5.913
78

Literatuurwetenschapper, onderzoeker

August Hans den Boef is literatuurwetenschapper en onderzoeker. Hij werkte tot 2011 aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij is schrijver van onder andere Nederland seculier!, 'God als hype' en [Haat] als deugd.

Slavernij en christendom; een blinde vlek op een zwarte bladzijde

Sommige gelovigen proberen ons wijs te maken dat het christendom erg op de slavernij was gebeten

Op allerlei manieren gedenkt men deze dagen het feit dat Nederland op 1 juli 1863 als een van de laatste koloniale landen de slavernij afschafte. Veel hiervan is een recycling van de bekende verhalen. Het blanke establishment zien we nog steeds de slavernij bagatelliseren en we horen de radicale nakomelingen van de slaven gretig in termen van de holocaust spreken. Maar zelfs in de genuanceerde verhalen daartussen ontbreekt een belangrijk aspect: christelijke kolonialen hebben de slaven destijds hun godsdiensten ontnomen.

De vorm van slavernij waarover wij het hebben, vormde een onlosmakelijk onderdeel van de kolonisatieperiode. Europeanen veroverden gebieden in Afrika en Azië en bepaalden voortaan in grotere en kleinere mate hoe de oorspronkelijke bewoners moesten leven. Daarbij hoorde vanzelfsprekend missie en zending. Het doel van deze instituties is, als bekend, het bekeren van andersdenkenden.

In de koloniale periode ging het bovendien om andersdenkenden aan wie de blanke christenen zich vanzelfsprekend superieur voelden. Zelfs een andere monotheïstische religie uit de woestijn, de islam, bedreef volgens Nederlandse overheid nog een eeuw geleden geen zending of missie, maar ‘moslimpropaganda’. De animistische religies van de slaven werden als ‘primitief afgodendom’ gezien, dat de mensen angstig, onbetrouwbaar en zedeloos maakte. De inboorlingen hadden het christendom nodig voor hun beschaving: bijbels en bustehouders. En het redden van hun zieltjes. – ‘Red mij niet’, zoals Maarten van Roozendaal het zo treffend en mooi zong –

Die vroegere bekeringsintentie staat al met al haaks op wat wij tegenwoordig onder vrijheid van godsdienst, of liever: elementaire mensenrechten, verstaan. Gelovigen suggereren vaak dat bekering een kwestie is van individuen enthousiasmeren voor hun religie, zoals een goede reclame de klant overhaalt om vrijwillig een juiste aankoopkeuze te maken. Maar van zo’n vrijwillige overgave was meestal geen sprake. Mensen werden christen of moslim omdat hun land door christenen of moslims was veroverd of omdat ze weinig anders konden dan hun collaborerende lokale elites volgen.

Niet alleen in veroverde landen, maar ook in landen met een machtige buur met wie graag handel werd gedreven. Zo bekeerden de Friezen zich ooit uit deze pragmatische motieven tot het christendom en in onze dagen mensen in Oost-Afrika tot de islam van de rijke Arabieren die in hun land investeren. Slaven namen zo de godsdienst van hun eigenaar aan.

Sommige gelovigen proberen ons wijs te maken dat het christendom juist erg op de slavernij was gebeten. Maar in een samenleving waarin iedere burger een godsdienst moest aanhangen, waren uiteraard veel abolitionisten godsdienstig. Kleine minderheden van dissenters, wier leven niet makkelijk werd gemaakt door de main stream christenen, tot wie de elites behoorden. In het westen is de afschaffing van de slavernij dan ook bevochten op de traditionele religies, net als de democratie en de positie van de vrouwen en homoseksuelen.

Die onvrijwillige bekering was voor slaven – mensen die het fysieke bezit waren van anderen – uiteraard nog erger dan voor degenen die de Trans-Atlantische reis niet hadden behoeven te maken. Natuurlijk hebben hun nakomelingen tegenwoordig het recht op hun eigen levensbeschouwing. Het zou zelfs potsierlijk zijn wanneer Surinaamse Nederlanders zich en masse (her-) bekeerden tot aanhangers van Brekyirihunuade en zijn collega’s uit het Afrikaanse pantheon. Maar de nakomelingen hebben wel het recht op de verontschuldigingen voor het feit dat de christenen hun voorouders dwongen hun goden te verloochenen.
De christelijke premier Rutte en de christelijke koning Willem IV zouden daarom eindelijk eens excuses moeten aanbieden aan de nakomelingen van de slaven. De Troonrede van 2013 is daarvoor het geijkte medium. En dan niet in de vage termen van deze dagen als ‘ontmenselijking’, ‘mensonterende praktijken’, ‘schaamte’ en ‘zwarte bladzijden’, maar gewoon beschrijven wat er is gebeurd en waarvan men spijt heeft. ‘Nederland heeft mensen van hun vrijheid beroofd en tot arbeid gedwongen, vaak met gebruik van geweld en soms onder gruwelijke omstandigheden, waarbij het alle moeite heeft gedaan om de cultuur van deze mensen te vernietigen, waaronder hun godsdienst. Van de handel en van hun arbeid heeft vooral onze sociaal-economische elite geprofiteerd. Voor al deze ellende bieden wij onze welgemeende verontschuldigingen aan, maar met name voor ons racistische superioriteitsgevoel.’

Hieraan gekoppeld graag de aankondiging van een nieuwe feestdag: 10 oktober. Op die datum in 1760 namelijk dwongen de Marrons in Suriname de koloniale overheid van Willem V van Oranje-Nassau, na hevige strijd, tot het tekenen van vredesverdragen. Een waardiger datum dan 1 juli. Die heeft toch veel te veel de sfeer van een cadeau dat de welwillende blanken aan hun trouwe zwarte dienaren geven. De boslandcreolen hebben bovendien nog elementen van de godsdienst van hun voorouders behouden!


Laatste publicatie van August Hans den Boef

  • Onbegonnen werk

    De ontvangst van het oeuvre van F. Harmsen van Beek, een casestudy (met Joost Kircz)

    2015


Geef een reactie

Laatste reacties (78)