2.388
46

Voorzitter Art.1 Midden-Nederland

Willibrord de Graaf is voorzitter van het antidiscriminatiebureau Art.1 Midden Nederland. Hij is voormalig universitair hoofddocent aan de afdeling Algemene Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht. Zijn onderwijs en onderzoek betroffen de problemen van uitsluiting en insluiting in de multiculturele samenleving en de verzorgingsstaat.

Rutte: neem je verantwoordelijkheid!

Discriminatie gebeurt niet per toeval, door een "domme werkgever" zoals Rutte stelde, maar vindt plaats tegen de achtergrond van een rijk geschakeerd palet aan opvattingen, vooroordelen en vooringenomenheden

Premier Rutte verklaarde onlangs dat hij niets kan doen aan de discriminatie van minderheden. Zij dienen dit zelf op te lossen en moeten zich ‘invechten’. Discriminatie is echter een structureel probleem. Juist de overheid dient daarom een actieve en normstellende rol te hanteren.

Rutte’s uitspraken waren niet slechts verkiezingsretoriek. Hoewel de overheid erkent dat discriminatie bestaat en nare gevolgen heeft, neemt zij al jaren een passieve rol in wanneer het gaat om de aanpak ervan. Wie de discriminatienota’s van de laatste jaren leest, valt op dat standaard verwezen wordt naar de verantwoordelijkheid van burgers die zelf dit probleem dienen aan te pakken. De overheid stelt door middel van Artikel 1 van de grondwet de grenzen, maar het registreren, bemiddelen en veroordelen laat zij over aan politie, rechters, het College voor de Rechten van de Mens en de antidiscriminatiebureaus. Voor het overige doet zij haar best kritiek vanuit Europa (zie bijvoorbeeld het ECRI-rapport 2013) op het ongure klimaat weg te wuiven (“Nederland is geen racistisch land”).

Geen incident meer
Wat Rutte opnieuw duidelijk maakt, is dat de overheid discriminatie beschouwt als een individueel probleem. Door te stellen dat je discriminatie zelf moet bevechten en zien te overwinnen, wordt het ontdaan van haar structurele karakter. Het SCP constateerde vorig jaar dat tweederde van de moslims een discriminatie-ervaring heeft meegemaakt; dat laat een systematisch patroon zien. De werkloosheid onder jongeren met een migrantenafkomst is al vijf jaar twee tot drie keer groter dan onder autochtone jongeren; dat is geen incident meer.

Discriminatie gebeurt niet per toeval, door een “domme werkgever” zoals Rutte stelde, maar vindt plaats tegen de achtergrond van een rijk geschakeerd palet aan opvattingen, vooroordelen en vooringenomenheden. Een van de grootste vooringenomenheden is wel het idee dat Nederland kleurenblind en tolerant is en dat we niet meer hoeven na te denken over uitsluiting van groepen mensen. Dat doen we gewoon niet.

Discriminatoire tendensen
Door van discriminatie een individuele zaak te maken, verdwijnt de groepsmatige en maatschappelijke context uit beeld. Juist vanwege het structurele aspect van discriminatie dient de overheid zich actief op te stellen en haar normstellende rol te hanteren. Aangezien Artikel 1 bepaalt dat iedereen in gelijke gevallen gelijk behandeld moet worden, dient de overheid dat uitgangspunt nadrukkelijk te handhaven. Het behoort tot haar taken na te gaan of burgers ook krijgen waar zij recht op hebben, en of er zich in woord en daad geen discriminatoire tendensen ontwikkelen.

Het is al vaker gesignaleerd: het publieke debat over integratie en discriminatie is de afgelopen jaren verhard, aan migranten stellen we steeds hogere eisen (“Denk zoals wij!”) en daardoor voelen zij zich – terecht – meer en meer buitengesloten. Het is een gotspe om dan je handen af te trekken van het probleem dat discriminatie heet en de burgers het zelf te laten uitzoeken.

Bovendien maakt Rutte de organisaties die zich inzetten voor gelijke rechten en diversiteit in feite belachelijk. Want zij proberen iets wat de minister-president in elk geval niet kan of wil oplossen.

Geef een reactie

Laatste reacties (46)