1.629
14

Amber-Helena Reisig (Heerlen, 1992) is schrijfster en dichteres bij Uitgeverij Prometheus. Ook is zij Stadsdichter van Heerlen. Zij woont en werkt in Amsterdam en maakt deel uit van het dichterscollectief Hongerlief.

Tevens treedt zij in het gehele land op met haar proza en poëzie, soms in combinatie met muziek. Zo stond zij onder andere op Dichters in de Prinsentuin, De Parade, De Nacht van Kunst en Wetenschap en de Museumnacht Amsterdam. Geregeld doet zij ook de slampodia in zowel Nederland als België aan.

Ook is zij presentator en organisator van literaire activiteiten zoals haar eigen literaire podium Ver'Skek, iedere eerste zondag van de maand bij 'Skek in Amsterdam. En vanaf 2013 bij het Torpedo Theater iedere tweede zondag van de maand.

Haar werk verscheen reeds bij onder andere Zwart Goud, Meander Magazine, Zuiderlicht, Pomgedichten en De Optimist. Ook is haar poëzie opgenomen in o.a. de bloemlezing 'Alles staat nog op zijn plaats', verschenen bij Uitgeverij de Contrabas, de DichtSlamRap bundel, de bundeling 'Oog in oog', de bloemlezing 'Perron Poëzie' en als minibundel voor het project No Smoking Machine van Literair Station Venlo. Voor KRO Hemelbestormers schreef zij een gedicht dat zij live voordroeg en dat op papier en cd gebundeld werd.

Eerder won zij tweemaal, in 2007 en 2009, de provinciale voorronde van de schrijfwedstrijd Write Now!, waar zij in 2009 in de top 3 eindigde in de Nederlands Vlaamse finale.

Het blad Viva nomineerde haar in de categorie 'creatief' voor de Viva400, een shortlist van de meest succesvolle vrouwen in Nederland in zowel 2011 als 2012.

Begin dit jaar tekende zij twee contracten bij Uitgeverij Prometheus. Haar debuutroman 'Het Sterfhuis' verschijnt maart 2013. Haar poëziebundel, werktitel 'Huidherinnering', verschijnt later dat jaar. Beiden zullen te vinden zijn in de betere boekhandel.
Foto: Arjan Benning

Sinterklaasavond in De Vluchtkerk

De wensen van de vluchtelingen lijken niet groot te zijn. Eigenlijk wensen ze nog minder dan het gemiddelde Nederlandse kind van de Sint vraagt

3 december 2009. In Mogadishu, de hoofdstad van Somalië, komen 19 mensen tijdens een afstudeerceremonie van jonge doctoren om het leven. Onder hen bevinden zich drie ministers, meerdere doctoren en ingenieurs. Jonge, veelbelovende mensen met een grote toekomst in het verschiet.

Woensdag, op pakjesavond, 5 december 2012, werken vijf Somalische jongens koortsachtig aan een herdenkingspamflet in de tot Vluchtkerk omgedoopte Sint Josephkerk in Amsterdam-West. Ze verzamelen zich rondom een tafel in het schip van de kerk. Het is een afgetakelde betonnen ruimte en lijkt in niets meer op de Rooms-katholieke kerk die het ooit geweest moet zijn. Een beeldenstorm is er niets bij.

In het midden van de ruimte ligt een grote stapel legergroen en zwart canvas, alsof een luchtballon door een opening in het gewelf naar beneden is gedaald. “Dat zijn de tenten waar we de afgelopen drie maanden in gewoond hebben”, vertelt een vluchteling mij. “Die hebben we gelukkig niet meer nodig. No more tents.

Op tafel ligt een groot stuk karton waar de jongens teksten op hebben geschreven. Alleen het woord ‘Somalia’ herken ik. ‘Somalia, Somalia.’ Het staat veelvuldig op het papier. Daarnaast staan kleine geluidsboxen, gekoppeld aan een mobiele telefoon, waaruit liederen in hun taal weerklinken.

It says: we will never forget you. We will always remember what happened to you“, legt een van de jongens mij uit. “Did you know them?” vraag ik. “No, but they are my people. We make this memorial because we want to be like them. We want to finish an education. To not be killed.

Ieder jaar maken ze zo’n herdenkingsteken op 3 december. Dit jaar waren ze te druk met verhuizen. De jongens vinden het erg dat ze twee dagen laat zijn.

Een van hen vertelt mij dat hij vanaf zijn zevende levensjaar ‘outside‘ heeft gewoond. Outside is buiten Somalië. Veel ouders stuurden hun zonen op jonge leeftijd naar landen als Saoedi-Arabië om veilig naar school te kunnen gaan. Als ze daar als illegaal worden gearresteerd, worden ze na lange gevangenschap weer uitgezet naar Somalië. Daar zijn ze niet meer welkom. Als outsider vluchten ze naar landen als Nederland. “But, I don’t want to show you my personal problems. I want you to write about the problems of my people.

Eerder vandaag viel de eerste sneeuw. En gevoed door nieuwsgierigheid, maar ook door een, misschien wel door de feestdagen aangezwengeld, gevoel van naastenliefde besloot ik tijdens een avondwandeling een bezoek te brengen aan De Vluchtkerk, die zich op loopafstand van mijn huis bevindt. Sinds anderhalve dag volg ik het nieuws rondom de gekraakte kerk die onderdak biedt aan zo’n tachtig niet uitzetbare asielzoekers, op de voet.

Ooit maakte ik een reportage over het asielzoekerscentrum in mijn geboortestad Heerlen en mede door de voldoening die dat gaf, voelde ik me geroepen om ook over deze mensen te schrijven. Het betreft een groep onuitzetbare asielzoekers, afkomstig uit heel Oost- en Centraal-Afrika, die afgelopen vrijdag opeens op straat stonden nadat ze daarvoor in hun tentenkamp ‘Not Weg’ in Osdorp waren gearresteerd.

Na het wilde plan dat ik op mijn veertiende met een vriendin maakte om een jaar ontwikkelingswerk in Afrika te gaan doen – iets waarvoor we lustig geld inzamelden bij onze familie – was mijn interesse in het werelddeel compleet verloren gegaan. Ik zal dan ook eerlijk bekennen dat ik ‘Eritrea’ zojuist tot drie keer toe verkeerd schreef en ik tijdens het schrijven van dit artikel de landkaart erbij moet houden.

Als ik de straat in loop rijst de grof gebouwde kerk hoog boven mij uit. Op een van de kantelen is iemand aan het werk. Waarschijnlijk probeert hij iets te doen aan de stroomvoorziening die om de haverklap uitvalt. Voor de ingang is het een drukte vanjewelste. Mannen in winterkleding lopen af en aan met vloerkleden, matrassen en een reusachtige pan. Geroutineerd laden ze een bestelbusje en twee auto’s uit. Ik werp een blik naar binnen en zie tot mijn verrassing dat de Goedheiligman zelf met zijn gevolg rondloopt. Blijkbaar is ook de Sint dit huisje niet stilletjes voorbij gegaan.

Als ik naar binnen wil lopen snijdt hij me de pas af.
“Dag Sinterklaas!” zeg ik. “Dag, juffrouw”, zegt hij, waarna hij zijn staf uit elkaar schroeft, een zakelijke stem opzet en met de vrijwilliger die de deur bewaakt in overleg gaat over allerlei praktische zaken. Dan kijkt hij mij weer aan, knipoogt en zegt met zijn Sinterklaas stem: “De Sint heeft vanavond erg druk maar hij gaat natuurlijk eerst bij deze mensen langs.”

De mannen die ik in het eerste slaapvertrek spreek zijn iets minder gecharmeerd van hem. “In het Somalisch noemen we Sinterklaas het feest van de man met de witte baard”, zegt Muhammed, een 27-jarige jongen die vloeiend Engels spreekt, lachend. “Why are you here? Today?” vraagt hij. “I wanted to see what you are doing while everybody else in Holland is celebrating“, zeg ik. “Good point!” zegt hij enthousiast en steekt van wal. Om ons heen heeft zich een groep van geïnteresseerden verzameld.

Ik houd nog steeds mijn laarzen vast die ik bij binnenkomst van het slaapvertrek uit moest doen. Ik wil geen indruk van wantrouwen geven maar ben bang dat ze verdwijnen in de kluwen van schoenen voor de deur en dus hangen ze als slappe stukken leer beschaamd in mijn handen. Een van de mannen ziet het en zet ze op een hoge tafel. “You see?” zegt hij lachend. “Now they are safe.

Ik vertel dat in Indonesië het op tafel zetten van je schoenen een teken van armoede is. “So now you are poor too!” lachen de mannen.

In tegenstelling tot mijn schoenen zijn de mannen niet veilig. “If you couldn’t stay in Holland but you’re weren’t allowed to go to your own country either, you would at least be a little confused, right?” zegt Muhammed.

In de hal tref ik vier mannen aan die me wenken en zich voorstellen als Achmed en Achmed, Usaí en John. Ik verbrand mijn benen bijna aan een gloeiend heette draagbare kachel waaraan ze zich warmen, gezeten op plastic klapstoeltjes. Het lijkt de enige verwarming te zijn in de gigantische betonnen ruimte.

Ik verwachtte een overvolle hal aan te treffen waar overal veldbedden in rijen opgesteld zouden staan, zoals in noodziekenhuizen tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar de asielzoekers slapen in kleine zijkamers en in de kelders van de kerk. Hier hebben zij de vloeren bedekt met zoveel mogelijk tapijten. Door de bonte keur aan verschillende bedden, matrassen en dekens lijkt het haast op een gezellig slaapfeestje. Niets is minder waar. Dit is nood en voor het eerst in mijn leven word ik geconfronteerd met echte ontberingen. En toch. Op een rare manier heb ik het gezellig met de mensen in hun geïmproviseerde huis.

Met Usaí, de twee Achmeds en de verlegen John rook ik een sigaret bij de kachel. Eén van de Achmeds blijkt nog maar 21 jaar te zijn. Hij kwam op zijn zestiende naar Nederland. Ik vraag of hij nog familie heeft. Als hij niet antwoordt, antwoordt zijn naamgenoot in zijn plaats: “Zijn vader is dood.
De jongen zegt iets in het Arabisch. De ander kijkt geschrokken en zegt: “I’m sorry.” Dan kijkt hij mij aan en zegt: “Zijn hele familie is dood. Dat wist ik niet.”

Sometimes it’s too painful for us to talk about what happened, but journalists keep on asking. We want to talk about what we want for our future, not about who we lost“, verbreekt de dertigjarige Usaí uit Soedan het stilzwijgen. “Yeah, just give us a home and a licence to stay and we’ll take it from there“, zegt John opeens en aan zijn gebroken stem hoor ik dat dit het eerste is wat hij in tijden heeft gezegd.

De verschillende nationaliteiten hebben eigen groepen gevormd. Al met al zijn de vluchtelingen uit zo’n twaalf verschillende landen afkomstig. Iedere groep heeft zijn eigen slaapruimte ingericht. Toch zie ik her en der groepjes van drie à vier mannen uit verschillende landen samen kaarten of een sigaret roken. “We are all Africans. We are the people“, zegt een van hen.

De vrouwen delen ook een slaapkamer met gemengde nationaliteiten. Zij zijn ver in de minderheid. Pirwin, een jonge vrouw van 27 uit Uganda, stelt mij voor aan Mama Fatima Omar, de moeder van de groep. Een 64-jarige vrouw die zichtbaar geleden heeft onder het leven maar nog steeds weerbaar is. Toen mensen aanboden haar in huis te nemen weigerde zij de groep te verlaten en liet zich vrijwillig arresteren en met de anderen in hechtenis nemen. “She is strong“, zegt Pirwin.

In de kelders spreek ik Chirac, een flamboyante Ivoorkuster, die mij in rap Frans vertelt dat hij ‘un artiste‘ is. Hij zingt, speelt gitaar en heeft de uitstraling van een ster met zijn dreadlocks, oorbel en lange suède jas. “Zondagmiddag geef ik een concert”, vertelt hij trots. Hij gaat muziek maken met Papa Sako, een lange, statige man van Afrikaanse afkomst die in de buurt woont. Hij maakt samen met een compagnon ‘M2M Radio’, kort voor ‘Migrant to Migrant Radio‘.

Papa Sako wijst mij een plek in de hal. “Dat wordt ons nieuwe radiostation.” Er hangt al een bord met ‘Information Point’. Op een kaart van Amsterdam staat de route die de onuitzetbare asielzoekers de afgelopen tijd hebben afgelegd. Erboven staat: “From here to eternity.

“Ach, Papa Sako vindt het hier gewoon veel leuker dan thuis”, zegt een vrijwilliger glimlachend. “We krijgen hem alleen nooit weg.”

Koko, een Soedanees die uitstekend Nederlands spreekt, heeft besloten mij rond te leiden langs alle slaapvertrekken. Overal waar ik kom zeg ik dat ik geen journalist ben maar een schrijver. Dan word ik enthousiast onthaald. Overal vraagt men mij te gaan zitten en wordt me wat te drinken aangeboden.

En overal vraag ik hetzelfde: “If you could choose anything in the world what would you choose?
En overal krijg ik hetzelfde antwoord: “We want to live a normal life, like you.

In de televisiekamer, waar ik uitgelachen wordt om mijn slechte kennis van de Champions League, richt een van de mannen zich direct tot mij. “If you are a writer you have to remember this: people are blind. Give them back their eyes!

Zijn vriend naast hem zegt: “My name is Salim. In Arabic that means ‘Safe’.” “But you are not safe“, concludeer ik. Hij kijkt bedenkelijk. “No, that’s not true. Outside I’m not safe but – hij wijst naar zijn hoofd – inside I’ll always be safe. When there is darkness, maybe the light is just inside.

Deze uitspraken omschrijven het gevoel dat ik had toen ik naar huis liep het best. De wensen van de mensen lijken niet groot te zijn. Een normaal leven lijden zou ieders vanzelfsprekend recht moeten zijn. Toch lijkt het voor deze groep teveel gewenst. Eigenlijk wensen ze nog minder dan het gemiddelde Nederlandse kind van de Sint vraagt.

We want to be free. We are human beings. We want to live a normal life, like everyone else.” Of kijk naar Pirwin. Toen ik haar vroeg wat ze het liefst van Sinterklaas zou willen krijgen, keek ze verlegen naar de grond, plukte aan haar trui en zei: “A new sweater.

Geef een reactie

Laatste reacties (14)