2.563
64

Dierethicus

Willem Vermaat is dierethicus en was voorheen docent milieuwetenschappen en milieu- en dierethiek aan de Universiteit Utrecht

Satire hoeft niet zinvol te zijn

Er hoort geen criterium te zijn voor welke vrijheid van meningsuiting deugt en welke niet.

Pieter Coppens en Johan Roeland, werkzaam aan de Faculteit Religie & Theologie van de Vrije Universiteit, stellen in de Volkskrant dat onze samenleving “het bewust kwetsen van minderheden tot kunst heeft verheven en de handelingsmogelijkheden van minderheden beperkt tot ‘incasseren’”. Die minderheden zijn moslims. Zij zouden dagelijks gebukt gaan onder kwetsende opmerkingen. De boodschap van Coppens en Roeland is dat we niet moeten hameren op vrijheid van meningsuiting en incasseren, maar meer compassie moeten hebben. Dat is een onzinnige boodschap die de samenleving niet ten goede komt.

Compassie is mooi en waardevol. Coppens en Roeland stellen dat het een waarde is die “diep in het dna van religieuze tradities zit”. Ik vraag mij af waarom er dan zoveel religieus geïnspireerde conflicten zijn en religieus terrorisme is. Compassie in religie blijft vaak beperkt tot de groep medegelovigen.

Daar zit het probleem in de analyse van Coppens en Roeland. Ze denken niet vanuit het individu, maar vanuit groepen. Hun oproep tot compassie draait om compassie voor een groep: moslims. Bovendien gaat het om meer dan compassie: onze samenleving zou meer rekening met hun gevoelens moeten houden als het gaat om spotprenten en het islamdebat.

Zoiets is onwenselijk, omdat het leidt tot een voorkeursbehandeling van een bepaalde groep. Volgens de auteurs is dat wellicht nodig. Ze stellen dat het gaat om een “gemarginaliseerde minderheid van kleur die geen noemenswaardige politieke of institutionele representatie kent”. Dat is op zijn minst schromelijk overdreven. In de Tweede Kamer verdedigde Azarkan (DENK) de petitie die het beledigen van de profeet Mohammed strafbaar wil stellen. Coppens en Roeland hebben kritiek op het optreden van Gert-Jan Segers bij Op1, maar benoemen niet dat imam Azzedine Karrat alle ruimte kreeg om zijn visie te geven op het tonen van spotprenten in de klas.

Dat voorbeeld toont juist aan hoeveel ruimte er al is voor ‘boze moslims’. In een tijd waarin een leraar in Frankrijk is onthoofd en Nederlandse docenten zijn bedreigd vanwege het tonen van spotprenten, gaat een groot deel van de discussie niet over de veiligheid van docenten, maar over kwetsende spotprenten en de gevoelens van moslims.

Imam Karrat doet hetzelfde als Coppens en Roeland. Ze zeggen dat de vrijheid van meningsuiting een groot goed is, maar hebben een ‘maar’ in te brengen. Ze blijven vervolgens hangen in vage algemeenheden. Ze stellen niet letterlijk dat er grenzen moeten komen aan de vrijheid van meningsuiting, maar hun pleidooi lijkt er wel op neer te komen.

Wie goed leest, ziet daar tekenen van. Zo schrijven Coppens en Roeland voordat ze een kritisch punt inbrengen: “Laat er geen misverstand over bestaan dat kritische satire zinvol kan zijn en als zodanig gewaardeerd kan worden.” Dat lijkt mooi, maar satire kan volkomen zinloos zijn. De één kan het grappig vinden en de ander smakeloos. Bij vrijheid van meningsuiting hoort dat het niet uitmaakt of satire zinvol is.

Er hoort geen criterium te zijn voor welke vrijheid van meningsuiting deugt en welke niet. Aan mensen die zoiets voorstaan, zou ik simpelweg de vraag willen stellen: wie mag voor u bepalen wat u wel en niet mag zeggen, tekenen of anderszins uiten?

Tot slot, het grote probleem is volgens Coppens en Roeland dat moslims al sinds de jaren  90 dagelijks onderwerp van gesprek zijn en de meest kwetsende dingen over zichzelf horen. Moslims zouden een eeltlaag hebben opgebouwd, die tot een likdoorn is verworden. Dat zou hun boosheid verklaren.

Het is treurig dat dit groepsdenken moslims op één hoop gooit. Coppens en Roeland verwijzen eigenlijk naar het islamdebat. Zou boosheid van moslims komen door jarenlang gekwetst worden? Dat is de zaken omdraaien. Het zou betekenen dat vòòr de jaren 90  aanhangers van de islam gekenmerkt werden door hun ontzettend korte tenen. Het zou betekenen dat zij een enkele beledigende opmerking over de profeet verwelkomden met ongekende tolerantie.

Dat is eerder wensdenken dan realiteit. Als er iets diep in het dna van religieuze tradities zit, dan is het overgevoeligheid voor beledigd raken.

Geef een reactie

Laatste reacties (64)