3.482
27

Schrijfster, werkt met kindsoldaten

Ginny Mooy is schrijfster, antropologe, en grafisch ontwerper. Inmiddels woont en werkt Ginny ruim negen jaar in Sierra Leone, waar ze onderzoek doet naar de gevolgen van extreme geweldpleging, reïntegratie van (en de daarmee samenhangende positie van vrouwen) in de naoorlogse samenleving. Ginny volgt in Sierra Leone de lange termijn reïntegratie van voormalig kindsoldaten voor verder onderzoek.

Over haar eerste onderzoek schreef Ginny de roman 'De wil om te doden'. In April 2009 verscheen Ginny’s tweede boek 'Moordjongens'. Een boek voor jongeren vanaf 12 jaar, gebaseerd op waargebeurde verhalen en situaties.

Bekijk ook haar website www.ginnymooy.nl

Social media: Het slagveld van de propaganda oorlog

Wij houden de propagandamachine draaiend

Hoeveel macht social media platformen hebben, bleek wel in 2011 toen in Egypte protesten uitbraken tegen het regime van Mubarak in, wat ook weleens de ‘Facebook revolutie’ genoemd wordt. Door social media lukte het de protesterende Egyptenaren de buitenwereld te betrekken bij hun binnenlandse politieke aangelegenheden en daarmee uiteindelijk de (politieke) steun te krijgen die zij nodig hadden om Mubarak op zijn knieën te dwingen. Wael Ghonim, het brein achter de ‘Facebookrevolutie’ in Egypte, was hoofd marketing bij Google; de absolute heerser op de wereldmarkt in manipulatie en het overhalen van het onbewustzijn om tot bepaalde actie over te gaan.

Het leek een spontane revolutie, geïnspireerd door de protesten in Tunesië, ongeorganiseerd maar gepassioneerd en breed gedragen onder de bevolking. Niets is minder waar. De revolutie in Egypte was goed uitgedacht en meesterlijk getimed. Wael Ghonim wist precies wat hij deed. Hij kende de kracht van het internet, hij wist hoe hij mensen moest manipuleren. Hij wist hoe hij social media in moest zetten. Hij wist het te bespelen. En ‘wij’, social media retweeters en likers, deden de rest. Via ‘ons’ kwam de Egyptische revolutie in de reguliere media terecht, waar het de ‘macht’ kreeg om te winnen. Zoals Ghonim het zelf zei tegen CNN:

You guys have played a great role in saving the lives of hundreds if not thousands of people. CNN did a great job. You guys deserve a great recognition from the Egyptian people and we are not going to forget your role. You guys are heroes as well. You are part of the revolution. You should be proud of yourself.

Sinds de Egyptische revolutie in 2011 is de invloed van social media alleen maar toegenomen. Zelfs de meest verafgelegen dorpen in ontwikkelingslanden hebben inmiddels de beschikking over Facebook. Er zijn dorpen die geen toegang hebben tot schoon drinkwater of andere essentiële faciliteiten, waar geen wegen naar andere dorpen of steden zijn, maar waar de bewoners wel toegang hebben tot de zogenaamde Facebook-telefoon.

Social media platformen hebben een enorm bereik. Groter nog dan kranten of radiostations. En iedereen kan ‘meedoen’. Iedereen kan er ‘waarheden’ plempen. Of ‘leugens’. Een paar ‘likes’ of ‘retweets’ van de juiste personen en de waarheid gaat een eigen leven leiden. Razendsnel. Nog voordat het lichaam van een kind dat neergeschoten werd in een oorlog ‘koud’ is, is de huiveringwekkende beeltenis ervan al de wereld over. Zo’n beeld roept zulke sterke emoties op, dat onze vinger al snel op de like of retweet knop zit. Het is een natuurlijke reactie. De weerzin en de gevoelens van machteloosheid die het oproept bij mensen werkt als een reflex om het te ‘delen’.

En dat is precies de reden waarom die beelden met ons gedeeld worden. Het is een appèl op ons gevoel om iets ‘goeds’ te doen. Om niet toe te kijken, maar actie te ondernemen. En de actie die we ondernemen, heeft invloed. Want hoe meer zo’n beeld gedeeld wordt, hoe meer draagvlak een bepaalde mening krijgt. Er ontstaat een ‘je kunt er niet meer omheen situatie’. Zoals we dat ook zagen gebeuren tijdens de Egyptische revolutie, toen Obama zich wel tegen Mubarak uit móest spreken. Zonder de druk van de wereldbevolking die iedere seconde van de revolutie in zich opzoog en de betrokken leiders met een heel kritisch oog in de gaten hield, was dat waarschijnlijk niet gebeurd.

Social media platformen hebben daarnaast nog een aantal andere interessante componenten in zich, waar propagandisten handig gebruik van kunnen maken. De ‘social media persoonlijkheid’ is daarvan misschien wel de allerbelangrijkste. In de social media moet alles snel. Iedereen vaart mee op een hype. Zelden zie je mensen iets liken of retweeten van een dag geleden. Het moet actueel zijn. Mensen zitten dan ook constant bovenop het nieuws. En men wil een bepaalde indruk maken op volgers en vrienden. Wie participeert in social media platformen, creëert een ‘social media persoonlijkheid’. Voor veel mensen geldt dat betrokkenheid, laten zien goed geïnformeerd te zijn en ergens voor op durven komen, belangrijke componenten van die persoonlijkheid zijn. Of juist het tegenovergestelde: laten zien hoe betrokken je bent door juist niet mee te doen met het ‘emo-liken en emo-retweeten’. Iedereen die zich uitspreekt over conflicten of juist anderen probeert de mond te snoeren, speelt een rol in het uiterst delicate spel van de propaganda oorlogen, die momenteel gevoerd worden via de social media. Want hoe harder je mensen onderuit haalt door hen belachelijk te maken, hoe meer ze de neiging zullen hebben hun eigen gelijk te willen bewijzen. Wat leidt tot meer likes en retweets. Het drukt mensen verder in hun rol. En dat speelt propagandisten eigenlijk recht in de kaart.

Toen beelden van onthoofdingen door IS (ISIS) op social media begonnen te cicruleren was de verontwaardiging zo groot, dat de beelden binnen no time de hele wereld over waren. Het ene gruwelijke beeld na het andere werd geliked en geretweet. De social media waren één groot bloedbad. Beelden zonder context. Beelden zonder verhaal. Beelden zonder reden. Ze bestonden om de gruwelijkheid ervan. En ze werden gedeeld om hun gruwelijkheid. De boodschap was er niet. Anti-moslims zagen in de beelden van IS de bevestiging dat alle moslims slecht zijn en weer een nieuwe legitimering voor onderdrukkend beleid voor moslims in westerse gastlanden. Dat zou toch dom zijn van IS, als dat is wat ze met hun acties bewerkstelligden. En daarom werd het gedeeld. Waar IS op rekende. Want de verontwaardiging onder volkeren die moslims toch al haten, was iets wat IS voor hun oorlogstactiek kon gebruiken. Door propaganda over hun wreedheid, hun brutaliteit en hun absolute onoverwinnelijkheid, hadden zij namelijk veel minder slagkracht nodig op het echte slagveld. Hun reputatie ging hen ver vooruit. Waardoor ze lege dorpen aantroffen, en ze makkelijk hele stukken grondgebied konden veroveren. Met dank aan ons, de likers en de retweeters. IS baande haar weg vrij via Twitter en een handige app (Dawn of Glad Tidings) die het hen mogelijk maakte automatisch updates te genereren via de accounts van Twitter gebruikers die de app installeerden. Wat hen een enorm bereik gaf. Het is een zeer oude tactiek die in vele oorlogen gebruikt wordt. De boodschap vooruit sturen: ‘We komen eraan’. Social media vergemakkelijken het verspreiden van die boodschap. IS was bloeddorstig met een reden. IS rekende op de gedachte dat het om uitgelekte of ‘verboden beelden’ ging die verspreid ‘moesten’ worden in naam der rechtvaardigheid. IS rekende op de massahysterie die erop zou volgen. De massale respons was vooraf zorgvuldig uitgekiend. De magnetische aantrekkingskracht van die massale aandacht en veroordeling op nieuwe aanhangers en potentiële nieuwe rekruten uit westerse landen was onderdeel van het plan. Een strategie die werd afgekeken van oorlogen in (onder andere) Liberia en Sierra Leone.

De nieuwste ‘rage’ op social media is de Gaza oorlog, waarvan het slagveld inmiddels misschien wel grotendeels op die social media ligt. Sinds Israël haar Operation Protective Edge tegen Gaza begon zijn de social media een megapropagandaplatform geworden, waar gewone mensen uit vele verschillende landen met elkaar de oorlog uitvechten. Beelden vliegen als wapens over en weer. Opinie afkomstig uit de meest dubieuze hoeken en kanalen wordt als ‘waarheid’ je timeline ingeslingerd. Meningen zijn bewijzen. Gestaafd met gemanipuleerde beelden. De Palestijnen in het bijzonder hebben de zwakke plek van social media gebruikers weten te vinden. Hun campagne begon letterlijk met de woorden: “The media are not reporting anything.” Dat appèl op ons gevoel om iets ‘goeds’ te doen. We hebben invloed. We kunnen helpen. We kunnen van betekenis zijn. De beelden zeggen ons genoeg. Onder de hashtag #gazaunderattack op Twitter circuleren inmiddels ontelbare tweets en retweets van beelden die actueel zouden zijn, maar soms zelfs afkomstig uit 2007.

Israël doet op dit terrein al veel langer een appèl op haar medestanders: al in augustus 2013 kondigde Israël aan 778.000 dollar te investeren in een ‘war room’ (Hasbara) via social media, bestaande uit studenten die de boodschappen van de overheid via social media verspreiden. Het Israëlische leger heeft al geruime tijd een ‘Interactive Media’-afdeling die bestaat uit tientallen soldaten die boodschappen van het Israëlische leger via social media moeten verspreiden. In 2012 kwam Israël met een media bunker waar honderden vrijwilligers de social media bespelen met pro-Israël berichten. Of propaganda, zo je wil.

Er wordt dus behoorlijk geïnvesteerd in onze mening. Er wordt gerekend op onze participatie. We worden bespeeld met beelden, die vaak gemanipuleerd zijn. Die zo ‘mooi’ zijn, dat je niet anders kan dan je afvragen hoe het kan dat er altijd zo’n goede fotograaf in de buurt van al die gruwelijkheden is. Het zijn beelden zonder verhaal. Die in de social media een eigen verhaal krijgen. Zoals de (oude) foto “Die with love” uit 2006 die circuleert van twee Israëlische meisjes die bommen signeren voor kinderen in Gaza, alsof het een nieuwe foto is. Het lijkt een ‘antwoord’ op een hele oude foto van twee Palestijnse meisjes in een zomerkamp waar kinderen (onder andere) militaire training ondergingen. Of misschien is het andersom. En zo zijn er meer beelden die op elkaar lijken, of als een antwoord op een antwoord gezien kunnen worden. Een oorlog tussen de social media experts van beide kampen.Beide kampen schijnen bovendien goed te begrijpen dat beelden van kinderen die betrokken zijn bij die oorlog, op ons de allermeeste impact heeft. De kinderen van Gaza en Israël doen de social media propaganda campagne uit de voegen barsten. En wij schelden elkaar kapot omdat we geweld van het ene kamp tegen de kinderen van het andere kamp tolereren, verdedigen of vergoeilijken. We schijnen daarbij te vergeten dat beide kampen schuldig zijn aan de meest gruwelijke uitbuiting die je kinderen aan kunt doen. Kindsoldaten. Kindermoorden. Brainwashing. Indoctrinatie. Verspreiding van haat. Maar vooral de ontering van hun dode lichamen. We liken en retweeten ze de wereld in. Als wapen. Als gereedschap. Dat maakt ons partij. En medeschuldig aan vergelding. Wij houden de propagandamachine immers draaiend. We geven het de kracht die het zonder ons niet zou hebben. Door ons wordt de oorlog tussen de Palestijnen en de Israëliers grotendeels via de social media uitgevochten. Wij liken en retweeten. Massaal. Omdat we betrokken zijn. Wat we niet realiseren, is dat er daarmee ook bloed aan onze handen kleeft. Terwijl we de waarheid niet weten. We weten wat ze willen dat we weten. En dat is nooit de waarheid. Dát is de essentie van oorlog. Niemand kent ooit de waarheid achter een oorlog. Waarheden van gebeurtenissen tijdens een oorlog. De rol van bepaalde personen. Het blijft raden. Hoe lang je het ook analyseert. Niemand kan alle belangen, alle dynamiek en alle betrokkenen in kaart brengen. Oorlog heeft een eigen dynamiek, die iedere dag nieuwe impulsen krijgt. In deze tijd zijn wij één van die impulsen. We zouden ons misschien iets minder snel moeten laten verleiden tot die simpele klik op de like of retweet knop. Het is een grote verantwoordelijkheid. De snelheid van social media beinvloedt ons misschien wel iets teveel. We willen iets ‘goeds’ doen. Vaak kan dat alleen als je ergens goed over nadenkt. En dat kost tijd en reflectie.

Als antropoloog is Ginny Mooy gespecialiseerd in extreme geweldpleging bij gewapend conflict (m.n. kindsoldaten) en social movements. Sinds 2006 doet ze onderzoek naar oorzaken participatie in en gevolgen van extreem geweld, tactics of terror, en reïntegratie van de naoorlogse samenleving.

Dit artikel staat ook op de website van Ginny Mooy

Geef een reactie

Laatste reacties (27)