groeten uit Holland’ en ‘Dat had je gedacht’ van Human.

Rutger Bregman en het goede in de mens

Het lijkt me op zich zinvol om het idee te ondergraven dat de mens niet deugt. Het zou wat mij betreft alleen niet terecht zijn als dat idee zomaar wordt vervangen door de notie dat de meeste mensen deugen.

Rutger Bregman heb ik hoog zitten. Ik lees hem altijd graag, al sinds de tijd dat hij hier nog op Joop schreef. Ik heb hem ook wel eens instemmend aangehaald in een van mijn eigen stukken. Daarom was ik benieuwd naar zijn boek De meeste mensen deugen. Een nieuwe geschiedenis van de mens. En naar wat hij daarover te zeggen zou hebben in het interview dat hij in De wereld draait door gaf.

Het boek heeft als uitgangspunt dat het idee dat de mens in wezen slecht is al eeuwen de westerse cultuur domineert. Dat idee moet worden ontkracht. De titel van het boek suggereert een beetje dat het hier om een nieuw inzicht gaat. In DWDD weerspreekt Rutger Bregman Matthijs ook niet als die spreekt van ‘een nieuwe aanname’, terwijl de discussie over de vraag of de mens in wezen goed of slecht is natuurlijk al heel oud is. Rutger Bregman schaart zich met zijn stellingname in het kamp van bijvoorbeeld de filosoof Jean Jacques Rousseau en denkers uit de Amerikaanse counterculture beweging van de jaren ’60.

Bregman bouwt zijn pleidooi onder meer op het ontkrachten van onderzoek en verhalen, die de notie dat de mens slecht is zouden staven. In het interview komen er daar drie van langs, waaronder de roman Lord of the flies. Daarin gaan kinderen die op een onbewoond eiland aanspoelen zich gruwelijk tegenover elkaar gedragen. Ronduit geweldig is dat Bregman een vergelijkbaar voorbeeld uit het echte leven vond, waarbij bleek dat de kinderen zicht juist uiterst sociaal en constructief opstelden en zo wisten te overleven tot ze gered werden.

Geheel terecht wijst hij er bovendien op dat niet lang geleden duidelijk is geworden dat het beroemde Stanford prison experiment een grote frauduleuze bende was. Bij dat experiment werden de nietsvermoedende deelnemers verdeeld in gevangenen en bewakers. De bewakers zouden zich beestachtig gaan gedragen, maar inmiddels weten we dat ze dat niet uit zichzelf deden, maar pas nadat ze daar expliciet in werden geïnstrueerd. Bregman spreekt van ‘afrekenen met mijn oude werk, met heel veel experimenten waar ik in geloofde’ en ik moet toegeven dat dat in dit geval ook voor mij geldt. Hoewel ik me sindsdien nog steeds afvraag hoe we dan bijvoorbeeld de gebeurtenissen in de Abu Ghraib-gevangenis moeten duiden.

Vuile was
En dan is er ook nog het beroemde experiment van Stanley Milgram. Milgram vroeg doodgewone Amerikanen, zoals postbodes, leraren en arbeiders, om in een ruimte plaats te nemen achter een apparaat. Met dat apparaat konden ze onder supervisie van een proefleider in een witte jas elektrische schokken uitdelen aan een proefpersoon in een andere ruimte als die een fout antwoord gaf. De schokken werden steeds sterker, tot een maximum van 450 volt. Natuurlijk kreeg niemand echte schokken toegediend, maar dat wisten de proefpersonen niet. Zij hoorden een acteur in de andere ruimte schreeuwen van pijn, en boven een bepaald voltage hoorden ze helemaal niets meer. Toch ging een groot deel van de proefpersonen door met het uitdelen van de schokken. Maar liefst 65 % ging door tot het maximale voltage, en niemand stopte onder de 300 volt. Het enige wat de man in de witte jas daarvoor hoefde te doen was dingen zeggen als: ‘Wilt u alstublieft doorgaan?”

Bregman bij DWDD: “De gedachte was: wij kunnen allemaal veranderen in beulen. Maar ook hier zijn de archieven opengegaan en er is behoorlijk wat vuile was. Er is enorm veel druk uitgeoefend op die mensen. Ze zeiden: ‘ik wil niet door’. Nee, je moet door, je moet door. En een groot deel van de mensen geloofde eigenlijk niet dat die situatie echt was.”

Toen ik dat hoorde was ik niet overtuigd. Sinds het werk van psychologen als Dan Ariely weten we dat de meeste mensen heel makkelijk achteraf recht praten wat krom is in hun gedrag of in hun hoofd. De verzekering achteraf dat ze wisten dat het niet om echte mensen ging zou ik dan ook niet voetstoots voor waar aannemen. En ook het feit dat er druk werd uitgeoefend zou ik niet meteen zien als een aanwijzing dat mensen eigenlijk wel deugen. Ook als mensen onder dit soort druk meegaan in het doodmaken van andere mensen – wat het experiment suggereerde – zou je dat nog als ‘het kwaad’ kunnen betitelen.

Bregman vervolgt dat het belangrijk is te zeggen, dat veel proefpersonen dachten dat ze iets goeds deden. Dat ze de wetenschap aan het helpen waren. En daar raakt hij aan iets waar hij verder iets te makkelijk overheen springt, namelijk dat het soms niet helder is wat goed en slecht is. Daar kan je ook wezenlijk over van mening verschillen. Zo is een nog steeds zeer succesvolle ideologie bijvoorbeeld gebouwd op het idee dat de samenleving het beste functioneert als mensen individueel hun eigenbelang nastreven. Daarmee is het nastreven van eigenbelang volgens de aanhangers van die ideologie iets wezenlijk goeds en niet iets slechts. Terwijl Bregman het op de achterflap van zijn boek al schaart in het rijtje dat aan moet tonen dat we geloven in de verdorvenheid van de mens.

Conformisme
In het interview in DWDD werd het experiment van Milgram gebruikt als iets dat moest aantonen dat het kwaad in ons zit. Maar het experiment gaat volgens mij niet over goed en kwaad, maar over conformisme. In het boek – dik, maar met een vriendelijke bladspiegel – geeft Bregman uiteindelijk ook in één zin toe dat psychologen inmiddels over het algemeen die mening zijn toegedaan. Maar verder vind ik dat hij de rol van conformisme in het tot stand komen van menselijke gedrag onderbelicht.

Conformisme is in zichzelf niet per se goed of fout. Je conformeren aan het idee dat een bepaalde bevolkingsgroep minderwaardig is en daarom moet worden uitgeroeid is je conformeren aan het kwaad. Je conformeren aan de norm dat je bij het invoegen op de snelweg ritst is iets goeds. De deelnemers aan het experiment conformeerden zich aan dat wat de autoriteitsfiguur van het moment hen vertelde. En dat in het kader van iets wat zij als goed beschouwden: de vooruitgang die de wetenschap beloofde. Dat wordt onderstreept door het feit dat toen het experiment niet op de campus van de universiteit, maar in een gewoon kantoorgebouw werd gehouden, beduidend minder deelnemers bereid waren de hoge schokken toe te dienen.

Wie overigens gelooft dat dat conformisme niet meer van deze tijd is komt bedrogen uit. Toen het experiment in 2009 in een iets andere vorm werd herhaald, bleek dat het aantal mensen dat de schokken toediende nog steeds ongeveer even hoog was als in de tijd dat Milgram voor het eerst zijn experiment deed. Interessant is dat bij herhalingen in verschillende culturen een verschillende uitkomst te zien was. In Duitsland gingen meer mensen door tot het dodelijke niveau, maar liefst 85 %. In het antiautoritaire Australië minder, maar altijd nog 44 %.

Dat moet niet verbazen als je beseft dat conformisme een van de belangrijkste menselijke drijfveren is. Zonder conformisme kan er geen cultuur, groep en uiteindelijk ook geen langdurige samenwerking bestaan. Daarvoor is namelijk nodig dat we in voldoende mate hetzelfde willen en hetzelfde doen. Er is dan ook wel eens gesproken over ‘de onzichtbare hand van conformiteit’.

Belastingmoraal
Conformisme gaat over het algemeen eigenlijk vanzelf. Mensen gedragen zich veelal volgens noties van wat volgens hen normaal is, wat je nou eenmaal doet. Die noties zijn voor het grootste deel geïnternaliseerd en daarmee ook voor een groot deel onbewust. 95% van onze hersenactiviteit blijft ten slotte altijd voor ons bewustzijn verborgen. We hebben die noties geleerd vanaf onze kindertijd, vooral door te kijken naar hoe de mensen om ons heen de dingen doen. In die zin zijn we hele sociale wezens. En dat leren houdt nooit meer op.

Twee aardige praktijkexperimenten laten de kracht van conformisme zien. In de Amerikaanse staat Minnesota besloot de regering in de jaren negentig te onderzoeken of ze de belastingmoraal van mensen konden verbeteren. Daartoe kregen verschillende groepen belastingplichtigen verschillende boodschappen toegestuurd. Een eerste groep kreeg te horen dat hun belastinggeld goed werd besteed, aan belangrijke zaken als brandweer en onderwijs. Een andere groep werd geïnformeerd over de straffen die ze riskeerden als ze zich niet aan de belastingwetten hielden en niet op tijd een juiste aangifte deden en het verschuldigde bedrag betaalden. De derde groep kreeg informatie over alle hulp die beschikbaar was als de procedure voor hen te ingewikkeld was. De laatste groep werd verteld dat meer dan negentig procent van de inwoners van Minnesota al aan al zijn belastingverplichtingen had voldaan. Alleen die laatste boodschap had een significant effect.

In een andere Amerikaanse staat, Montana, deden ze iets vergelijkbaars, maar dan om jongeren van het roken en drinken af te brengen. Zo benadrukte een op studenten gerichte campagne dat de meeste studenten in Montana (81 %) hoogstens vier glazen alcohol per week drinken. En een campagne om roken te ontmoedigen luidde: ‘De meeste tieners in Montana (70 %) zijn tabaksvrij.’ De campagnes waren een groot succes.

Ook recent onderzoek naar de Nederlandse samenleving laat zien dat tegenwoordig in Nederland ‘van nonconformisme weinig te bespeuren is’. Het mooist is dat misschien wel verbeeld door de Nederlandse fotograaf Hans Eijkelboom, die op allerlei plekken heeft vastgelegd hoezeer mensen op elkaar lijken.

Iedereen liegt en fraudeert een beetje
Conformisme is niet het enige mechanisme waardoor onze ideeën, gevoelens en gedrag van buitenaf worden beïnvloed. Zomaar een paar andere voorbeelden: onderzoekers Nicholas Christakis en James Fowler hebben bijvoorbeeld aangetoond dat ideeën en gedrag zich volgens de ‘drie stappen van invloed’-regel verspreiden. Je beïnvloedt niet alleen je vrienden, maar ook hun vrienden en de vrienden van hun vrienden, zelfs als je die nog nooit ontmoet hebt. Dat baseren ze op data uit de Framingham Heart Study, een epidemiologische studie die sinds 1948 de gezondheid van duizenden inwoners van het stadje Framingham volgt, een stad in de buurt van Boston. Aangezien ook werd bijgehouden wie bevriend was met wie en wie verwant met wie, kon een uitgebreid sociaal netwerk in kaart worden gebracht. Toen de onderzoekers vervolgens gingen kijken naar de verspreiding van obesitas in het netwerk constateerden ze hun driestappen-effect. Hetzelfde patroon is gevonden voor bijvoorbeeld beginnen en stoppen met roken en comazuipen, en niet alleen in de dataset van de Framingham Heart Study. Ook geluk bleek zich op een vergelijkbare manier te verspreiden onder 10.000 Chinese plattelandsbewoners.

Epidemiologen Richard Wilkinson en Kate Pickett toonden op hun beurt aan dat uiteenlopende problemen als drugsgebruik, psychische aandoeningen, kindersterfte, obesitas en het aantal gevangenen, moorden en tienerzwangerschappen sterk samenhangen met de inkomensongelijkheid in landen. En Richard Thaler en Cass Sunstein lieten zien hoe makkelijk mensen in hun gedrag zijn te beïnvloeden door simpele ingrepen als het plaatsen van een vlieg in een pispot of het veranderen van de strepen op de weg. Socioloog Richard Sennett leerde ons dat de kans dat je mensen kan vertrouwen groter is in een samenleving waarin samenwerken de norm is dan in een samenleving waarin competitie de norm is.

Dat laatste wordt onderschreven door de eerdergenoemde psycholoog Dan Ariely. Hij toonde aan dat iedereen een beetje liegt en fraudeert. Namelijk precies zo veel dat hij zichzelf nog steeds in de spiegel kan aankijken. En dat laatste heeft met normen te maken. Als eigenbelang als norm is geïnternaliseerd, omdat dat onderdeel is van de cultuur, zal iemand voor zichzelf met meer wegkomen, dan wanneer dat niet het geval is. Praktisch: als de norm is dat je best de telefoon in je zak als verloren kan declareren bij je reisverzekering ‘omdat iedereen dat doet’, dan zullen meer mensen dat doen. En zo zijn we weer terug bij conformisme.

Rol omgeving onderbelicht
Bregman heeft wat mij betreft ook te weinig aandacht voor de invloed van die omstandigheden. Over het Stanford prison experiment schrijft hij: “brave studenten veranderden in monsters, niet omdat ze slecht waren, maar omdat ze in een slechte situatie waren beland.” En met het Stanford prison experiment lijkt hij ook met de rol van de omstandigheden korte metten te maken. Maar het feit dat dat experiment fake was betekent natuurlijk nog niet dat omgeving geen rol speelt. Niet daar en misschien zelfs niet in die mate, maar het is niet voldoende om de rol van de omstandigheden af te doen.

Het is wat mij betreft dan ook minder zinvol om over de mens te praten in termen van ‘goed’ en ‘kwaad’, dan te beseffen dat mensen zich over het algemeen vooral conformeren aan de normen en het gedrag van de groep waartoe zij zich op dat moment voelen behoren. En dat hun daden worden beïnvloed door de omstandigheden waarin ze zich bevinden.

Het lijkt me op zich zinvol om het idee te ondergraven dat de mens niet deugt. En alleen al daarom kan ik het boek van harte aanraden. Het zou wat mij betreft alleen niet terecht zijn als dat idee zomaar wordt vervangen door de notie dat de meeste mensen deugen. We zijn al jaren te veel bezig de oorzaken van menselijk gedrag voornamelijk in mensen zelf te zoeken en de rol van de omgeving te onderbelichten.

Rutger Bregman zegt dat als we uitgaan van het goede in de mens, dat de ruimte biedt om onze samenleving anders in te richten. Ik zou willen zeggen dat we daar het goede van de mens niet als uitgangspunt voor nodig hebben. Laten we nadenken over hoe we onze omgeving anders kunnen inrichten zodat we de kans zo groot mogelijk maken op een bloeiende samenleving. In de letterlijke zin van dat woord: samen leven. Samenlevingen zijn niet maakbaar. En mensen ook niet. Maar mensen zijn wel beïnvloedbaar. En we kunnen wel degelijk dingen in onze samenleving veranderen, zodat daar een andere invloed van uit gaat. Dat we daarbij niet het slechte van de mens als uitgangspunt moeten nemen, lijkt me zeker na het lezen van dit boek overduidelijk.

Rutger Bregman, De meeste mensen deugen. Een nieuwe geschiedenis van de mens. (De Correspondent, 2019)


Laatste publicatie van MaartenvandenHeuvel

  • Vrijheid, gelijkheid, broederschap

    Oude waarden in nieuwe tijden

    2014


Geef een reactie

Laatste reacties (55)