2.191
41

Hoogleraar duurzame transities

Jan Rotmans is hoogleraar transitie economie aan het Dutch Research Institute for Transitions (Drift) aan de Erasmus Universiteit en oprichter van Urgenda. Hij publiceert over klimaatverandering en transitie naar duurzaamheid.

Schaliegasadvies: wetenschappelijk ondeugdelijk

De conclusie is dat de gebruikte literatuur geen adequate afspiegeling vormt van de beschikbare literatuur

Het schaliegasadvies van ingenieursbureaus Witteveen & Bos, Aracadis en Fugro is wetenschappelijk invalide. Het is dan ook niet geschikt als betrouwbare onderlegger voor een marsroute naar schaliegaswinning in Nederland.

Het rapport omvat een overzicht van de (vooral internationale) schaliegasliteratuur, een vertaalslag naar de Nederlandse situatie en een interpretatie van de risico’s die schaliegaswinning met zich meebrengt. Op alle drie aspecten van het rapport valt wetenschappelijk gezien het nodige af te dingen.

De gebruikte literatuur is onvolledig en zeer selectief. Eén van de belangrijkste en eerste Europese studies naar de milieu-effecten van schaliegas, van het Wuppertal Instituut, uit 2011 en in 2013 nader uitgewerkt, wordt in het geheel niet vermeld, laat staan gebruikt. Een recent onderzoek in het toonaangevende tijdschrift Science naar de schadelijke effecten van schaliegas op de regionale waterkwaliteit wordt helemaal niet genoemd. De wetenschappelijke literatuur over mogelijke milieu-effecten en die op de volksgezondheid wordt stelselmatig genegeerd. Daarentegen wordt bovenmatig vaak verwezen naar literatuur uit de gas- en olie-industrie zelf, zoals Shell en de NAM, naar Cuadrilla (n.b. tientallen keren!), naar TNO, etc. De geschatte verhouding tussen pro- en contra-schaliegas bronnen is ca.75% versus 25%, waarbij de pro-schaliegasbronnen geen wetenschappelijke bronnen zijn, maar vooral industriële bronnen. De conclusie is dan ook dat de gebruikte literatuur geen adequate afspiegeling vormt van de beschikbare literatuur.

Dan de vertaalslag naar de Nederlandse situatie: die is zeer gebrekkig. Als er schadelijke effecten zijn aangetoond in het buitenland, dan wordt steevast aangegeven dat dit niet voor Nederland hoeft te gelden. Illustratief is het voorbeeld van het vrijkomen van radioactief materiaal via het terugstromend afvalwater, wat in Duitsland en de Verenigde Staten is gemeten bij proefboringen. Hiervan wordt gezegd dat dit onderzoek niet representatief is voor Nederland. Bovendien kan de veiligheid ‘tot op zekere hoogte’ worden gewaarborgd, door het nemen van voorzorgsmaatregelen, passend bij de behandeling van mogelijk radioactief materiaal.
Merkwaardig is echter dat als er geen internationale bronnen bekend zijn over mogelijke schadelijke effecten, dat dan wel wordt aangenomen dat dit voor Nederland in elk geval geen probleem vormt. Mooi voorbeeld is de bodemdaling door schaliegaswinning, waarover wordt gesteld dat dit niet waarschijnlijk is. Die kan wel optreden, afhankelijk van de drukval door schaliegaswinning en de specifieke geologische omstandigheden. Maar er zijn geen literatuurbronnen gevonden over bodemdaling door schaliegaswinning. Dus wordt er gesteld dat schaliegaswinning niet leidt tot bodemdaling, terwijl de kans bestaat dat dit wel het geval is, maar nog niet is opgetreden.

Een zwak punt is dat in het rapport nergens locatie-specifiek onderzoek wordt gebruikt, terwijl bij voortduring wordt gesteld dat dit wel noodzakelijk is. Zo wordt over de relatie tussen ‘fracking’ en aardbevingen gesteld dat dit elders op de wereld is aangetoond, maar dat meer gedetailleerd lokaal onderzoek nodig is om hier iets specifieks over te kunnen zeggen. Wel wordt met stelligheid beweerd dat de maximale kracht van een aardbeving in Nederland door schaliegaswinning 3.0 op de schaal van Richter is. In de bijlage wordt echter gesteld dat dit slechts een indicatie is, die sterk afhangt van de locatie-specifieke omstandigheden. Dit terwijl de grootst geregistreerde aardbeving ten gevolge van schaliegaswinning in Canada 3.8 was. Als klap op de vuurpijl wordt gesteld dat aardbevingen kunnen worden voorkomen door het vermijden van actieve breuken. Tsja, als het zo eenvoudig was….

En ten slot de achilleshiel van het rapport, de interpretatie van de onzekerheden en risico’s van schaliegaswinning. Opvallend is, dat aan het begrip ‘onzekerheid’ vrijwel geen aandacht wordt geschonken: het komt slechts 1 keer voor in het rapport (in relatie tot door schaliegaswinning geïnduceerde aardbevingen) en slechts enkele keren in de honderden pagina’s dikke bijlagen. Dit is methodologisch niet te verdedigen, omdat het hele schaliegasdebat draait om een inschatting van onzekerheden, in data, bronnen, effecten, etc. Op zijn minst zou onderscheid gemaakt moeten worden tussen reduceerbare en niet-reduceerbare onzekerheden. Wat betreft de risico-inschattingen, dat is het zwakste deel van de studie.

Wie accuraat leest ziet een duidelijk patroon. De risico’s worden stelselmatig gebagatelliseerd. Enerzijds door adjectieven te gebruiken als ‘onwaarschijnlijk, miniem, minimaal, nihil, zeer klein’. Waar in de achtergrondbijlages aanzienlijk meer nuances worden aangebracht, verdwijnen die consequent in het hoofdrapport. Ook worden telkens weer risico’s afgedekt door het voorstellen van mitigerende maatregelen.
Het mooiste voorbeeld van hoe onwetenschappelijk met risico’s wordt omgegaan is de inschatting van risico’s van grondwatervervuiling. Dit risico is significant hoger dan bij conventionele aardgaswinning (door het ‘fracken’ en door het groot aantal benodigde putten). Essentieel is welke chemicaliën worden gebruikt bij het ‘fracken’, wat bij elke locatie en proefboring weer anders is. Dit kunnen toxische, corrosieve, carcinogene en radioactieve stoffen zijn, zoals benzeen, kwik, arseen en radon, die in het grond- en oppervlaktewater terecht kunnen komen. In het rapport wordt hier heel mistig over gedaan, met nogal versluierend taalgebruik, zo spreekt men consequent van ‘hulpstoffen’, zonder ook maar één keer de schadelijke chemicaliën zelf te benoemen. De risico’s op grondwatervervuiling zelf worden niet expliciet geclassificeerd laat staan gekwantificeerd. Illustratief is ook de formulering over het vermengen van chemicaliën met het drink-grondwater: “Er kan met een goede boorafsluiting geen vermenging plaatsvinden met het drink/grondwater, tenzij het technische proces niet onder controle is en de fracture doorloopt in de drinkwaterlagen.”

Vervolgens benoemt men twee oorzaken van mogelijke grondwatervervuiling: menselijke fouten en technische fouten. Menselijke fouten kunnen worden beperkt door goede training en adequaat toezicht, terwijl technische (operationele) fouten kunnen geminimaliseerd door goede monitoring en het volgen van de richtlijnen. En nu komt het: door het minimaliseren van menselijke fouten en technische fouten worden de risico’s op grondwaterverontreiniging ‘beheersbaar’. Op deze wijze, door menselijk en technisch falen weg te rationaliseren, is elk risico van welke activiteit dan ook, beheersbaar. Elke wetenschappelijke grondslag ontbreekt hier echter voor en daarmee wordt de bodem weggeslagen onder het rapport en onder de hoofdconclusie dat de ‘risico’s van schaliegaswinning beheersbaar zijn’. Dit is wetenschappelijk onjuist en invalide.

Geef een reactie

Laatste reacties (41)